ECLI:NL:RBMNE:2025:6257

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
UTR 24/5536, UTR 24/4600 en UTR 24/3880
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing overname private schulden met gedeeltelijke toewijzing van de aanvraag

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 12 november 2025, wordt een beroep behandeld tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om overname van haar private schulden. Eiseres, die gedupeerd is door de kinderopvangtoeslagaffaire, had vijf schulden ingediend bij de minister van Financiën. De rechtbank oordeelt dat de minister vier van deze schulden terecht niet heeft overgenomen, maar dat hij ten onrechte een deel van een afgeloste schuld aan Aquaelectra niet heeft gecompenseerd. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres gedeeltelijk gelijk heeft gekregen, omdat aan de voorwaarden van artikel 4.3, derde lid, van de Wet herziening toeslagen is voldaan voor het deel van de schuld dat zij heeft afgelost.

Het procesverloop laat zien dat eiseres in beroep is gegaan tegen de besluiten van de minister, die de aanvragen voor overname van de schulden had afgewezen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op een zitting, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar de gemachtigde van eiseres niet. De rechtbank heeft de minister gevraagd om een duidelijk standpunt in te nemen over een specifieke schuld, waarop de minister reageerde met de mededeling dat deze schuld niet opeisbaar was binnen de referteperiode. De rechtbank volgde deze redenering niet en concludeerde dat de schuld wel degelijk opeisbaar was.

De rechtbank heeft uiteindelijk de beroepen met de zaaknummers UTR 24/5536 en UTR 24/4600 ongegrond verklaard, maar het beroep met zaaknummer UTR 24/3880 gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het besluit van de minister voor zover het betreft de niet-gecompenseerde schuld aan Aquaelectra en bepaalt dat de minister deze schuld aan eiseres moet compenseren. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/5536, UTR 24/4600 en UTR 24/3880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

