ECLI:NL:RBMNE:2025:6343

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
C/16/601682 / KL ZA 25-274
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 sub a RvaRegeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming opvanglocatie wegens onterechte weigering passende woonruimte door statushouder

De zaak betreft een kort geding tussen het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) en een statushouder die verblijft in een opvanglocatie. De statushouder heeft een verblijfsvergunning gekregen, waarna het COA hem passende woonruimte buiten de opvanglocatie heeft aangeboden. Deze woning heeft de statushouder geweigerd, ondanks herhaalde waarschuwingen over de gevolgen.

Het COA stelt dat door de weigering het recht op opvang is komen te vervallen en dat de statushouder onrechtmatig in de opvanglocatie verblijft. De statushouder voert aan dat de aangeboden containerwoning ongeschikt is vanwege gezondheidsklachten veroorzaakt door onder meer vocht, maden en slechte ventilatie. Het COA heeft deze klachten onderzocht en concludeert dat de woning passend is, met een lopend overleg over ventilatieproblemen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het COA in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de woning passend is en dat de weigering onterecht is. De statushouder handelt daardoor onrechtmatig door in de opvanglocatie te verblijven zonder recht. Gezien het spoedeisend belang van het COA wordt de ontruiming toegewezen. De statushouder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De statushouder wordt veroordeeld tot ontruiming van de opvanglocatie wegens onterechte weigering van passende woonruimte.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/601682 / KL ZA 25-274
Vonnis in kort geding van 25 november 2025
in de zaak van
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
te Rijswijk,
eisende partij,
hierna te noemen: COA,
advocaat: mr. N.A.G. Lelieveld,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
in persoon.

1.De procedure

1.1.
De volgende stukken zitten in het procesdossier:
- de dagvaarding van 3 november 2025 met producties (1-16),
1.2.
Op 11 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de heer [A] , vriend van [gedaagde partij] , voor [gedaagde partij] heeft getolkt. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting heeft de rechter bepaald dat op 25 november 2025 vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde partij] , aan wie een verblijfsvergunning is verleend, verblijft in een opvanglocatie van het COA. Het COA vindt dat [gedaagde partij] deze locatie moet verlaten, omdat [gedaagde partij] ten onrechte een aan hem aangeboden passende woonruimte buiten de opvanglocatie heeft geweigerd. Door deze weigering is het recht op opvang volgens het COA komen te vervallen en verblijft [gedaagde partij] nu zonder recht of titel in de opvanglocatie. Door de opvanglocatie niet te verlaten handelt [gedaagde partij] onrechtmatig tegenover het COA. [gedaagde partij] is het daar niet mee eens. Het COA krijgt gelijk.

