ECLI:NL:RBMNE:2025:6293

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
25/6313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArtikel 3 Monumentenverordening Hilversum 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen aanwijzing villa als gemeentelijk monument

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de aanwijzing van villa [naam villa] als gemeentelijk monument door het college van burgemeester en wethouders van Hilversum. Zij vorderen een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen en de omgevingsvergunning voor nieuwbouw alsnog in behandeling te nemen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat het spoedeisend belang ontbreekt en de aangevoerde gronden onvoldoende zijn om het besluit als evident onrechtmatig te bestempelen. Het college heeft beoordelingsruimte bij de monumentenaanwijzing en de belangenafweging vergt nader onderzoek.

De rechter concludeert dat de beoordeling van de deskundigenrapporten en de monumentale waardering in een bodemprocedure moet plaatsvinden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de aanwijzing van de villa als gemeentelijk monument wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende bewijs van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6313

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M.A.J. West),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(mr. R.A. Oosterveer)
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
1. [derde belanghebbende 1]uit [plaats] ,
2. [derde belanghebbende 2]uit [plaats] ,
3. [derde belanghebbende 3]uit [plaats]
4. [derde belanghebbende 4]uit [plaats] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de beslissing op bezwaar van 16 september 2025 waarmee villa [naam villa] aan de [adres] in [plaats] is aangewezen als gemeentelijke monument. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. In september 2022 hebben verzoekers de villa aan de [adres] gekocht. Op 19 juli 2023 hebben zij bij het college een sloopmelding gedaan en een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe woning. Op 14 augustus 2023 heeft [derde belanghebbende 1] het college verzocht om villa [naam villa] en de tuin met spoed aan te wijzen als gemeentelijk monument.
4. Op 15 augustus 2023 heeft het college aan verzoekers het voornemen bekend gemaakt om villa [naam villa] met tuin als gemeentelijk monument aan te wijzen. Vanaf dat moment geldt de voorbescherming zoals neergelegd in artikel 3 op Pro grond van de Monumentenverordening Hilversum 2016. Daarna hebben ook de [derde belanghebbende 2] en de [derde belanghebbende 3] verzocht om aanwijzing als gemeentelijke monument.
5. Met het besluit van 2 september 2024 heeft het college besloten villa [naam villa] met tuin niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Derde-partijen hebben daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft met de beslissing op bezwaar het besluit van 2 september 2024 herroepen en de villa en de tuin alsnog aangewezen als gemeentelijk monument.
6. Verzoekers hebben daartegen beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers betogen dat zij schade leiden als gevolg van de onrechtmatige monumentenaanwijzing. Het gaat om een aanzienlijk maandelijks bedrag, maar op dit moment is nog geen sprake van een financiële noodsituatie. Toch vinden zij dat een voorlopige voorziening getroffen moet worden omdat de beslissing op bezwaar evident onrechtmatig is. Daarvoor voeren zij meerdere gronden aan. Concreet verzoeken zij de voorzieningenrechter:
- de beslissing op bezwaar te schorsen, zodat het primaire besluit tot afwijzing van het verzoek tot aanwijzing als gemeentelijk monument weer herleeft;
- te bepalen dat in afwijking van de Monumentenverordening Hilversum 2016 geen monumentale voorbescherming geldt;
- het college op te dragen om de aanvraag om omgevingsvergunning van 19 juli 2023 in behandeling te nemen en daarop binnen de reguliere beslistermijn te beslissen.
7. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekers hebben daar weer schriftelijk op gereageerd.
8. Over het verzoek om een voorziening te treffen die inhoud dat het college de omgevingsvergunning in behandeling moet nemen, overweegt de voorzieningenrechter dat materiële connexiteit ontbreekt. Het materiële connexiteitsvereiste houdt in dat een gevraagde voorlopige voorziening betrekking moet hebben op de inhoud van de (connexe) bestreden beslissing. Verzoekers willen bereiken dat de aanvraag om een omgevingsvergunning in behandeling wordt genomen, maar daar gaat de beslissing op bezwaar niet over.
9. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om de overige voorzieningen te treffen waar verzoekers om hebben verzocht. Hoewel duidelijk is dat de aanwijzingsprocedure de sloop- en herbouwplannen van verzoekers doorkruist, oordeelt de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang ontbreekt. De beslissing op bezwaar heeft niet tot gevolg dat op dit moment een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Van een acute financiële noodsituatie is volgens verzoekers ook nog geen sprake.
10. Bij het ontbreken van spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Verzoekers vinden dat het besluit evident onrechtmatig is. Zij voeren aan dat onvoldoende is ingegaan op de door hen ingebrachte deskundigenrapporten, fouten zijn gemaakt in de bouwhistorische rapporten die aan de aanwijzing ten grondslag liggen, de monumentale waardering van het huis en de tuin zeer is overschat, de monumentenstatus een forse waardedaling tot gevolg heeft, het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat de monumentenstatus geen negatieve gevolgen van hen heeft en ten onrechte geen vergelijking is gemaakt tussen de kosten van instandhouding van de woning en de renovatiekosten enerzijds en de herbouwwaarde anderzijds.
11. De voorzieningenrechter overweegt dat met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
12. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het college beoordelingsruimte bij het bepalen van de monumentale waarde van een onroerende zaak. Bij het beantwoorden van de vraag, of een als monumentwaardig beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument moet worden aangewezen, heeft het college beleidsruimte. Daarbij moeten alle betrokken belangen worden afgewogen.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het nader onderzoek vergt om te beoordelen of het college [naam villa] in bezwaar in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument. Daarvoor is het nodig om de verschillende (deskundigen)rapporten te bestuderen. In de bezwaarfase zijn namelijk verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijkheden van verduurzaming, bewoonbaarheid en bruikbaarheid van de villa. Ook is de villa getaxeerd. Deze rapporten liggen aan de monumentenaanwijzing ten grondslag. Ook verzoekers hebben rapporten ingebracht. Dat de belangen van verzoekers in bezwaar anders zijn gewogen dan bij het primaire besluit, is geen reden om te oordelen dat het klip en klaar is dat het college de in bezwaar gemaakte belangenafweging niet heeft mogen maken. Of de belangenafweging onvolledig is, zoals verzoekers aanvoeren, vergt nadere bestudering van de stukken en de rechtspraak. Wat verzoekers aanvoeren geeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aanwijzing evident onrechtmatig is. De beoordeling van de standpunten van partijen zal in de bodemprocedure moeten plaatsvinden. De voorzieningenrechter ziet geen grond om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

14. Het verzoek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.