ECLI:NL:RBMNE:2025:6332

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
16/294048-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van poging zware mishandeling en veroordeling wegens opzetwitwassen van een aanhangwagen

In deze strafzaak, behandeld door de Rechtbank Midden-Nederland op 24 november 2025, is de verdachte vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling van aangever [aangever 1] en van de diefstal van een aanhangwagen van [aangever 2]. De rechtbank oordeelt dat de alternatieve lezing van de verdachte niet als hoogst onwaarschijnlijk kan worden terzijde geschoven, waardoor het opzet op het toebrengen van letsel niet kan worden vastgesteld. De verdachte heeft op 13 september 2024 in Cothen met een (motor)scooter contact gehad met het been van de aangever, maar de omstandigheden waaronder dit gebeurde zijn onduidelijk. De rechtbank concludeert dat de verdachte niet opzettelijk letsel heeft willen toebrengen. In de tweede zaak, betreffende de aanhangwagen, is de verdachte wel veroordeeld voor opzetwitwassen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte door een kentekenplaat van zijn auto op de aanhangwagen te bevestigen, feitelijk zeggenschap over de aanhangwagen heeft verworven en de herkomst ervan heeft verhuld. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur en de rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte is vrijgesproken van het feit waarvoor de vordering is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummers: 16/294048-24 en 10/274228-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 november 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 november 2025. Het onderzoek is, met instemming van de officier van justitie en de verdediging, enkelvoudig gesloten op 24 november 2025, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. Kruit;
  • de advocaat van de verdachte: mr. A.E.M.C. Koudijs;
  • de benadeelde partij: [aangever 1] (16/294048-24);
  • de advocaat van de benadeelde partij [aangever 1] : mr. L. Pauwelussen.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
in de zaak onder parketnummer 16/294048-24:
primair: op 13 september 2024 in Cothen [aangever 1] zwaar heeft mishandeld door met een (motor)scooter over/tegen zijn voet/been te rijden;
subsidiair: is dit ten laste gelegd als poging zware mishandeling;
meer subsidiair: is dit ten laste gelegd als mishandeling;
in de zaak onder parketnummer 10/274228-25:
primair: op 22 februari 2025 in Groot-Ammers een aanhangwagen van [aangever 2] heeft gestolen;
subsidiair: is dit ten laste gelegd als opzet- dan wel schuldwitwassen;
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte beide feiten (de primaire variant) heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte geheel vrij te spreken van beide feiten. De verdediging voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat het feit (primair, subsidiair en meer subsidiair) onder parketnummer 16/294048-24 en het feit primair ten laste gelegd onder parketnummer 10/274228-25 niet bewezen zijn en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Het onder parketnummer 10/274228-25 subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank wel bewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze oordelen is gekomen.
3.3.1.
Vrijspraak (zware) mishandeling (16/294048-24)
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte op een (motor)scooter zat, twee mannen (aangever [aangever 1] en zijn vader) naar hem toe zijn gelopen waarbij in ieder geval één van de twee een knuppel bij zich had en dat de verdachte vervolgens zijn (motor)scooter heeft gestart en is gaan rijden. Ook staat vast dat kort hierop contact is geweest tussen de (motor)scooter van de verdachte en het been van de aangever, waardoor de aangever letsel aan zijn rechterbeen heeft opgelopen.
De verklaringen over hoe het fysieke contact tussen de (motor)scooter van de verdachte en het been van de aangever tot stand is gekomen lopen uiteen. De aangever verklaart dat de verdachte hard en recht op hem af kwam rijden en hem raakte tegen zijn been. De vader van de aangever verklaart dat hij vanuit zijn ooghoek zag dat de verdachte zijn zoon raakte met de (motor)scooter en de verdachte daardoor op de grond viel. De moeder van de aangever, die vanuit het raam naar buiten keek, verklaart te hebben gezien dat de verdachte op haar zoon en man afreed, dat haar zoon bleef staan, en dat haar zoon toen geraakt werd door de rijdende (motor)scooter. De verdachte heeft verklaard dat hij bang werd omdat de aangever met zijn vader aan kwam rennen en dat hij daarom weg wilde rijden. Op het moment dat hij wegreed trapte de aangever tegen zijn (motor)scooter waardoor de verdachte met zijn (motor)scooter op de grond viel. De verdediging voert aan dat het lichamelijk letsel van de aangever door eigen toedoen van aangever is ontstaan, namelijk door de trap tegen de (motor)scooter.