3.De beoordeling

Juridisch kader en spoedeisend belang
3.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of het COA ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
3.2.
Het COA heeft een voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering. Volgens het COA houdt [gedaagde partij] namelijk ten onrechte opvangruimte in een asielzoekerscentrum bezet, terwijl er een grote druk op de opvangcapaciteit staat.
Recht op opvang
3.3.
Asielzoekers hebben recht op opvang, vanaf het moment dat zij in Nederland asiel aanvragen totdat zij een verblijfsvergunning hebben of Nederland moeten verlaten. Het COA vangt asielzoekers tijdens deze periode op in opvangcentra. Het recht op opvang vervalt van rechtswege als de asielaanvraag wordt afgewezen. Als de asielaanvraag wordt toegewezen en een verblijfsvergunning wordt verleend, vervalt het recht op opvang ook van rechtswege wanneer - naar het oordeel van het COA - passende huisvesting buiten de opvanglocatie kan worden gerealiseerd op grond van de Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna Rva).
3.4.
[gedaagde partij] is tijdens zijn asielprocedure op de opvanglocatie in [woonplaats] komen wonen en verblijft daar nog steeds. Aan [gedaagde partij] is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend.
Hoe de huisvestingsprocedure van [gedaagde partij] is gelopen
3.5.
Op 5 mei 2025 was er een gesprek tussen een locatiemedewerker van het COA en [gedaagde partij] . Daar was een tolk bij aanwezig (telefonisch). Tijdens dit gesprek is [gedaagde partij] door het COA geïnformeerd over de huisvestingsprocedure. [gedaagde partij] is toen ook geïnformeerd over de (grote) gevolgen van een weigering van een in de ogen van het COA passende woning. Tijdens het gesprek is aan [gedaagde partij] gevraagd naar omstandigheden die van belang zijn voor een woningtoewijzing. Die waren er op dat moment volgens [gedaagde partij] niet. [gedaagde partij] heeft ook niet op een later moment voorafgaand aan de woningaanbieding alsnog bij het COA omstandigheden aangegeven waarmee rekening zou moeten worden gehouden bij de woningaanbieding.
3.6.
Vervolgens heeft de gemeente Castricum [gedaagde partij] een woning aangeboden. [gedaagde partij] heeft na een bezichtiging van deze woning op 24 juni 2025 de woning geweigerd. Op 1 juli 2025 heeft het COA met [gedaagde partij] een woningweigeringsgesprek gehouden. Tijdens dat gesprek is [gedaagde partij] opnieuw geïnformeerd over de gevolgen van een volgens het COA onterechte woningweigering.
3.7.
[gedaagde partij] heeft in het gesprek op 1 juli 2025 een aantal bezwaren tegen de woning aangevoerd. Kort gezegd kwamen deze bezwaren erop neer dat de containerwoning waarin statushouders zoals [gedaagde partij] moeten wonen te klein, te warm, te vochtig en te stoffig is. Door te weinig zuurstof gaat dat ten koste van zijn gezondheid. Ook is het er niet schoon en kruipen er maden rond. Ter onderbouwing van zijn bezwaren heeft [gedaagde partij] foto’s en video’s aan het COA verstrekt.
3.8.
Het COA heeft deze bezwaren, nadat navraag is gedaan bij de gemeente Castricum, beoordeeld en heeft beslist dat de woningweigering op de onder 3.7. omschreven gronden niet terecht was. Na deze beslissing is er een tweede woningweigeringsgesprek geweest op 17 juli 2025. In dit gesprek heeft het COA [gedaagde partij] opnieuw geïnformeerd over de gevolgen van een onterechte woningweigering, namelijk de beëindiging van de verstrekkingen op grond van artikel 7 lid 1 sub a Rva Pro, waaronder het recht op onderdak, geld en verzekeringen. Het COA heeft [gedaagde partij] een laatste kans gegeven de aangeboden woning alsnog te accepteren. [gedaagde partij] heeft opnieuw de woning geweigerd.
Het COA kon beslissen dat [gedaagde partij] de woning ten onrechte heeft geweigerd
3.9.
Vooropgesteld wordt dat de vraag of sprake is van een passende woning ter beoordeling van het COA is. Het COA houdt daarbij rekening met enkele objectieve plaatsingscriteria. Subjectieve woonwensen spelen bij de beoordeling van de geschiktheid van de woning geen rol. In een procedure als deze kan dan ook enkel worden beoordeeld of het COA in redelijkheid mocht vinden dat een passende woning is aangeboden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit laatste het geval is en zal dat hierna verder toelichten.
3.10.
[gedaagde partij] heeft op de zitting aangegeven de woning niet te kunnen aanvaarden omdat dit zou leiden tot gezondheidsproblemen. Hij verwacht last van zijn oog te krijgen en van allergieën. De oorzaak daarvan zou zijn dat de woning niet schoon is, er te weinig zuurstof is, dat er maden rondlopen en dat er sprake is van lekkage. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst hij naar de in het dossier bevindende foto’s en videobestanden. Dat daarmee sprake is van een aanbod van een niet passende woning aan [gedaagde partij] is echter niet aannemelijk geworden. Daartoe geldt het volgende.
3.11.
De klachten van [gedaagde partij] zijn onder meer beoordeeld door de plaatsingscoördinator Statushouders voor de gemeenten Bergen, Heiloo, Castricum en Uitgeest samen met de beheerder van de woning. Uit het door COA als productie 11 overgelegde verslag van de beoordeling (4 juli 2025) blijkt dat zij de door [gedaagde partij] geschetste situatie niet herkennen en dat niet alle door [gedaagde partij] verstrekte mediabestanden betrekking hebben op de locatie van de woning, Verder wordt opgemerkt dat ook niet vast te stellen is wanneer en door wie de opnames gemaakt zijn en dat vier filmpjes vermoedelijk ook oude opnames zijn van lekkages in het najaar van 2024. Op de zitting heeft [gedaagde partij] erkend dat slechts een deel van de bestanden door hem zijn gemaakt en dat het andere deel eerder door de bewoners van de locatie waar [gedaagde partij] de woning aangeboden heeft gekregen is gemaakt. Dat de door [gedaagde partij] overgelegde mediabestanden een juist en actueel beeld geven van de hem aangeboden woning is dus niet aannemelijk.
3.12.
Voor wat betreft het filmpje over de maden geldt nog het volgende. Aangenomen kan worden dat de maden afkomstig waren van een overvolle vuilnisbak die medio juni 2025 op een algemene locatie in het gebouw stond waar ook de aan [gedaagde partij] aangeboden woning zich bevindt (zie productie 12 COA). De bewoners zijn aangesproken om de vuilnisbak niet alleen te legen maar ook af en toe schoon te maken. [gedaagde partij] is hier verder niet op ingegaan, anders dan het (blijven) herhalen dat sprake is van maden op de hem aangeboden woonlocatie. Ook het filmpje over de maden levert dus geen grond op om de aangeboden woning te kunnen weigeren.
3.13.
Wel blijkt uit de door het COA overgelegde stukken (productie 14) dat er problemen zijn met betrekking tot de luchttoevoer en ventilatie van de containerwoningen. Het COA heeft onweersproken gesteld dat de gemeente Castricum inmiddels met de huidige bewoners in overleg is en dat dit probleem zal worden opgelost. Verder geldt dat niet gebleken is dat er dusdanige problemen met de luchttoevoer en ventilatie zijn, dat sprake is van een ongezonde leefsituatie. De bestaande problemen met betrekking tot de luchttoevoer en ventilatie betekent dan ook niet dat [gedaagde partij] om die reden geen passende woonruimte is aangeboden.
Conclusie
3.14.
Het COA heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat de aangeboden woning passend was en dat [gedaagde partij] die woning ten onrechte heeft afgewezen. [gedaagde partij] verblijft daarom op dit moment in de opvanglocatie, terwijl hij geen recht meer heeft op de opvangvoorzieningen. Daarmee handelt hij onrechtmatig tegenover het COA en is het, gelet op het spoedeisend belang van COA bij het gevorderde, gerechtvaardigd om op het oordeel van de bodemrechter vooruit te lopen. De gevorderde ontruiming moet daarom worden toegewezen.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde partij]
3.15.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het COA worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,40
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
715,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.752,40

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de door hem gebruikte ruimte in de opvanglocatie op het adres [adres] te [woonplaats] , of elk andere door het COA verzorgde opvanglocatie, te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van het COA zijn,
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.752,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
4428