ECLI:NL:RBMNE:2025:6066

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
16/289452-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging van jeugddetentie en PIJ-maatregel na ontploffing met zwaar vuurwerk in woonwijk

Op 11 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met twee anderen een ontploffing heeft veroorzaakt bij een woning in Vianen. De ontploffing, die plaatsvond op 3 september 2024, werd veroorzaakt door het gebruik van zwaar vuurwerk en flessen brandstof, wat leidde tot gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor omwonenden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, die op het moment van de feiten achttien jaar oud was, zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van deze ontploffing. De verdachte heeft het feit bekend, maar de verdediging heeft verzocht om vrijspraak van de beschuldiging van levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en een jeugddetentie van 47 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is er een contact- en locatieverbod opgelegd voor de duur van drie jaar. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en het advies van deskundigen die hebben geconstateerd dat de verdachte lijdt aan een lichte verstandelijke beperking en een ernstige gedragsstoornis. De rechtbank heeft ook de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, waarbij schadevergoeding is opgelegd aan de slachtoffers van de ontploffing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/289452-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 november 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op de [adres 1] te [plaats 1] ,
nu verblijvende in het Justitieel Complex [locatie] in [plaats 2] ,
hierna: de verdachte.

1.De zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
28 oktober 2025. De zaak van de verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken van de medeverdachten.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte, mr. M.J. van de Laar;
  • de officier van justitie, mr. D.M.A. van der Zwan;
  • de advocaat van de benadeelde partijen, mr. S. Vermeulen.

