ECLI:NL:RBMNE:2025:6164

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
11874467
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 7:625 BWArt. 7:626 BWArt. 7:677 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet en toewijzing loonvorderingen servicemonteur

De werknemer trad op 14 april 2025 in dienst bij de werkgever als servicemonteur voor 40 uur per week met een nettoloon van € 2.750 per maand. Op 7 augustus 2025 werd hij op staande voet ontslagen. De werknemer verzocht de kantonrechter om dit ontslag te vernietigen en om betaling van loon, wettelijke verhoging en salarisspecificaties.

De werkgever is niet verschenen in de procedure en heeft geen dringende reden voor het ontslag kunnen aantonen. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig verklaard. De arbeidsovereenkomst blijft voortduren en de werkgever is gehouden het loon vanaf de ontslagdatum door te betalen.

Daarnaast is de werkgever veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging over het achterstallige loon en tot het verstrekken van volledige salarisspecificaties vanaf de aanvang van het dienstverband. Verzoeken tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zijn afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever wegens haar nalatigheid. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek tot voorlopige voorziening is afgewezen omdat de hoofdprocedure reeds is afgerond.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon, wettelijke verhoging en verstrekking van salarisspecificaties.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11874467 \ UE VERZ 25-262 WMB/61313
Beschikking van 18 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. P.Chr. Snijders,
tegen
[verweerster] ,h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 9 september 2025 een verzoek ingediend om zijn ontslag op staande voet te vernietigen. Op 30 september 2025 heeft [verzoeker] het verzoekschrift per exploot bij het (voormalig) bedrijfsadres van [verweerster] laten betekenen. Vervolgens heeft [verzoeker] het verzoekschrift op 6 oktober 2025 en naar aanleiding van de verplaatsing van de mondelinge behandeling nogmaals op 15 oktober 2025 aan het woonadres van [verweerster] laten betekenen. Op 21 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken. [verzoeker] is samen met mr. Snijders verschenen. Ook zijn verloofde was bij de zitting aanwezig. [verweerster] is niet verschenen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat er een beschikking zal worden gegeven.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoeker] is op 14 april 2025 voor onbepaalde tijd bij [verweerster] in dienst getreden als servicemonteur voor 40 uur per week met een nettoloon van € 2.750,00 per maand. Op 7 augustus 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Hij verzoekt de kantonrechter om het ontslag te vernietigen en [verweerster] te veroordelen tot (door)betaling van het loon en de wettelijke verhoging daarover, en om deugdelijke salarisspecificaties aan [verzoeker] te verstrekken. De verzoeken worden grotendeels toegewezen.

