In deze zaak heeft eiseres, een Belgische, beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de Dienst Toeslagen met betrekking tot de definitieve beschikkingen integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag. Het beroep is op 10 maart 2025 ingediend. Op 10 september 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Na dit besluit heeft eiseres haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van haar proceskosten. Verweerder heeft op 9 oktober 2025 gereageerd op dit verzoek.
De rechtbank heeft besloten om deze uitspraak te doen zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. De rechtbank overweegt dat als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, de rechtbank kan bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener moet betalen, zoals vastgelegd in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van reiskosten van Rotterdam naar Brussel en om vergoeding van verletkosten voor voorbereiding, communicatie en administratie. Verweerder heeft hierop gereageerd en betoogd dat reiskosten niet in aanmerking komen, omdat deze niet zijn gemaakt voor het bijwonen van een rechtszitting, en dat verletkosten alleen vergoed kunnen worden bij tijdsverzuim voor een zitting. Aangezien er geen zitting heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank het verzoek van eiseres om vergoeding van de proceskosten afgewezen. De rechtbank concludeert dat het onduidelijk is waarvoor de kosten zijn gemaakt, aangezien eiseres deze niet verder heeft onderbouwd.
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier, en is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.