2.De tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij (samengevat):
op 3 september 2024 in Vianen, samen met anderen of alleen, een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning ( [adres 2] ), door zwaar vuurwerk (model Cobra) met daaraan bevestigd flessen brandstof bij die woning te plaatsen en tot ontploffing te brengen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. De verdachte heeft het feit bekend en uit het dossier blijkt dat door de ontploffing levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert geen verweer over het bewijs dat de verdachte bij de ontploffing betrokken was. Zij verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het gedeelte dat de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel opleverde. Voor zover van belang worden de standpunten van de advocaat van de verdachte hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd. Door of namens hem is niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In deze situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] ; [2]
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • het proces-verbaal van forensisch onderzoek op het plaats delict.
Bewijsoverweging
De ontploffing is veroorzaakt met gebruik van meerdere stukken zwaar illegaal vuurwerk (minimaal twee Super Cobra’s 6) en meerdere flessen ontbrandbare brandstof. Deze werden bijeen gehouden door tape waarvan meerdere restanten zijn aangetroffen op de plaats delict. Vanaf het moment dat de lont wordt aangestoken, is het verbrandingsproces onomkeerbaar en zal de Super Cobra 6 circa 20 seconden later tot ontploffing komen. In deze tijd is er geen invloed op de omgeving meer uit te oefenen. De ‘vuurwerkbrandstofcombinatie’ (hierna: VBC) is voor de deur gelegd van een rijtjeshuis (een hoekwoning) in een woonwijk in Vianen, rond 05:00 uur ’s ochtends. Het ging dus om een tijdstip waarop de kans zeer groot is dat een deel van de bewoners van omliggende woningen thuis is. Het is ook een moment waarop passanten, bijvoorbeeld vroege vogels, op straat kunnen zijn. Met de kracht van een dergelijke VBC [4] is, gelet op de locatie (een hoekwoning in een woonwijk) en het tijdstip (in de vroege ochtend), gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Dit geldt ook als, zoals in dit geval, in de woning zelf niemand aanwezig is. Het vuur kan immers overslaan (dat heeft de brandweer voorkomen) of er kan iemand nieuwsgierig worden naar wat er plaatsvindt en nabij komen op het moment dat de medeverdachten de VBC aansteken. Bij de ontploffing was dus niet alleen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 03 september 2024 te Vianen,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door
samengebonden stukken zwaar vuurwerk (model
Cobra) met hieraan bevestigde flessen brandbare stofte plaatsen
nabij de voordeur van de woning aan de [adres 2] te [plaats 3] en deze te
ontsteken en tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan:
- gemeen gevaar voor goederen, ten aanzien van voornoemde woning ( [adres 2]
te [plaats 3] ) en die de in die woning aanwezige goederen en de
naastgelegen/omringende woningen en de in die
naastgelegen/omringende woningen/ aanwezige goederen, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
te duchten was
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1
KwalificatieHet bewezenverklaarde feit levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
5.2
Strafbaarheid feit en verdachteEr zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of de verdachte opheffen. De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) toe te passen. Hiermee wordt bedoeld dat de verdachte niet als een volwassene maar als een jeugdige wordt berecht. Ook vindt de officier van justitie dat de feiten verminderd moeten worden toegerekend aan de verdachte. De officier van justitie heeft geëist om de verdachte te veroordelen tot:
  • een jeugddetentie voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest;
  • een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel);
  • een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaar, bestaande uit een contactverbod met de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor Vianen .
De officier van justitie eist dat het contact- en locatieverbod direct na de uitspraak ingaan.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft ook verzocht om ASR toe te passen en om rekening te houden met de verminderde toerekenbaarheid gelet op de persoon van de verdachte. Zij heeft geen verweer gevoerd tegen de oplegging van de PIJ-maatregel, het contactverbod en het locatieverbod. Zij heeft de rechtbank wel uitdrukkelijk verzocht om een jeugddetentie op te leggen die niet langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
De ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij een woning. Met behulp van zwaar vuurwerk en meerdere flessen brandstof hebben de verdachten, vroeg in de ochtend en midden in een woonwijk, een grote ontploffing teweeggebracht. Naast het feit dat de woning hierdoor is beschadigd, is door deze actie van de verdachte en zijn medeverdachten een bijzonder gevaarlijke situatie ontstaan. Het is niet aan de verdachte te danken dat de ontploffing ‘slechts’ tot materiële schade en niet ook tot gewonden of zelfs doden heeft geleid. De rechtbank vindt het erg verontrustend dat de verdachten in opdracht van een of meer onbekend gebleven personen hebben gehandeld en tegen betaling van € 3000,- tot deze actie zijn overgegaan.
Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is naar voren gekomen hoe groot de gevolgen van de ontploffing voor de slachtoffers zijn geweest. Zij ervaren veel angst, stress, onzekerheid en ook de impact op hun sociale leven (ook in de wijk) is groot. Beide slachtoffers hebben psychologische hulp ingeschakeld om de traumatische gebeurtenis te verwerken. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij niet bij deze gevolgen voor de slachtoffers heeft stilgestaan en kennelijk alleen geïnteresseerd was in snel geld verdienen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het veroorzaken van een ontploffing. Hij is wel onherroepelijk veroordeeld voor verboden wapenbezit, een poging tot een winkeloverval en overtreding van de Opiumwet. Er is hem al onherroepelijk een PIJ-maatregel opgelegd.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het persoonlijkheidsonderzoek van
29 maart 2025, uitgebracht door H.M. van der Most van Spijk (psychiater) en H. Schoenmaker (psycholoog). Beide deskundigen zien dat er bij de verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking en een ernstige, norm overschrijdende gedragsstoornis. Zij adviseren om de feiten (licht) verminderd aan de verdachte toe te rekenen en achten het risico op herhaling van delict gedrag (zeer) hoog. Zowel de psychiater als de psycholoog vindt dat er langdurige behandeling in een gedwongen kader nodig is om het risico op delict gedrag terug te kunnen dringen. Beide deskundigen adviseren om het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.
De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op een advies van de reclassering van 15 oktober 2025, uitgebracht door K. Wijnhoven, reclasseringswerker. Uit dit advies blijkt dat de verdachte geen opleiding heeft afgerond, schulden heeft en er zorgen zijn over zijn sociale netwerk. Eerdere interventies (ambulante begeleiding en ITB-Harde Kern) hebben niet geholpen om tot een positieve gedragsverandering te komen. Zodra de verdachte meer vrijheden kreeg, viel hij terug in crimineel gedrag. De reclassering schat het risico op recidive als hoog in en sluit zich aan bij het advies van de deskundigen om de feiten in verminderde mate toe te rekenen, het jeugdstrafrecht toe te passen en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.
Toerekenbaarheid
De rechtbank is op basis van het persoonlijkheidsonderzoek en het reclasseringsadvies, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend.
Toepassing jeugdstrafrecht
Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om verdachten tussen de 18 en de 23 jaar te berechten volgens het jeugdstrafrecht, als de rechtbank daar grond voor ziet in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het feit achttien jaar oud was. Volgens beide deskundigen heeft de verdachte niet alleen intellectuele beperkingen, maar ook een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij is weinig zelfstandig, erg impulsief en beïnvloedbaar en kan de mogelijke consequenties van zijn gedrag niet goed overzien. Gelet hierop is de rechtbank, net als de officier van justitie en de advocaat, van oordeel dat het passend is om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Oplegging PIJ-maatregel
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat aan alle vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel is voldaan. De advocaat van de verdachte heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij gemotiveerd is om in het kader van een PIJ-maatregel aan zichzelf te werken. De rechtbank vindt dit positief en hoopt dat de verdachte deze motivatie blijft vasthouden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.
Verdachte is, zoals hiervoor vermeld, eerder onherroepelijk veroordeeld tot een PIJ-maatregel. De officier van justitie heeft op zitting toegelicht dat volgens de regels van de executie de laatst opgelegde PIJ-maatregel uiteindelijk ten uitvoer wordt gelegd en dat het bijvoorbeeld niet bij elkaar wordt opgeteld.
Oplegging jeugddetentie
De rechtbank zal daarnaast een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen, maar niet voor de duur zoals die door de officier van justitie is gevorderd. Net als de advocaat vindt de rechtbank het niet passend om een jeugddetentie op te leggen die langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis. In het jeugdstrafrecht staat bij de strafoplegging niet de vergelding, maar het pedagogisch karakter van de straf voorop. Een langere jeugddetentie zal waarschijnlijk geen positief effect hebben op de verdere ontwikkeling van de verdachte. Ook zal het waarschijnlijk niet bijdragen aan vermindering van het herhalingsgevaar. Een langere jeugddetentie heeft juist tot gevolg dat de behandeling later wordt gestart en dat kan een negatieve invloed hebben op de effectiviteit van de behandeling en de motivatie van de verdachte voor de behandeling. Verder is de rechtbank van oordeel dat met het opleggen van een PIJ-maatregel voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van het feit. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest van 47 dagen.
Oplegging contact- en locatieverbod
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank tevens een contact- en locatieverbod (‘38v-maatregel’) opleggen. De rechtbank zal bevelen dat de verdachte zich onthoudt van ieder contact met de slachtoffers en dat hij zich niet in Vianen zal bevinden, met uitzondering van de A2 en de A27. De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor de duur van drie jaren. Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis voor de duur van twee weken worden toegepast. De rechtbank zal het contact- en locatieverbod ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
Voorlopige hechtenis
Omdat de duur van de op te leggen jeugddetentie gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.In beslag genomen voorwerpen

