ECLI:NL:RBMNE:2025:6340

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
UTR 24/5516
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor chauffeurskaart door staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

In deze zaak heeft eiser, die een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft aangevraagd voor het verkrijgen van een chauffeurskaart, beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De aanvraag werd op 16 april 2024 ingediend, maar op 21 maart 2024 afgewezen vanwege justitiële gegevens die in de terugkijktermijn van vijf jaar zijn aangetroffen. Eiser heeft bezwaar gemaakt, maar dit werd op 19 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Na een nieuwe beslissing op bezwaar op 15 november 2024, waarin de staatssecretaris de afwijzing handhaafde, heeft eiser opnieuw beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 behandeld, maar partijen zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om meer informatie te verkrijgen. Na het indienen van aanvullende stukken door de staatssecretaris en eiser, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de oude beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk is, maar dat het beroep tegen de nieuwe beslissing ongegrond is. De staatssecretaris heeft terecht geen VOG afgegeven, omdat er justitiële gegevens zijn die een risico voor de samenleving vormen.

De rechtbank heeft ook geoordeeld dat eiser voldoende procesbelang heeft, ondanks dat hij inmiddels in het bezit is van een VOG, omdat de afwijzing van de aanvraag mogelijk schade heeft veroorzaakt. De rechtbank heeft de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-. De uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff op 27 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5516