de minister van Financiën,

(gemachtigde: mr. J. Rhebergen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om overname van haar private schulden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een deel van een door eiseres afgeloste schuld ten onrechte niet heeft gecompenseerd. De overige door eiseres ingediende schulden heeft de minister terecht niet gecompenseerd. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor overname van vijf schulden. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 18 oktober 2023, 15 november 2023 en 1 februari 2024 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 7 maart 2024, 14 mei 2024 en 18 juli 2024 op de bezwaren van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een behandeling van de beroepen op een zitting op 1 mei 2025. De gemachtigde van eiseres heeft daarop uitstel van de behandeling op zitting gevraagd wegens verhindering. De rechtbank heeft dit uitstel toegewezen en met inachtneming van de verhinderdata van de gemachtigde een zitting bepaald op 24 juni 2025. Tot grote verbazing van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 16 april 2025 vervolgens de rechtbank laten weten dat zij en eiseres niet op de zitting zullen verschijnen en dat vragen van de rechtbank schriftelijk voor kunnen worden gelegd.
De rechtbank merkt hierover op dat deze proceshouding niet van professionaliteit getuigt en dat in het vervolg anders wordt verwacht.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van de minister.
2.5.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen een nader standpunt in te nemen over een deel van de schuld (te weten 1.123,83 ANG) aan Aquaelectra. Bij brief van 3 juli 2025 heeft de minister zijn nadere standpunt aan de rechtbank gestuurd. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 21 juli 2025.
2.6.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft geen van partijen de rechtbank laten weten dat zij op een nadere zitting wil worden gehoord. Op 6 oktober 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft op drie momenten schuldenlijsten toegezonden aan de Sociale Banken Nederland (SBN) met de bedoeling om in aanmerking te komen voor overname van de (afgeloste) schulden. Eiseres heeft de volgende schulden ingediend:
1. een schuld aan DUO van € 11.754,44;
2. een schuld aan de Landsontvanger van Curaçao van € 248,67. Dit betreft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting 2020, inclusief boete;
3. een schuld aan Aquaelectra/Landsontvanger van Curaçao van € 687,- met betrekking tot de afvalstoffenheffing over 2018-2021;
4. een schuld aan de MCB Bank van € 25.060,30;
5. een schuld aan Aquaelectra van 6.915 ANG met betrekking tot facturen voor water van november 2019 tot en met mei 2021.
4. De minister heeft de overname van de schulden om wisselende en uiteenlopende redenen afgewezen. In beroep (de zaken met nummers UTR 24/4600 en UTR 24/5536) heeft eiseres geen gronden gericht tegen de weigering tot overname van de eerste vier genoemde schulden. Over deze vier schulden heeft eiseres beroepschriften op nader aan te vullen gronden ingediend. In deze beroepschriften heeft eiseres in het algemeen gesteld dat de minister door de schulden niet over te nemen een vergaande inbreuk maakt op de doelstelling en de geest van de Wet en de regelgeving en dat zij het er niet mee eens is dat de schulden niet worden overgenomen. Deze algemeen gestelde beroepsgronden slagen niet. Eiseres heeft geen gronden ingediend waarin zij ingaat op de redenen waarom de minister weigert de schulden over te nemen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten deze vier schulden niet over te nemen.
5. Over de vijfde schuld op de lijst heeft eiseres in haar aanvullende beroepschrift (in zaak UTR 24/3880) aangevoerd dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4.3, derde lid, van de Wht. Eiseres heeft een deel van de schuld immers na de beschikking over het vooralsnog niet toekennen van een forfaitair bedrag en vóór de beschikking herbeoordeling afgelost en een ander deel heeft zij afgelost nadat zij compensatie had ontvangen op 26 juni 2023. Over deze schuld heeft eiseres het volgende toegelicht. In juni 2021 was er een schuld ontstaan bij Aquaelectra van 6.915,56 ANG door onbetaalde facturen voor water over de periode van november 2019 tot en met mei 2021. Dit blijkt uit de factuur van 3 juni 2021. In de periode van juli 2021 tot juni 2023 heeft eiseres deze schuld gedeeltelijk afgelost. In juli 2023 resteerde een schuld van 1.123,83 ANG. Dit blijkt uit een e-mailbericht van 18 juli 2023 van Aquaelectra Support aan eiseres en een bericht van Aquaelectra van 5 september 2023, waarin het resterende bedrag van 1.123,83 ANG staat en de mededeling dat zij van het water is afgesloten en weer zal worden aangesloten als het volledige bedrag is voldaan. Op 6 september 2023 heeft eiseres het resterende bedrag van 1.123,83 ANG voldaan. Eiseres is van mening dat de minister zelf onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar deze schuld.
6. Omdat het standpunt van de minister over een deel van deze schuld de rechtbank niet duidelijk was, heeft de rechtbank de minister verzocht hierover een eenduidig standpunt in te nemen. Bij brief van 3 juli 2025 heeft de minister het standpunt ingenomen dat de schuld niet opeisbaar is geworden binnen de referteperiode. Dit bedrag staat immers vermeld op de factuur van 5 juli 2023.
7. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrag van 1.123,83 ANG voor het grootste deel betrekking heeft op een schuld die is ontstaan na 31 december 2005 en voor 1 juni 2021. Dit blijkt uit het volgende. Op de factuur van juni 2021 staat een totaal bedrag van 6.915,56 ANG. Een deel van dit bedrag, te weten 706,22 ANG, heeft volgens de factuur betrekking op de maand juni 2021. Dit deel van de schuld is dus ontstaan na 1 juni 2021 en valt daarmee buiten de referteperiode. Als je dit bedrag afhaalt van het totaal, blijft een bedrag van 6.209,34 ANG over dat logischerwijs betrekking heeft op vervallen facturen uit de periode daarvoor. De verklaring van eiseres wordt verder ondersteund door het door haar overgelegde overzicht van Aquaelectra van facturen en betalingen, waaruit blijkt dat eiseres in de periode van maart 2018 tot november 2020 geen enkele factuur heeft betaald. De rechtbank komt voor dit deel van de schuld tot de conclusie dat deze is ontstaan na 31 december 2005 en opeisbaar was voor 1 juni 2021. Dat deze schuld gedeeltelijk nog steeds voorkomt op de factuur van 5 juli 2023 wil naar het oordeel van de rechtbank niet zeggen dat de schuld niet eerder opeisbaar was.
8. Vast staat verder dat aan eiseres bij besluit van 8 maart 2022 kenbaar is gemaakt dat Dienst Toeslagen vooralsnog geen reden ziet voor uitbetaling van een forfaitair bedrag en dat aan haar bij besluit van 26 juni 2023 alsnog € 38.677,- is toegekend in het kader van de definitieve herbeoordeling. Dit betekent dat voor het deel van de schuld dat eiseres heeft afgelost tussen 8 maart 2022 en 26 juni 2023 is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.3, derde lid, onder b, van de Wht en voor het deel dat zij op 6 september 2023 heeft voldaan, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.3, derde lid, onder a, van de Wht.
9. Uit de door eiseres overgelegde overzichten en betaalbewijzen leidt de rechtbank af dat eiseres in de periode van 4 juni 2021 tot 8 maart 2022 een bedrag heeft afgelost van 360,80 ANG. Dit bedrag hoeft de minister, gelet op artikel 4.3, van de Wht niet te compenseren. In de periode van 8 maart 2022 tot 26 juni 2023 heeft eiseres een bedrag van 5.430,93 ANG afgelost op de schuld. Het restant van de schuld, te weten 417,61 ANG (= 6.209,34 - 5.430,93 - 360,80), heeft zij betaald op 6 september 2023. De minister had eiseres voor de twee laatstgenoemde delen van de schuld, in totaal dus 5.848,54 ANG, moeten compenseren. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen met de zaaknummers UTR 24/5536 en UTR 24/4600 zijn ongegrond.
11. Het beroep met zaaknummer UTR 24/3880 is gegrond omdat het bestreden besluit van 7 maart 2024 in strijd is met artikel 4.3, derde lid, van de Wht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij de afgeloste schuld tot een totaalbedrag van 5.848,54 ANG niet is gecompenseerd. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de minister de afgeloste schuld aan Aquaelectra tot een bedrag van 5.848,54 ANG aan eiseres compenseert.
11. Omdat het beroep met zaaknummer UTR 24/3880 gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een bezwaarschrift heeft ingediend en deel heeft genomen aan een hoorgesprek in de bezwaarfase. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen met zaaknummers UTR 24/5536 en UTR 24/4600 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer UTR 24/3880 gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 maart 2024 voor zover daarin is beslist dat de schuld aan Aquaelectra tot een bedrag van 5.848,54 ANG niet wordt gecompenseerd;
- herroept het besluit van 18 oktober 2023 in zoverre;
- bepaalt dat de minister de schuld tot een bedrag van 5.848,54 ANG aan eiseres compenseert en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.