ECLI:NL:RBMNE:2025:6165

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/16/592691 / FO RK 25-517
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over proceskosten bij intrekken verzoek door wederpartij in familierechtelijke procedure

Op 19 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure tussen de moeder en de vader van kinderen. De moeder had haar verzoeken, die betrekking hadden op ouderlijk gezag, omgang en financiële bijdragen voor de kinderen, ingetrokken. De vader had hierop verzocht om uitstel voor het indienen van een verweerschrift, maar de rechtbank had de vader geïnformeerd dat de procedure was geëindigd door de intrekking van de verzoeken door de moeder. De vader maakte bezwaar tegen deze beëindiging en vroeg om een proceskostenveroordeling van de moeder, begroot op € 1.075,-. De rechtbank heeft het verzoek van de vader afgewezen en de proceskosten gecompenseerd, wat betekent dat ieder de eigen kosten moet dragen. De rechtbank oordeelde dat het gebruikelijk is om in familiezaken de proceskosten te compenseren, gezien de relatie tussen partijen. De rechtbank benadrukte dat de moeder het recht had om haar verzoeken in te trekken zonder overleg met de vader, en dat de vader niet benadeeld was in zijn mogelijkheden om verzoeken in te dienen. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was om van de gebruikelijke praktijk af te wijken en dat de vader niet opnieuw een eigen bijdrage hoefde te betalen voor het indienen van nieuwe verzoeken, aangezien zijn toevoeging al eerder was afgegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/592691 / FO RK 25-517
Beschikking van 19 november 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. [A] (onttrokken),
tegen
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. I.L. Ortelee.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verweerschrift van de moeder van 1 mei 2025 met zelfstandige verzoeken in de zaak C/16/591063 JE RK 25/484, welke door de kinderrechter zijn afgesplitst en door de rechtbank in behandeling genomen onder zaaknummer
C/16/592691 / FO RK 25-517 (deze procedure);
  • de brief van 1 mei 2025 van de rechtbank aan de vader waarin de vader een termijn van vier weken krijgt om een verweerschrift door een advocaat te laten indienen;
  • het bericht van 7 mei (F2-formulier) waarmee mr. Ortelee zich als advocaat stelt voor de vader;
  • het bericht van 19 mei 2025 van mr. [A] waarin zij meedeelt dat zij zich onttrekt als advocaat van de moeder;
  • de e-mail van de moeder van 26 mei 2025 waarin zij haar verzoeken intrekt;
  • het bericht van de vader van 27 mei 2025 waarin wordt verzocht om “uitstel indiening verweerschrift”;
  • het bericht van de rechtbank aan de vader van 27 mei 2025 over de intrekking van het verzoek van de moeder;
  • het bericht van de vader van 30 mei 2025;
  • een zelfstandig verzoekschrift van de vader, ontvangen op 22 augustus 2025;
  • de e-mail van de moeder van 8 september 2025.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.Waar deze procedure over gaat

2.1.
De advocaat van de moeder heeft zich bij formulier van 19 mei 2025 onttrokken.
2.2.
In haar e-mailbericht van 26 mei 2025 heeft de moeder (in persoon) al haar verzoeken ingetrokken. Deze verzoeken gingen over het ouderlijk gezag, de omgang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de spaartegoeden van de kinderen.
2.3.
De vader heeft op 27 mei 2025 verzocht om uitstel voor indiening van een verweerschrift.
2.3.
Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank de vader geïnformeerd dat het verzoekschrift is ingetrokken en dat de procedure is geëindigd. Deze brief heeft het verzoek om uitstel van de vader dus gekruist.
2.4.
De vader heeft tegen het beëindigen van de procedure bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft de vader vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog een verzoek in te dienen met betrekking tot de proceskosten.
2.5.
De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de proceskosten begroot op een bedrag van € 1.075,-. De moeder is het hier niet mee eens.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure af. De proceskosten worden gecompenseerd, wat betekent dat ieder de eigen proceskosten moet dragen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
3.2.
In familiezaken is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren vanwege de relatie tussen partijen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan in deze zaak af te wijken.
3.3.
De vader stelt zich op het standpunt dat de procedure is geëindigd op verzoek van de moeder en dat de moeder niet met de vader heeft overlegd over de onttrekking van haar advocaat en de intrekking van haar verzoeken. De vader meent dat hem daardoor de mogelijkheid is ontnomen om zijn voorgenomen verzoeken aan de rechter voor te leggen zonder opnieuw een eigen bijdrage voor een toevoeging en griffierecht verschuldigd te zijn.
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat de procedure niet is geëindigd op verzoek van de moeder. De moeder heeft haar verzoeken ingetrokken en de rechtbank heeft daarop aan de vader medegedeeld dat de procedure daarmee is geëindigd, omdat op dat moment nog geen verweerschrift (met zelfstandige verzoeken) was ingediend en evenmin een tussenbeschikking was gegeven. Deze werkwijze hanteert de rechtbank in familiezaken om praktische redenen. In het familierecht komt het namelijk veelvuldig voor dat verzoeken in een vroeg stadium van de procedure worden ingetrokken. Daarnaast is het in familiezaken niet gebruikelijk om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
3.5.
Anders dan de vader stelt, stond het de moeder vrij om haar verzoeken in te trekken. Ze hoefde daarover niet eerst te overleggen met de vader. Het ontbreken van overleg op dit punt is dan ook niet in strijd met de goede procesorde.
3.6.
Wel heeft de vader gelijk als hij stelt dat hij de gelegenheid had moeten krijgen om een verzoek tot proceskostenveroordeling van de moeder in te dienen. De rechtbank heeft hem dan ook die gelegenheid gegeven. Dat hij als gevolg van het indienen van dat (zelfstandige) verzoek alsnog griffierecht verschuldigd is geworden, is een omstandigheid die aan hemzelf te wijten is en geeft de rechtbank geen aanleiding om de moeder te veroordelen die kosten aan de vader te vergoeden. Verder is het niet juist dat de vader opnieuw een eigen bijdrage verschuldigd zou zijn als hij zelf verzoeken aan de rechtbank zou willen voorleggen. De aan hem verstrekte toevoeging betreft immers blijkens het bericht van de Raad voor Rechtsbijstand aan de advocaat van de vader een zaak over “ouderlijk gezag/voogdij”. Het staat hem dus vrij om zijn advocaat op basis van de reeds verstrekte toevoeging een procedure te laten beginnen. Hij behoeft daarvoor dan niet opnieuw een eigen bijdrage te betalen.
3.7.
Tenslotte merkt de rechtbank op dat de toevoeging al op 24 januari 2025 is afgegeven, dus ruim voordat de moeder haar verzoeken aan de rechtbank had voorgelegd. Er is dus geen direct verband tussen het door de moeder ingediende verzoekschrift en de eigen bijdrage van € 985,- die de vader heeft moeten betalen voor de inschakeling van zijn advocaat.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt;
4.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. G.L.M. Urbanus, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
FK