Zowel de aangever als de moeder van de aangever hebben een situatieschets gemaakt waarop is te zien dat de vader van de aangever vlak naast de aangever aan zijn rechterkant stond. De verdachte zou met zijn (motor)scooter links voorbij de aangever hebben willen rijden toen het lichamelijk contact met aangever zou zijn geweest. De aangever heeft volgens de medische verklaring een fractuur opgelopen aan zijn rechterenkel.
Volgens de rechtbank staat vast dat de aangever en zijn vader met enige dreiging naar de verdachte toe zijn gelopen. Zo hebben de aangever en zijn vader allebei verklaard dat zij met een knuppel richting de verdachte zijn gelopen. In de bosjes is er daadwerkelijk een honkbalknuppel gevonden. De rechtbank merkt daarbij op dat de aangever verklaart dat het zijn vader is die deze knuppel droeg, terwijl zijn vader aangeeft dat zijn zoon deze bij zich had.
Het is volgens de rechtbank niet ondenkbaar dat de verdachte onder die (dreigende) omstandigheden heeft willen wegrijden van de situatie. De vraag is vervolgens of de verdachte tijdens het (weg)rijden op de aangever afreed of langs de aangever heeft (willen rijden of) gereden.
Hoewel de aangever en zijn ouders verklaren dat de verdachte op de aangever afreed, bevat het dossier ook aanwijzingen die passen bij het alternatieve scenario van de verdachte. De fractuur aan de rechterenkel van de aangever past naar oordeel van de rechtbank beter bij de lezing van de verdachte. Als, zoals de aangever en zijn moeder hebben geschetst, vanuit de aangever gezien voor de verdachte alleen ruimte was om de aangever links te passeren (zijn vader stond meteen naast hem aan zijn rechterkant), dan is het letsel aan het rechterbeen niet goed verklaarbaar. Het letsel past dan beter bij het verhaal van de verdachte dat de aangever met zijn rechterbeen een schopbeweging heeft gemaakt, en daarbij zijn lichaam mogelijk heeft gedraaid toen de verdachte hem passeerde.
Het door de verdachte gestelde alternatieve scenario kan op basis van het dossier niet als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden geschoven, waardoor in redelijkheid getwijfeld kan worden over welk scenario waarheid is. Nu niet duidelijk is geworden op welke wijze het contact tussen de (motor)scooter en het been van de aangever heeft plaatsgevonden, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn of letsel bij de aangever.
3.3.2
Vrijspraak 10/274228-25, primair
Uit het dossier blijkt dat de aangever zijn aanhangwagen afgesloten heeft geparkeerd in Nieuw-Lekkerland en dat deze een paar dagen later blijkt te zijn verdwenen. De verdachte wordt primair ten laste gelegd dat hij de aanhangwagen in Groot-Ammers heeft gestolen. Nu de aanhangwagen van [aangever 2] blijkens zijn aangifte niet is weggenomen in Groot-Ammers spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde diefstal.
3.3.3.