3.De beoordeling

in het incident
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen
3.1.
Het door [verzoeker] ingestelde verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker] . [1]
in de hoofdzaak
[verzoeker] verzoekt primair om vernietiging van het ontslag
3.2.
Tijdens de zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat hij niet berust in het ontslag, zodat zijn primaire verzoek strekt tot vernietiging daarvan. Daarnaast heeft [verzoeker] zijn verzoek tot wedertewerkstelling ingetrokken. Hij heeft verklaard dat hij zijn nieuwe baan, die hij per 1 oktober 2025 is gestart, als hij van de kantonrechter gelijk krijgt, zal opzeggen en zich beschikbaar zal houden voor werk van [verweerster] .
Het ontslag wordt vernietigd
3.3.
Het verzoek tot vernietiging van het ontslag zal worden toegewezen. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat [verweerster] hem op 7 augustus 2025 heeft laten weten dat ‘het klaar is’, dat zij kort daarna met dwang de bedrijfsbus bij hem heeft opgehaald, en dat hij sindsdien niet meer heeft gewerkt en niets meer van [verweerster] heeft gehoord. Zo’n ontslag op staande voet is alleen rechtsgeldig als de werkgever daarvoor een dringende reden heeft, die hij onverwijld aan de werknemer mededeelt bij de opzegging van het dienstverband. [2] Nergens blijkt uit wat die dringende reden is en dat [verweerster] die reden heeft medegedeeld aan [verzoeker] , laat staan onverwijld, zodat het ontslag geen stand houdt.
3.4.
[verweerster] is niet in deze procedure verschenen. Op de ochtend van de zitting heeft zij nog wel een e-mail naar de griffie en naar de gemachtigde van [verzoeker] gestuurd. Daarin stelt zij dat ene [A] haar heeft overtuigd om [handelsnaam] op te richten en daar vervolgens misbruik van heeft gemaakt door de bedrijfsvoering naar zich toe te trekken. Volgens [verweerster] heeft niet zij, maar [A] [verzoeker] aangenomen om voor [handelsnaam] te komen werken. Voor zover dat inderdaad het geval is geweest, maakt dat de uitkomst van deze zaak niet anders. [verweerster] bevestigt immers dat het bedrijf op haar naam staat en dat [verzoeker] bij haar in dienst was. Zij kon [verzoeker] daarom niet zomaar ontslaan.
[verweerster] moet het loon (door)betalen
3.5.
Het verzoek tot (door)betaling van het loon vanaf 7 augustus 2025, vermeerderd met vakantiedagen en vakantietoeslag wordt toegewezen. Omdat het ontslag wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [verzoeker] recht op loon. [verzoeker] zegt dat hij met [verweerster] alleen een nettoloonbedrag is overeengekomen van € 2.750,00 per maand. De kantonrechter zal [verweerster] daarom veroordelen om het bruto equivalent van dat bedrag per maand aan [verzoeker] te betalen tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is geëindigd. De wettelijke rente over het achterstallige loon zal worden toegewezen zoals verzocht.
[verweerster] moet wettelijke verhoging betalen
3.6.
De gevorderde wettelijke verhoging over de achterstallige loonbedragen zal worden toegewezen zoals verzocht. [3] De kantonrechter ziet geen reden om de wettelijke verhoging te matigen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen zoals verzocht.
[verweerster] moet salarisspecificaties verstrekken
3.7.
[verzoeker] wil dat [verweerster] wordt veroordeeld om hem salarisspecificaties te verstrekken. [verweerster] is gehouden om dat te doen. [4] Tijdens de zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat er een schrijffout in het verzoek is geslopen en dat hij wil dat [verweerster] wordt veroordeeld om hem specificaties vanaf de start van zijn dienstverband te verstrekken en niet pas vanaf 7 augustus 2025. Aangezien [verzoeker] dat in het incident ook zo heeft verzocht, zal de kantonrechter [verweerster] veroordelen om specificaties voor het gehele dienstverband te verstrekken, op straffe van een dwangsom, zoals verzocht. Het maximum wordt alleen naar beneden bijgesteld.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten
3.8.
[verzoeker] wil een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dat verzoek zal worden afgewezen, omdat [verzoeker] die kosten niet heeft onderbouwd en geen bedrag aan zijn verzoek heeft verbonden.
[verweerster] moet de proceskosten van [verzoeker] betalen
3.9.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat [verweerster] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . Het verzoek om [verweerster] in de volledige proceskosten te veroordelen wordt afgewezen, aangezien geen sprake is van misbruik van procesrecht of een andere grond om [verweerster] daartoe te veroordelen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 768,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
vernietigt het ontslag op staande voet;
4.2.
veroordeelt [verweerster] om binnen twee dagen [verzoeker] het bruto equivalent van € 2.750,00 netto per maand aan loon vanaf 7 augustus 2025 te betalen, te vermeerderen met vakantiedagen en vakantietoeslag, tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig eindigt;
4.3.
veroordeelt [verweerster] om [verzoeker] binnen twee dagen salarisspecificaties te verstrekken vanaf 14 april 2025, waarin de bij randnummer 4.2. bedoelde betalingen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag , met een maximum van € 5.000,00, voor elke dag dat [verweerster] niet binnen vijf dagen na het wijzen van de beschikking aan de veroordeling voldoet;
4.4.
veroordeelt [verweerster] om binnen twee dagen [verzoeker] de wettelijke verhoging van maximaal 50% te betalen over het achterstallige aan [verzoeker] toekomende loon;
4.5.
veroordeelt [verweerster] tot betaling binnen twee dagen van de wettelijke rente over de achterstallige loonbedragen en de wettelijke verhoging, telkens berekend vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;
4.6.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 768,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de wettelijke rente [5] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; [6]
4.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Artikel 7:677 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Op grond van artikel 7:625 BW Pro.
4.Artikel 7:626 BW Pro.
5.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.