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Landsman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: S. van Wielink).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eiser heeft deze op 16 april 2024 aangevraagd voor het verkrijgen van een chauffeurskaart, omdat hij graag werkzaam wil zijn als [functie] . De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 21 maart 2024 afgewezen.
2. Met de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend en niet is gereageerd op het verzoek om uitleg daarover.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 en daarbij aangevoerd dat hij het primaire besluit nog niet had ontvangen op het moment dat de bezwaartermijn verstreek.
4. De staatssecretaris heeft op 15 november 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarin is het bezwaar van eiser alsnog ontvankelijk verklaard en heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser inhoudelijk beoordeeld. De staatssecretaris blijft bij de afwijzing van de aanvraag. Volgens de staatssecretaris kan de VOG niet worden verleend. In de terugkijktermijn van vijf jaar zijn er namelijk justitiële gegevens gevonden die zich niet verhouden met het beroep van een [functie] . Bovendien leiden de omstandigheden van het geval er niet toe dat de VOG alsnog afgegeven moet worden.
5. Het beroep van eiser heeft met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op de nieuwe beslissing op bezwaar van 15 november 2024.
6. De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat zij nog niet over alle informatie beschikt.
7. Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank vragen gesteld aan de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft op 18 juni 2025 een reactie gestuurd, waar eiser bij brief van 25 juni 2025 op heeft gereageerd.
8. Partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een tweede zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de oude beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 niet-ontvankelijk is en dat het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 15 november 2024 ongegrond is. De staatssecretaris heeft namelijk terecht geen VOG aan eiser afgegeven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
De oude beslissing op bezwaar van 19 juli 2024
10. Met het besluit van 15 november 2024 heeft de staatssecretaris een nieuw besluit genomen op het bezwaar van eiser, waarbij alsnog inhoudelijk is beslist op het bezwaar van eiser. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 19 juli 2024. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk.
11. Omdat de nieuwe beslissing op bezwaar is genomen nadat beroep was ingesteld en de staatssecretaris het bezwaar van eiser nu alsnog ontvankelijk heeft geacht, ziet de rechtbank aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep tegen de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
De nieuwe beslissing op bezwaar van 15 november 2024
Toetsingskader
12. Op grond van artikel 35 van de Wjsg wordt de afgifte van een VOG geweigerd als de aanvrager van de VOG voorkomt in de Justitiële Documentatie en sprake is van een strafbaar feit dat, als het zou worden herhaald, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de taak waarvoor de VOG wordt gevraagd. Dit komt door het risico dat hieruit voortvloeit voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. Dit wordt het objectieve criterium genoemd. Daarbij wordt in het register gekeken naar de periode van vijf jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling. Als aan het objectieve criterium is voldaan, moet de VOG in beginsel door de staatssecretaris worden geweigerd.
13. Ondanks dat voldaan is aan het objectieve criterium, kan de staatssecretaris toch overgaan tot verstrekking van de VOG als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het aan de hand van het objectieve criterium vastgestelde risico. [1] Dit betreft het zogenoemde subjectieve criterium. De staatssecretaris heeft hierbij beoordelingsruimte en de rechtbank toetst het bestreden besluit van de staatssecretaris dan ook terughoudend. In de belangenafweging wordt in ieder geval rekening gehouden met de hoeveelheid antecedenten, de strafrechtelijke afdoening daarvan en de mate van tijdsverloop sinds het laatste justitiële gegeven.
Het bestreden besluit van 15 november 2024
14. De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 21 maart 2024 afgewezen en de VOG geweigerd. In bezwaar is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan de afwijzing van de aanvraag om een VOG heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat er binnen de terugkijktermijn van vijf jaren die voor eiser geldt de volgende justitiële gegevens van eiser op zijn justitiële documentatie (strafblad) staan:
  • Eiser is op 27 april 2023 met politie/justitie in aanraking gekomen wegens primair poging tot zware mishandeling en subsidiair mishandeling en meer subsidiair bedreiging (uitgaansgeweld). Deze zaak staat nog open.
  • Eiser is bij uitspraak van 19 januari 2023 in hoger beroep veroordeeld wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd in de periode 7 maart 2019 tot en met 13 juli 2019 (huiselijk geweld) tot een geldboete van € 700,- subsidiair 14 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 3 februari 2023 onherroepelijk geworden.
15. Omdat de staatssecretaris binnen de terugkijktermijn een strafbaar feit heeft gevonden, heeft de staatssecretaris ook naar strafbare feiten gekeken buiten de terugkijktermijn. Eiser is in 2004 veroordeeld voor fraude.
16. Deze strafbare feiten vormen volgens de staatssecretaris, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie van [functie] . Daarmee is voldaan aan het objectieve criterium als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2023. Hoewel de staatssecretaris het belang van eiser bij afgifte van de VOG erkent, heeft hij zich verder op het standpunt gesteld dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG (het subjectieve criterium).
Wat vindt eiser?
17. Eiser voert in beroep aan dat hij op 7 februari 2025 door de politierechter is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde strafbare feit gepleegd op 27 april 2023. Deze vrijspraak is op 22 februari 2025 onherroepelijk geworden. Er wordt volgens eiser niet meer voldaan aan het objectieve criterium omdat hij is vrijgesproken. Eiser voert aan dat er te stringent is getoetst. Het strafbare feit waarvoor eiser op 19 januari 2023 een geldboete heeft opgelegd gekregen van € 700,- heeft in de huiselijke kring plaatsgevonden. Daarnaast betoogt eiser dat hij wel procesbelang heeft, ondanks dat hij inmiddels in het bezit is van een VOG. De gevolgen van de onzorgvuldige beslissing van 15 november 2024, namelijk dat eiser ruim een jaar geen inkomen als [functie] heeft gehad, zijn vergaand geweest. Ook vindt eiser dat zijn proceskosten vergoed moeten worden. De staatssecretaris heeft in het dossier veelvuldig slordig, laat, dan wel onzorgvuldig gehandeld. Wanneer de staatssecretaris meer oog had gehad voor de positie van eiser, dan had het nimmer tot een procedure hoeven komen.
Oordeel van de rechtbank
Over het procesbelang
18. De staatssecretaris stelt zich in de reactie van 18 juni 2025 op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Door de vrijspraak is er namelijk geen belemmering meer voor het afgeven van een VOG. Eiser heeft inmiddels een nieuwe VOG-aanvraag ingediend en de VOG is afgegeven. Eiser is nu dus in het bezit van een VOG. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, want het bestreden besluit is niet herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
19. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
20. Eiser betoogt dat de gevolgen van de onzorgvuldige beslissing van 15 november 2024, namelijk dat eiser ruim een jaar geen inkomen als [functie] heeft gehad, vergaand zijn geweest. Hierin is procesbelang gelegen, aldus eiser.
21. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit gaat over de afwijzing van de aanvraag van een VOG. Niet in geschil is dat eiser inmiddels in het bezit is van een VOG. De rechtbank overweegt dat eiser toch procesbelang heeft, omdat een oordeel over de rechtmatigheid van de afwijzing van de aanvraag van belang is voor de vraag of eiser mogelijk in aanmerking komt voor een schadevergoeding. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser schade heeft geleden door de afwijzing van de VOG. De rechtbank vindt daarom dat eiser voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Het objectieve criterium
22. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris bij de beoordeling van een aanvraag voor een VOG eerst bekijkt of aan het objectieve criterium wordt voldaan. De minister beoordeelt hierbij kortgezegd of de feiten die op het strafblad van eiser zijn aangetroffen een risico voor de samenleving opleveren als eiser deze feiten als [functie] in de toekomst opnieuw begaat.
23. De staatssecretaris heeft in de brief van 18 juni 2025 toegelicht dat niet in geschil is dat eiser op 7 februari 2025 is vrijgesproken van het strafbare feit van 27 april 2023. De rechtbank volgt de staatssecretaris in het standpunt zoals neergelegd in de brief van 18 juni 2025 dat dit nog niet bekend was ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar van 15 november 2024. Op dat moment stond er namelijk nog een openstaande zaak geregistreerd. De staatssecretaris mag alle feiten die op het strafblad worden aangetroffen, waaronder ook nog openstaande zaken, meewegen bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Een uitzondering daarop geldt voor feiten waarvan de aanvrager is vrijgesproken. Toen het bestreden besluit werd genomen was dat nog niet het geval. Dat eiser na het bestreden besluit onherroepelijk is vrijgesproken van dit strafbare feit kan dus niet afdoen aan het bestreden besluit.
24. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht tot de conclusie is gekomen dat in het geval van eiser aan het objectieve criterium wordt voldaan. Gelet op de ernst van de verdenking, namelijk het tijdens de uitvoering van de werkzaamheden als [functie] inrijden op een persoon met zijn taxibus, het korte tijdsverloop en de zeer nauwe verwevenheid met zijn functie en het doel van de aanvraag heeft de staatssecretaris terecht tegengeworpen dat deze feiten bij herhaling een risico voor de samenleving opleveren.
Het subjectieve criterium
25. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris, ondanks dat voldaan is aan het objectieve criterium, toch over moet gaan tot verstrekking van de VOG als het belang dat een aanvrager daarbij heeft zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico. De staatssecretaris heeft hierbij beoordelingsruimte en de rechtbank toetst het besluit van de staatssecretaris dan ook terughoudend. In de belangenafweging wordt in ieder geval rekening gehouden met de manier van afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
26. Eiser voert aan dat er te stringent is getoetst en gehandhaafd. Eiser voert aan dat bij de beoordeling van het subjectieve criterium de staatssecretaris de beoordelingsruimte anders had moeten invullen, omdat hij een groot belang heeft bij de afgifte van een VOG. Eiser werkt al 18 jaar als [functie] , zonder incidenten en zonder geregistreerde klachten. Bovendien waren de feiten en omstandigheden van de verdenking dusdanig opmerkelijk, dat een pas op de plaats passend was geweest. De persoonlijke schade door het wegvallen van een inkomen en het doorlopen van vaste lasten is niet meegewogen. Deze schade is enorm. Er had meer gewicht moeten worden toegekend aan de persoonlijke belangen van eiser.
27. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van de samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser bij de afgifte van een VOG. Volgens vaste rechtspraak mag verweerder de informatie over een openstaande strafzaak meenemen bij zijn besluit, evenals strafbare feiten in de privésfeer. De staatssecretaris heeft groot belang mogen hechten aan de omstandigheid dat de verdenking van poging tot zware mishandeling op 27 april 2023 te maken had met de uitvoering van de werkzaamheden van eiser als [functie] . Dat strafbare feit gaat naar zijn aard niet samen met de functie van [functie] en levert risico’s op voor zowel klanten als medeweggebruikers. Daarnaast heeft de staatssecretaris er belang aan mogen hechten dat klanten voor hun veiligheid afhankelijk zijn van de [functie] . De strafbare feiten uit de justitiële documentatie van eiser leveren te veel risico op dat de klanten (verbaal) geweld zien of hiervan slachtoffer worden. Dat eiser een lange en goede staat van dienst had maakt dat niet anders. De rechtbank begrijpt dat de gevolgen van de weigering groot zijn, omdat hij zijn inkomen verdient als [functie] . Maar gezien de aard van de strafbare feiten heeft de staatssecretaris het belang van de samenleving toch zwaarder mogen laten wegen. De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk dat de staatssecretaris van eiser verlangt dat hij over een langere periode laat zien zich niet schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten, voordat hij in aanmerking komt voor een VOG voor het verkrijgen van een chauffeurskaart.
28. De rechtbank concludeert dat de staatsecretaris de VOG-aanvraag van eiser mocht afwijzen.
Proceskosten
29. Eiser vindt dat zijn proceskosten door de staatssecretaris vergoed moeten worden. De staatssecretaris heeft in het dossier veelvuldig slordig, laat, dan wel onzorgvuldig gehandeld. Wanneer de staatssecretaris meer oog had gehad voor de positie van eiser, dan had het nimmer tot een procedure hoeven komen.
30. De proceskosten voor het indienen van het oorspronkelijke beroepschrift worden door de rechtbank al toegekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar ook een proceskostenvergoeding toe te kennen, aangezien dat beroep ongegrond is.
31. Voor zover eiser verzoekt om vergoeding van de proceskosten in bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, overweegt de rechtbank dat eiser daarvoor niet in aanmerking komt. Het primaire besluit is namelijk in de nieuwe beslissing op bezwaar niet herroepen. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten komt eiser dan ook niet in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

32. Het beroep tegen de oude beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten ter hoogte van € 907,- en verweerder moet het griffierecht van eiser betalen.
33. Het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 15 november 2024 is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding voor eventuele extra proceskosten voor dit beroep. Hij komt ook niet in aanmerking voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 19 juli 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 15 november 2024 ongegrond;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-;
- bepaalt dat de staatssecretaris het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Paragraaf 3.1.4 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2023