Bewijsmiddelen 10/274228-25 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat het opzetwitwassen van de aanhangwagen, zoals subsidiair ten laste gelegd, is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
De verklaring van de verdachte op de zitting:
Op 22 februari 2025 heb ik de kentekenplaat met nummer [kenteken] op de aanhangwagen geplakt. [2]
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Tussen donderdag 20 februari 2025 om 17:00 en woensdag 26 februari 2025 om 11:30 uur is mijn aanhanger zonder kenteken verdwenen. Deze was geparkeerd in Nieuw-Lekkerland. De aanhanger was afgesloten met een disselslot. De aanhanger was voorzien van een houten rek aan één van de zijkanten t.b.v. fietsvervoer. [3]
Het proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdagochtend 22 februari 2025 omstreeks 02.10 uur, reden wij een parkeerplaats op in Groot-Ammers. Wij zagen een man in een voertuig zitten. Wij zagen dat het voertuig voorzien was van het kenteken [kenteken] . Ik vroeg waarom de man zo aan het zweten was. Ik keek naar het rijbewijs en ik zag dat de man [verdachte] was. [4] Op de aanhanger zat een witte kentekenplaat met de combinatie [kenteken] . Deze witte kentekenplaat kwam overeen met het kenteken op het voertuig van [verdachte] . Terwijl ik probeerde de aanhangwagen uit de bossages te trekken, merkte ik dat dit lastig ging. Ik had eerder op twee plaatsen van de aanhanger hele duidelijke paarse stickers gezien met de opdruk 'DEHA trailers'. Diezelfde ochtend, omstreeks 03.27 uur, waren wij terug op de parkeerplaats. Wij zagen dat [verdachte] en zijn voertuig, maar ook de aanhanger, niet meer ter plaatse stonden. [5]
Proces-verbaal van bevindingen van 22 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Om 04:35 uur werd ik gebeld door de collega's van de eenheid Lek en Merwede.
Ik weet dat [verdachte] op de [adres 2] te [plaats] woonachtig is. Ik
ben toen in de omgeving van de woning gaan kijken. Op de [straat] trof ik de grijze Audi aan met kenteken [kenteken] aan. Voor de Audi bevond zich een grasveldje. Op het grasveldje stond een aanhanger geparkeerd die was voorzien van een witte kentekenplaat met de combinatie [kenteken] . Ik heb vervolgens de collega's van Lek en Merwede teruggebeld. Zij vertelde mij dat de aanhanger was voorzien van stickers met de tekst DEHA in de kleur paars. Tevens zou de aanhanger voorzien zijn van nummer [nummer] . Ik zag dat dit volledig overeen kwam met de aanhanger die ik aantrof. [6]
3.3.4.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak gevraagd van het subsidiair onder parketnummer 10/274228-25 ten laste gelegde witwassen van de aanhangwagen, omdat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aanhangwagen onder zich heeft gehad. De rechtbank oordeelt anders en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
De verdachte werd op 22 februari 2025 rond 02:10 uur door politieagenten bezweet in zijn auto aangetroffen op een parkeerplaats in Groot-Ammers. De politieagenten zien een aanhangwagen voorzien van een wit kentekenplaat met kentekennummer [kenteken] , hetzelfde nummer als op de kentekenplaat op de auto van de verdachte (hierna: de Audi A3). Op de zitting verklaart de verdachte dat hij de kentekenplaat op de aanhangwagen heeft geklikt. Een reden hiervoor heeft hij niet gegeven. Ruim twee uur later wordt in Nieuwegein in nabijheid van de woning van de verdachte een aanhangwagen met hetzelfde kentekennummer, VIN-nummer en dezelfde paarse stickers met de tekst DEHA aangetroffen. De aanhangwagen staat bovendien pal voor de Audi A3 van de verdachte. De verdachte heeft hierover op zitting geen uitleg gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door de witte kentekenplaat met nummer [kenteken] , passend bij de kentekenplaat van zijn Audi A3, op de aanhangwagen te bevestigen hij feitelijk zeggenschap over de aanhangwagen heeft verworven en ook de herkomst van de aanhangwagen heeft verhuld. De verdachte heeft zich op die manier namelijk voorgedaan als eigenaar van de aanhangwagen, terwijl hij dat niet was, en heeft daarmee verhuld dat het een aanhangwagen betreft die toebehoort aan een ander.
