3.3.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig waren bij de tenlastegelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte kan dat de beantwoording van de bewijsvraag ingewikkeld maken. Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet alleen worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet er sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer.
Betrouwbaarheid
In zedenzaken dient de rechtbank te toetsen of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid kijkt de rechtbank onder andere naar de consistentie, de gedetailleerdheid, en de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen.
Steunbewijs
Indien sprake is van betrouwbare verklaringen van de aangeefster moet de rechtbank, om tot een veroordeling te komen, ook beoordelen of die verklaringen voldoende steun vinden in het overige bewijs. Niet is vereist dat dit steunbewijs betrekking heeft op de hele tenlastelegging. Het is voldoende dat de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in ander bewijs. Dit moet worden beoordeeld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.
Toepassing van het kader
In deze zaak staat niet ter discussie dat [slachtoffer] en de verdachte op 18 juni 2022 in Utrecht seksueel contact hebben gehad. Zowel [slachtoffer] als de verdachte hebben dit verklaard. De verklaringen over wat er die nacht gebeurd is en de aard van het seksuele contact lopen echter sterk uiteen.
De rechtbank komt alles afwegend tot het oordeel dat er in dit geval sprake is van onvoldoende ander bewijs dat de verklaring van [slachtoffer] op cruciale punten ondersteunt. Nu de rechtbank van oordeel is dat er onvoldoende steunbewijs is, komt de rechtbank niet toe aan de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] , omdat ook in het geval dat de rechtbank tot oordeel zou komen dat deze verklaring betrouwbaar is, er geen veroordeling van de verdachte kan volgen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Getuigenverklaring [getuige]
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaring van getuige [getuige] kan worden gebruikt als steunbewijs, omdat hij de emotie van [slachtoffer] heeft waargenomen kort nadat zij het studentenhuis heeft verlaten.
[getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij en zijn vrienden [slachtoffer] stilzittend op straat hebben aantroffen en dat ze schreeuwde dat ze verkracht was, maar ook dat ze op vragen (wie en waar), geen antwoord kon geven. Ook gaf [getuige] aan niet te weten wat er op de slaapkamer van de verdachte is gebeurd.
De rechtbank stelt vast dat [getuige] ruim twee jaar na het voorval door de politie is gehoord. Volgens de rechtbank is het van belang dat getuigen in zedenzaken die kunnen verklaren over waargenomen emoties zo spoedig mogelijk worden gehoord om informatie over de situatie te verstrekken, zodat de herinnering van de getuige zo min mogelijk wordt beïnvloed door externe factoren.
De rechtbank stelt verder vast dat [getuige] mee is gegaan naar het informatieve gesprek en er ook bij was toen [slachtoffer] aan haar ouders vertelde dat zij was verkracht. Gelet op het lange tijdsverloop en het gegeven dat [getuige] op verschillende momenten betrokken is geweest bij momenten waarop [slachtoffer] haar verhaal vertelde, bestaat het risico dat zijn herinnering onbewust is gekleurd. Verder constateert de rechtbank dat de verklaring van [getuige] op belangrijke punten afwijkt van de aangifte. Zo verklaart [slachtoffer] in haar aangifte dat ze veel moest huilen toen [getuige] met zijn vrienden bij haar kwam en dat het even duurde voordat ze rustig werd en kon uitleggen wat er was gebeurd, hetgeen niet in overeenkomt met de verklaring van [getuige] waarin hij zegt dat [slachtoffer] schreeuwde wat haar was overkomen. De verklaringen lopen voor wat betreft de momenten waarop de emoties zijn geuit dan ook uiteen. Dat maakt dat, hoewel de rechtbank aanneemt dat er emoties in het spel waren, in het midden blijft op welke wijze die precies zijn geuit.
De verdediging heeft op de zitting nog een alternatief scenario naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] kort na de seks heeft gevraagd om naar huis te gaan en dat zij dit niet leuk vond. De verdediging stelt dat de emoties van [slachtoffer] ook daardoor kunnen worden verklaard. Het is voorstelbaar dat [slachtoffer] in paniek raakte toen haar de deur is gewezen in de vroege ochtend in een plaats waar zij niet bekend was en door een persoon waarmee zij vlak daarvoor seks heeft gehad.
De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging gestelde alternatieve scenario op basis van het dossier niet als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde kan worden geschoven, waardoor in redelijkheid getwijfeld kan worden over welk scenario waarheid is. Dat [slachtoffer] geëmotioneerd was toen zij het studentenhuis verliet, past bij zowel de verklaring van [slachtoffer] als die van de verdachte.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [getuige] waarin hij aangeeft hevige emoties bij [slachtoffer] te hebben waargenomen niet kan worden gebruikt als steunbewijs.
Het geconstateerde letsel
Tijdens het forensisch medisch onderzoek (hierna: FMO) dat plaatsvond twee dagen na het voorval worden er verkleuringen aangetroffen op de knie, het scheenbeen en schuin onder de vagina van [slachtoffer] . Volgens de officier van justitie past dit letsel bij de verklaring van [slachtoffer] waarin zij zegt dat de verdachte niet bepaald zachtzinnig was.
De rechtbank stelt vast dat het waargenomen letsel zou kunnen passen bij een verkrachting, maar dat de verkleuringen niet dusdanig van aard zijn dat deze niet ook zouden kunnen passen bij seksueel contact dat met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt verder vast dat tijdens het FMO geen ander letsel, bijvoorbeeld aan haar bovenarm heeft waargenomen, terwijl [slachtoffer] daarover verklaard heeft daar hardhandig te zijn vastgepakt.
Bovenstaande maakt dat ook de geconstateerde verkleuringen op het lichaam van [slachtoffer] niet als steunbewijs kan worden gebruikt.
Conclusie
Nu de verklaring van [slachtoffer] op basis van het dossier onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, oordeelt de rechtbank dat niet is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en zal zij de verdachte vrijspreken.