7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen telefoon.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen telefoon.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen telefoon verbeurd te verklaren, omdat dit voorwerp bij het plegen van het feit is gebruikt. Uit het dossier blijkt namelijk dat er met deze telefoon naar de woning van de aangever genavigeerd is. [5]

8.Vorderingen benadeelde partij

8.1.
Voeging benadeelde partijen
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8398.28, bestaande uit € 898.28 materiële schade en € 7500,- immateriële schade, als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Hij vordert daarbij de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van
€ 8350.40, bestaande uit € 850.40 materiële schade en € 7500,- immateriële schade, als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Zij vordert daarbij de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om beide vorderingen volledig toe te wijzen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schade heeft de advocaat van de verdachte verzocht om de toekomstige kosten voor het eigen risico (€ 385,-) niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht om het gevraagde bedrag gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
8.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Beide benadeelde partijen vorderen materiële schade, bestaande uit de kosten voor het eigen risico van het afgelopen jaar en de reiskosten naar de psycholoog. Deze schadeposten zijn een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en zijn onderbouwd. Gelet hierop komen deze schadeposten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de gevorderde toekomstige schade (het eigen risico voor volgend jaar) echter niet-ontvankelijk verklaren. Deze schade is betwist door de advocaat van de verdachte en namens de benadeelde is onvoldoende onderbouwd dat het vaststaat dat deze kosten gemaakt zullen worden.
Het voorgaande betekent dat de materiële schade van benadeelde [slachtoffer 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 509.28. De materiële schade van benadeelde [slachtoffer 2] wordt toegewezen tot een bedrag van € 465.40. Het resterende deel van beide vorderingen, namelijk de toekomstige kosten van het eigen risico, zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
Op grond van de wet komt immateriële schade onder meer voor vergoeding in aanmerking als de benadeelde partij “op andere wijze is zijn persoon is aangetast” (artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek). Daarvan is in ieder geval sprake als iemand geestelijk letsel heeft opgelopen.
Uit de onderbouwing van de vorderingen blijkt dat beide benadeelde partijen PTSS hebben opgelopen en dat zij hiervoor onder behandeling zijn. Dat is geestelijk letsel De rechtbank leidt uit de onderbouwing van beide vorderingen echter af dat het geestelijk letsel van de benadeelde partijen niet uitsluitend is veroorzaakt door de ontploffing, maar ook door andere ingrijpende gebeurtenissen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat de ontploffing hoe dan ook een aandeel in het ontstaan van het geestelijk letsel heeft gehad. Het is ingewikkeld om vast te stellen hoe groot het aandeel van de ontploffing op het geestelijk letsel precies is en het zou het strafproces onevenredig belasten als daar nu nog met deskundigen onderzoek naar gedaan zou worden. De rechtbank zal daarom een deel van € 2.000,- toewijzen. De schade kan voor dat bedrag in ieder geval als gevolg van het bewezen verklaarde feit worden aangemerkt en het is ook in lijn met de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend. De rechtbank zal het resterende deel van de gevraagde immateriële schade (€ 5500,-) niet-ontvankelijk verklaren. Het staat de benadeelde partijen vrij om zich voor dit deel van hun vordering tot de civiele rechter te wenden.
Wettelijke rente en hoofdelijkheid
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [slachtoffer 1] worden toegewezen tot een bedrag van € 2509.28 en de vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 2465.40, beiden inclusief de wettelijke rente vanaf 3 september 2024. Beide vorderingen zullen hoofdelijk worden toegewezen. Hiermee wordt bedoeld dat elke verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is, en zal zijn gekweten voor zover een van de medeverdachten heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2509.28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De betaling die door de verdachte of zijn mededaders is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast.
Ook ten behoeve van [slachtoffer 2] zal de rechtbank als extra waarborg voor betaling hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2465.40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling. De betaling die door de verdachte of zijn mededaders is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 47, 77c, 77g, 77i, 77s, 77we en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit gepleegd, zoals hiervoor in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Oplegging van straf en maatregelen
- veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke
jeugddetentie van 47 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht (de duur van de onvoorwaardelijke jeugddetentie is gelijk aan het voorarrest, zodat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis);
- veroordeelt verdachte tot de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel);
- legt aan verdachte op
de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidvoor de duur van drie jaren;
- beveelt dat verdachte:
  • zich onthoudt van ieder contact met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1995) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1989);
  • zich niet zal bevinden in Vianen , met uitzondering van de A2 en de A27;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, de maatregel wordt vervangen door twee weken jeugddetentie. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt maximaal 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd: 1 STK Telefoontoestel (G3408013);
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 2509.28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] ;
- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 2509.28 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of een van zijn medeverdachten op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 2465.40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] ;
- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte hoofdelijk met zijn medeverdachten de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 2465.40 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of een van zijn medeverdachten op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter en kinderrechter, mr. O. Böhmer en mr. M.S. Gerritsen, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Mol, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks op of omstreeks 03 september 2024 te Vianen , althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht door
een explosief dan wel (een) samen gebonden stuk(ken) zwaar vuurwerk (model
Cobra) met (een) hieraan bevestigde fles(sen) brandbare stof(fen) te plaatsen op of
nabij de voordeur van de woning aan de [adres 2] te [plaats 3] en deze te
ontsteken en tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor voor goederen, ten aanzien van voornoemde woning ( [adres 2]
te [plaats 3] ) en die de in die woning aanwezige goederen en de
bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden en de in die
bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de in die woning ( [adres 2] te [plaats 3] ) aanwezige personen en/of de in
de bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige persoen
en/of passerende voetgangers, in elk geval
levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier met proces-verbaalnummer 2024275297E, doorgenummerd pagina 1 tot en met 563. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.p. 126. (digitaal p. 148)
3.p. 11 (digitaal p. 449).
4.Zie hiervoor de vakbijlage bij het proces-verbaal van de forensische opsporing over de gevaarzetting.
5.p. 332 (digitaal: p. 354).