Volgens de rechtbank wist de verdachte dat de aanhangwagen van enig misdrijf afkomstig was. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat de betreffende aanhangwagen half in de bosjes stond. De politieagent heeft de aanhangwagen vervolgens uit de bosjes getrokken waaruit de rechtbank afleidt dat de aanhangwagen niet op slot zat.
Dat de verdachte onder deze omstandigheden rond de klok van 02:00 uur in de ochtend bezweet wordt aangetroffen, en vervolgens geen verklaring heeft gegeven over waarom hij zijn kentekenplaat op de aanhangwagen heeft bevestigd, maakt dat het voor de rechtbank vaststaat dat de verdachte wist dat de aanhangwagen van een misdrijf afkomstig was.
Conclusie
De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetwitwassen van de aanhangwagen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in de zaak onder parketnummer 10/274228-25, subsidiair:
hij op 22 februari 2025, te Groot-Ammers, van een aanhangwagen
- de herkomst heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
KwalificatieHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
10/274228-25, subsidiair:
opzetwitwassen.
4.2
Strafbaarheid feit en verdachteHet feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest waarvan een gedeelte van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 12 maanden.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de context waarin beide zaken geplaatst moeten worden. Bovendien heeft de verdachte geen geweldszaken op zijn strafblad staan en is hij in de afgelopen jaren één keer veroordeeld voor een vermogensfeit. Gelet hierop kan enkel worden volstaan met een taakstraf.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetwitwassen van een aanhangwagen. Witwassen vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De verdachte heeft door te handelen zoals bewezenverklaard hieraan een bijdrage geleverd. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De reclassering heeft op 31 oktober 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Hierin staat dat de verdachte de afgelopen jaren meer stabiliteit in zijn leven heeft bereikt, maar dat sprake blijft van kwetsbaarheid door beperkte verstandelijke vermogens, fysieke klachten en moeite met emotieregulatie. Verder staat in het rapport dat de verdachte op dit moment voldoende hulp krijgt van Humanitas en niet gemotiveerd is om mee te werken aan reclasseringscontact gelet op zijn ontkennende houding. De reclassering adviseert om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Uit het strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar één keer eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Gelet op dit alles vindt de rechtbank een taakstraf van 30 uren met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van alle op de beslaglijst vermeldde goederen.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de op de beslaglijst vermeldde goederen aan de verdachte terug te geven.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan verdachte
De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
  • 1 STK Waterpomptang (Omschrijving: PL0900-2024289971-2946204, Grijs, merk: WERCKMANN);
  • 1 STK Waterpomptang (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404202, Blauw, merk: Ako);
  • 1 STK Aardappelschilmesje (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404203, Zwart);
  • 1 STK Handgereedschap (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404204, Rood);
  • 2 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404207, rood/zwart);
  • 1 STK Sleutel (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404208, Blauw, merk: Stahlkaiser);
  • 3 STK Sleutel (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404210, Zilverkleurig, merk: Vbw);
  • 1 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404211, Zwart);
  • 1 STK Sleutel (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404212, Zilverkleurig);
  • 1 STK Tang (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404215, Rood);
  • 1 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404216, Zwart);
  • 2 STK Handschoen (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404217, Grijs, merk: Werckmann);
  • 2 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404218, Zwart);
  • 1 STK Lamp (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404219, Zwart);
  • 1 STK Gereedschap (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404221, Zilverkleurig);
  • 1 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404222, Zwart);
aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (16/294048-24)
[aangever 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.669,04.
Dit bedrag bestaat uit € 669,04 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. De gevorderde materiële schadevergoeding ziet onder andere op de kosten van pijnstilling (medicijnen), de kosten van ziekenhuisopname, het eigenrisico zorgverzekering, reiskosten, parkeerkosten en kosten voor hulpmiddelen (krukken). De gevorderde immateriële schadevergoeding ziet op zowel lichamelijk als psychisch letsel.
