Partijen, die een zoon van negen jaar delen, hebben een voorlopige begeleide omgangsregeling waarbij de vader eens in de drie weken anderhalf uur omgang heeft onder begeleiding. De vader vordert in kort geding dat de rechtbank de omgangsregeling wijzigt zodat een andere professionele organisatie dan de door de moeder gewenste Konfia de begeleiding verzorgt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de oorspronkelijke beschikking geen bindende keuze voor een specifieke begeleidingsorganisatie bevat en dat de orthopedagoog Konfia geschikt acht voor begeleiding. De vader slaagt er niet in voldoende feiten aan te dragen die een wijziging van de regeling rechtvaardigen, ondanks dat het Opstapje mogelijk iets eerder kan starten dan Konfia.
De rechtbank benadrukt dat snelheid niet het enige belang is, maar ook de geschiktheid van de begeleider en de nabijheid van de woonplaats van de moeder. Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van overtuigend bewijs voor de noodzaak van wijziging, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.