In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de beslissing op bezwaar van 16 september 2025, waarbij villa [naam villa] aan de [adres] in [plaats] is aangewezen als gemeentelijk monument. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekers, die de villa in september 2022 hebben gekocht, hebben een sloopmelding en een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Na een verzoek van derde belanghebbenden heeft het college van burgemeester en wethouders de villa als gemeentelijk monument aangewezen, wat verzoekers als onrechtmatig beschouwen. Ze verzoeken de voorzieningenrechter om de beslissing op bezwaar te schorsen en de aanvraag om omgevingsvergunning in behandeling te nemen.
De voorzieningenrechter overweegt dat er geen materiële connexiteit is tussen het verzoek om een voorlopige voorziening en de beslissing op bezwaar, omdat de beslissing op bezwaar niet gaat over de omgevingsvergunning. Ook ontbreekt het spoedeisend belang, aangezien de aanwijzing niet leidt tot een onomkeerbare situatie en er geen acute financiële noodsituatie is. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier, en is openbaar uitgesproken op 21 november 2025.