ECLI:NL:RBMNE:2025:6373

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
576716 HA RK 24-127
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid Achmea voor schade na aanrijding met vrachtwagen op industrieterrein

In deze zaak heeft verzoekster, die op een industrieterrein op haar fiets in botsing is gekomen met een vrachtwagen, een deelgeschil aanhangig gemaakt. Zij heeft zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen en vraagt de rechtbank om te verklaren dat Achmea, de WAM-verzekeraar van de vrachtwagen, aansprakelijk is voor haar schade en geen beroep op overmacht kan doen. De rechtbank heeft op 21 november 2025 uitspraak gedaan en de verzoeken van verzoekster afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het beroep van Achmea op overmacht slaagt. De feiten van de zaak zijn als volgt: het ongeval vond plaats op 5 oktober 2023 op de kruising van de Professor Zernikestraat en de Einsteinstraat in Sneek. Verzoekster fietste en botste tegen de rechterzijkant van de vrachtwagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrachtwagenchauffeur geen enkel verwijt kan worden gemaakt en dat de omstandigheden van het ongeval zodanig waren dat Achmea zich op overmacht kan beroepen. De rechtbank heeft ook de kosten van het deelgeschil begroot op € 5.853,08 inclusief btw, en het verzoek van verzoekster om uitvoerbaarheid bij voorraad is afgewezen. De beslissing is genomen door mr. A.S. Penders en openbaar uitgesproken door mr. R.J. Praamstra.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/576716 / HA RK 24-127
Beschikking (deelgeschil) van 21 november 2025
in de zaak van
[verzoekster],
die woont in [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. N.T.G. Greven,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
die is gevestigd in Apeldoorn,
verwerende partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. A.W. Hendriks (voorheen mr. [A] ).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 5 producties, ingekomen op de griffie op 12 juni 2024,
- het verweerschrift met 2 producties, ingekomen op de griffie op 5 augustus 2024,
- de mondelinge behandeling op 13 augustus 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [verzoekster] ,
- het proces-verbaal van aanhouding van de mondelinge behandeling.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter op verzoek van partijen de behandeling van het deelgeschil aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een ongevallenanalyse uit te laten voeren. Partijen hebben vervolgens verkeersongevallendeskundige ing. [B] ingeschakeld om het onderzoek uit te voeren. Op 20 mei 2025 heeft hij een rapportage uitgebracht. Partijen hebben de rechtbank om uitstel gevraagd voor de toelichting die zij hierop mochten geven en dat hebben zij gekregen. Op 19 september 2025 heeft [verzoekster] een akte na deskundigenbericht ingediend en daarbij het onderzoeksrapport gevoegd. Op 17 oktober 2025 heeft Achmea een antwoordakte na deskundigenbericht ingediend.
1.3.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoekster] is op een industrieterrein rijdend op haar fiets in botsing gekomen met een vrachtwagen. Zij heeft daardoor zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen. Zij vraagt in dit deelgeschil om voor recht te verklaren dat Achmea (als WAM-verzekeraar van de vrachtwagen) geen beroep op overmacht toekomt en dat Achmea aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van het ongeval. Deze verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen. Het beroep van Achmea op overmacht slaagt namelijk.

