ECLI:NL:RBMNE:2025:6090

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/5242
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 17 oktober 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, die zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats is, behandeld. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat verzoekster niet de vereiste documenten heeft overgelegd, waaronder een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en het besluit waartegen het verzoek zich richt. Ondanks herhaaldelijke verzoeken van de rechtbank om dit verzuim te herstellen, heeft verzoekster geen afschrift van het bezwaarschrift ingediend binnen de gestelde termijn. Hierdoor kan de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordelen en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing, zoals bepaald in de Algemene wet bestuursrecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5242

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], zonder bekende vaste woon – of verblijfplaats, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist. van de gemeente Zeist.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet onder meer een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift overleggen en (zo mogelijk) een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft. [1] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na het bieden van een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2.1.
Bij het verzoekschrift van 12 september 2025 is het (inleidend) bezwaarschrift niet overgelegd. Uit het ingediende verzoek en nadien ingestuurde brieven en stukken valt ook niet op te maken op welk specifieke besluit van een bestuursorgaan het verzoek betrekking heeft. De rechtbank heeft verzoekster meermaals verzocht om daarover duidelijkheid te verschaffen. Daarnaast heeft de rechtbank bij brieven van 23 september 2025, 1 oktober 2025 en 7 oktober 2025 verzocht om het geconstateerde verzuim te herstellen. Bij brief van 7 oktober 2025 is een termijn gesteld tot en met 14 oktober 2025.
2.1.
Verzoekster heeft binnen die termijn geen afschrift van het bezwaarschrift overgelegd. Verzoekster heeft geen gegronde reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.