Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
Stadsherstel Amsterdam N.V. heeft in kort geding verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis van 16 juli 2025, waarin zij was veroordeeld om mee te werken aan de aanpassing van kadastrale gegevens van een strook grond. De rechtbank had geoordeeld dat gedaagde door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van deze strook grond, die sinds 6 januari 1995 in bezit is van gedaagde.
Stadsherstel stelde dat sprake was van een kennelijke misslag in het vonnis en dat de belangenafweging in haar voordeel moest uitvallen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen kennelijke misslag was, omdat het interversieverbod en andere bezwaren reeds in de bodemprocedure aan de orde waren gekomen en gemotiveerd zijn afgewezen. Ook werd verduidelijkt dat de verplichting tot medewerking slechts ziet op een administratieve aanpassing in het kadaster, niet op daadwerkelijke levering.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van gedaagde bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging zwaarder weegt dan het belang van Stadsherstel bij behoud van de bestaande toestand gedurende het hoger beroep. Stadsherstel kon niet aannemelijk maken dat onomkeerbare schade zou ontstaan. De vordering tot schorsing werd daarom afgewezen en Stadsherstel werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van Stadsherstel tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.