De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging
Op de zitting van 10 november 2025 is gebleken dat de verdediging niet beschikte over de ingediende vordering van de benadeelde partij. Nadat de advocaat van de verdachte op de zitting kort de gelegenheid heeft gekregen om de vordering te bestuderen en met zijn cliënt te bespreken, heeft de advocaat toch om aanhouding van de zaak verzocht. De advocaat gaf aan meer tijd nodig te hebben om zich goed te kunnen weren tegen de vordering. De rechtbank heeft vervolgens, met instemming van de officier van justitie, de advocaat van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij, afgesproken dat er een volgende zitting zal worden belegd voor bespreking van de vordering in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van één van de ten laste gelegde varianten onder parketnummer 16/294048-24.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem onder parketnummer 16/294048-24 ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding geldt in de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om zich tegen deze vordering te verweren. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
Het hof Arnhem-Leeuwarden in Arnhem heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 21/001059-21 op 8 juni 2022 een taakstraf van 20 uren voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
8.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat hij heeft gevraagd om de verdachte van beide feiten vrij te spreken.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden in Arnhem van 8 juni 2022 (parketnummer 21/001059-21) is de verdachte een taakstraf van 20 uren voorwaardelijk opgelegd. De verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden wijst de rechtbank de vordering toe en zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 9, 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit onder parketnummer 16/294048-24 (alle varianten) en het feit primair op de beschuldiging vermeld onder parketnummer 10/274228-25 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit subsidiair op de beschuldiging vermeld onder parketnummer 10/274228-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvan
30 uur;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 15 dagen hechtenis;
beslag (16/294048-24)
- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
  • 1 STK Waterpomptang (Omschrijving: PL0900-2024289971-2946204, Grijs, merk: WERCKMANN);
  • 1 STK Waterpomptang (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404202, Blauw, merk: Ako);
  • 1 STK Aardappelschilmesje (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404203, Zwart);
  • 1 STK Handgereedschap (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404204, Rood);
  • 2 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404207, rood/zwart);
  • 1 STK Sleutel (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404208, Blauw, merk: Stahlkaiser);
  • 3 STK Sleutel (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404210, Zilverkleurig, merk: Vbw);
  • 1 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404211, Zwart);
  • 1 STK Sleutel (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404212, Zilverkleurig);
  • 1 STK Tang (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404215, Rood);
  • 1 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404216, Zwart);
  • 2 STK Handschoen (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404217, Grijs, merk: Werckmann);
  • 2 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404218, Zwart);
  • 1 STK Lamp (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404219, Zwart);
  • 1 STK Gereedschap (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404221, Zilverkleurig);
  • 1 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL0900-2024289971-3404222, Zwart).
vordering van benadeelde partij [aangever 1] (16/294048-24)
  • verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf onder parketnummer 21/001059-21
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de enkelvoudige strafkamer van het hof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 8 juni 2022 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 20 uren en beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 10 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Verboom, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en mr. M.S. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/294048-24:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede
aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere
(enkel) fractu(u)r(en), heeft toegebracht door met een (motor)scooter over/tegen de
voet en/of het been van die [aangever 1] (heen) te rijden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een (motor)scooter over/tegen de voet en/of het been van die Willemsen
(heen) heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is
voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 september 2024 te Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede
[aangever 1] heeft mishandeld door met een (motor)scooter over/tegen de voet
en/of het been van die [aangever 1] (heen) te rijden.
in de zaak met parketnummer 10/274228-25:
hij op of omstreeks 22 februari 2025 te Groot-Ammers,
een aanhangwagen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval
aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 februari 2025, te Groot-Ammers,
(van) een aanhangwagen, althans een of meer voorwerpen,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die
voorwerp(en) was/waren,
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Rotterdam met proces-verbaalnummer PL1700-2025085801, doorgenummerd pagina 1 tot en met 46. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.De verklaring van de verdachte op de zitting van 10 november 2025.
3.Pagina 30.
4.Pagina 7.
5.Pagina 8.
6.Pagina 19.