17.1.Verder merkt de rechtbank op dat eiseres 11 termijnen heeft betaald na het ontvangen van haar compensatie, dat komt neer op een bedrag van €1.104,18. Uit het primaire besluit van 26 april 2023 blijkt echter dat eiseres een bedrag van €1.204,56 vergoed heeft gekregen. De minister heeft dus eigenlijk al een groter deel van deze schuld overgenomen dan nodig was. Omdat eiseres dit bedrag al heeft ontvangen, zal dit niet meer worden teruggedraaid. Dat kan ook niet, in verband met het verbod op reformatio in peius. Dat verbod houdt in dat iemand niet in een slechtere positie mag komen doordat hij of zij bezwaar heeft gemaakt.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
18. Van een schending van het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals overwogen onder 11.1 is het de verantwoordelijkheid van eiseres om de benodigde gegevens aan te leveren en is het niet aan de minister om zelf deze financiële gegevens en stukken op te vragen. Desondanks heeft de minister toch nog, in het kader van de creditcardschuld bij de ING, aanvullend onderzoek gedaan om alle feiten boven tafel te krijgen. Dat hier geen nadere informatie uit is gekomen, betekent nog niet dat de minister geen volledig onderzoek heeft gedaan. De minister heeft bovendien voor iedere schuld duidelijk en uitgebreid uiteengezet waarom die schuld niet wordt overgenomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
UTR 24/139, overname schuld visa ANWB
19. Eiseres voert aan dat de minister deze schuld wel over zou moeten nemen. De minister heeft niet voldoende gemotiveerd waarom deze schuld niet in aanmerking komt voor overname. De reden voor deze afwijzing is onduidelijk volgens eiseres. Bovendien vindt eiseres dat de minister niet voldoende onderzoek heeft gedaan en dat dit een schending oplevert van het zorgvuldigheidsbeginsel.
20. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze schuld niet over hoeft te nemen, omdat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een betalingsachterstand en dat de schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021. De rechtbank overweegt dat eiseres in dit kader slechts een jaaroverzicht van 2021 en enkele bankafschriften heeft aangeleverd. Hieruit blijkt alleen dat het beginsaldo van de creditcard van de ANWB € 810,44 was en het eindsaldo € 0,-. Eiseres heeft ook in het kader van deze schuld meerdere keren de kans gehad om aanvullende stukken aan te leveren, dat heeft eiseres niet gedaan. Zoals overwogen in rechtsoverweging 11.1 is het de verantwoordelijkheid van eiseres om met stukken te komen waaruit blijkt dat de schuld aan de voorwaarden voldoet. Het is niet aan de minister om deze stukken op te vragen. Verder heeft de minister voldoende onderzoek gedaan en gemotiveerd waarom deze schuld niet in aanmerking komt voor overname. Er is dus geen sprake van een schending van het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
UTR 24/4324, overname schuld ABN Amro
21. Eiseres voert aan dat het oneerlijk is dat haar schuld volgens de wet niet wordt overgenomen, terwijl zij wel is aangemerkt als gedupeerde. Bovendien kan ze de gestelde wetgeving over de opeisbaarheid niet volgen en kan ze zich niet vinden in de geldende wet- en regelgeving in het kader van de toeslagenaffaire. Daarnaast voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel.
22. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 9 augustus 2019 een kredietovereenkomst voor een persoonlijke lening heeft afgesloten bij de ABN Amro voor € 21.000,-. Op 5 oktober 2019 is deze kredietovereenkomst opnieuw afgesloten met een ander contract. Uit deze overeenkomst blijkt dat de verschuldigde bedragen opeisbaar zijn indien eiseres gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een maandtermijn en, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de volledige nakoming van haar verplichtingen. Het punt van discussie is hier niet de ontstaansdatum, maar de datum waarop deze schuld opeisbaar is geworden.
23. De rechtbank is van oordeel dat deze schuld niet in aanmerking komt voor overname, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Daarmee voldoet de schuld niet aan de voorwaarden van de Wht. De redenering van de minister dat het in dit geval alleen gaat om de opeisbaarheid van de hoofdsom en niet die van de maandelijkse termijnen, volgt de rechtbank echter niet. De rechtbank overweegt dat er een verschil zit tussen de opeisbaarheid van de bedragen die eiseres maandelijks verschuldigd was en de opeisbaarheid van het totale bedrag. De bedragen die eiseres per maand moet betalen, die worden steeds na het verstrijken van de overeengekomen betaaldatum opeisbaar. Pas als eiseres niet voldoet aan deze betalingen en in gebreke wordt gesteld, zal de hoofdsom opeisbaar worden. Dat blijkt uit de kredietvoorwaarden, die onderdeel zijn van de kredietovereenkomst. Dat het totale bedrag niet opeisbaar is geworden, betekent niet dat de tussenbedragen niet opeisbaar zijn. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze maandelijkse betalingen opeisbaar zijn geworden. Zij heeft in het kader van deze schuld namelijk alleen de kredietovereenkomst en verschillende bankafschriften overgelegd. Hieruit is niet op te maken dat er sprake is geweest van achterstallige betalingen, betalingsherinneringen of een ingebrekestelling.
UTR 23/5796, niet-ontvankelijk bezwaar
24. Eiseres voert aan dat ze het bezwaarschrift aangetekend heeft verzonden op 17 mei 2023. Ter onderbouwing hiervan heeft ze een track en trace-code van PostNL overgelegd. Volgens eiseres is dit voldoende om aan te tonen dat het bezwaarschrift tijdig is verzonden. Omdat het een aangetekende brief was, moet deze wel op tijd aangekomen zijn bij SBN.
25. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en dat de minister het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. De rechtbank overweegt hierbij dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend als deze voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen.Volgens de verzendtheorie is het bezwaarschrift ook tijdig ingediend als deze binnen de termijn per post is bezorgd en uiterlijk een week na afloop van de termijn is ontvangen. Als het stuk aangetekend is verzonden en de (tijdige) ontvangst hiervan wordt ontkend, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan de minister is aangeboden.In dit geval is het bezwaar niet binnen 7 dagen na afloop van de bezwaartermijn door de minister ontvangen. De rechtbank heeft eiseres de gelegenheid gegeven om te onderbouwen dat het bezwaarschrift toch op tijd is ingediend, maar eiseres heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Omdat het bezwaarschrift (gedateerd op 17 mei 2023) gericht is tegen het besluit van 7 april 2023, liep de bezwaartermijn af op 20 mei 2023. Aangezien het bezwaarschrift pas op 30 mei 2023 is ontvangen, is deze meer dan een week te laat ingediend. Eiseres heeft hier verder ook geen reden voor gegeven.