3. De beoordeling

3.1.
Het verzoek van [verzoekster] kan, gelet op de discussie over de aansprakelijkheid voor letsel na een ongeval, als deelgeschil worden behandeld. Het gaat over een ongeval dat heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2023 op de kruising van de Professor Zernikestraat en de Einsteinstraat in Sneek. Daarbij was [verzoekster] als fietser en een werknemer van een verzekerde van Achmea als bestuurder van een vrachtwagen betrokken.
3.2.
[verzoekster] heeft als gevolg van het ongeval zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen, namelijk drie complexe beenbreuken, die gepaard gingen met grote wonden.
3.3.
In dit deelgeschil gaat het om de vraag of Achmea als WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval (volgens [verzoekster] is dat zo) of dat Achmea een beroep op overmacht toekomt (volgens Achmea is dat het geval).
Kader overmacht
3.4.
Bij het ongeval waren een gemotoriseerde (de verzekerde van Achmea als vrachtwagenchauffeur) en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer ( [verzoekster] als fietser) betrokken. Voor deze situatie geldt artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW). Uit die bepaling en vaste jurisprudentie volgt dat de eigenaar van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer aansprakelijk is voor (in ieder geval 50% van) de schade, tenzij sprake is van overmacht.
3.5.
Volgens vaste jurisprudentie slaagt een beroep op overmacht alleen als aan de bestuurder van het motorvoertuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de manier waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat het ongeval uitsluitend is te wijten aan fouten van een ander en die fouten voor de bestuurder van het motorvoertuig zo onwaarschijnlijk zijn dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Dit betekent dat men er in het verkeer in het algemeen niet altijd op mag vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich precies aan de verkeersregels houdt en dat men zich op zo’n manier moet gedragen dat een passende reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft. Het betreft een strenge norm waardoor, als in juridisch opzicht aan de verzekerde van Achmea enig verwijt te maken valt, hoe klein ook, het beroep op overmacht faalt.
3.6.
Daarbij geldt dat de eigenaar of houder van het motorvoertuig niet hoeft te
bewijzen, dat de aanrijding is te wijten aan overmacht. Overmacht behoeft slechts
aannemelijkte zijn. Voldoende is, dat de rechter de overtuiging heeft, dat het ongeval aan overmacht is te wijten. [1]
Andere toekomst
3.7.
Zoals uit de stukken en ter zitting naar voren kwam is het heel verdrietig dat het ongeval [verzoekster] is overkomen. Zij stond samen met haar echtgenoot en kinderen aan de vooravond van een nieuwe toekomst, ze woonden in een [.] en waren op weg naar de Gamma om vloerbedekking uit te zoeken voor hun nieuwe woning in [plaats] . Het ongeval had nog slechter kunnen aflopen en is dat gelukkig niet gebeurd maar door het ongeval moeten zij hun toekomst nu heel anders tegemoetzien.
Het beroep op overmacht slaagt
3.8.
De vrachtwagenchauffeur kan echter geen enkel verwijt van het ongeval worden gemaakt. Dit betekent dat het beroep van Achmea op overmacht slaagt en dat de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
Het ongeval
3.9.
[verzoekster] fietste met haar echtgenoot over de Professor Zernikestraat. Haar echtgenoot reed voor haar en toen zij de kruising met de Einsteinstraat naderden (een voorrangsweg, op hun weg aangegeven met haaientanden), lukte het haar echtgenoot om zijn fiets (met handremmen) op tijd te stoppen maar [verzoekster] (op haar fiets met terugtraprem) lukte dit niet en zij is toen tegen de rechterzijkant van de vrachtwagen gebotst.
De ongevalsplek was overzichtelijk
3.10.
Op een screenshot van Google Maps Streetview van de ongevalslocatie (productie 1 [verzoekster] ) is te zien dat het een vrij overzichtelijk kruispunt betreft. Dat blijkt ook uit de onderstaande foto in de ongevallenanalyse van [B] , eveneens van Google Maps Streetview (van september 2023). Daarop heeft de verkeersongevallendeskundige met de rode pijl de rijrichting van de vrachtwagen aangegeven en met de gele pijl de rijrichting van [verzoekster] .
De snelheid was passend
3.11.
Het ongeval vond plaats binnen de bebouwde kom, op een industrieterrein waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. De verkeersongevallendeskundige heeft van een beveiligingscamera van een bedrijfspand in de buurt van het ongeval beelden van het ongeval gekregen. Aan de hand van onder andere de videobeelden heeft hij de snelheden geanalyseerd op/rondom het botsmoment. In zijn rapport komt hij over de gereden snelheid tot de volgende conclusie:
“De vrachtwagen reed op het botsmoment met een snelheid van ca. 38 km/u (10,6 m/s).
Bij nadering van de botsplaats reed de fietser met een gemiddelde snelheid van ca. 11 km/u (3 m/s).”
3.12.
Een snelheid van 38 (of mogelijk 40) kilometer per uur acht de rechtbank passend gelet op de overzichtelijke verkeerssituatie. Ook tegen de achtergrond, waar [verzoekster] op wijst, dat het een extra lange vrachtwagencombinatie was, dat op het betreffende bedrijventerrein ook een aantal gelijkwaardige kruisingen zijn en dat en in de betreffende straat volgens haar eerder ernstige ongevallen zijn geweest.
Het aanrakingspunt was ongeveer 13,5 meter vanaf het front van de vrachtwagencombinatie
3.13.
Uit de foto’s van de schade aan de vrachtwagencombinatie die zijn opgenomen in de ongevallenanalyse blijkt dat de fiets van [verzoekster] op ongeveer 13,5 meter voorbij het front van de vrachtwagencombinatie de vrachtwagen heeft geraakt. Dat het aanrakingspunt op het achterste gedeelde van de vrachtwagen was, blijkt ook uit het proces-verbaal van de politie en de verklaringen van [verzoekster] en haar echtgenoot. [verzoekster] en haar echtgenoot hebben allebei verklaard dat zij op het middelste wiel van de vrachtwagen is gebotst en in het proces-verbaal van de politie is over het raakpunt het volgende vermeld:
“Op camerabeelden is te zien dat de bestuurder van de fiets niet op tijd remde en met haar fiets tegen de rechterzijkant van de vrachtwagen reed. Op haar fiets zat aan de voorzijde een witten metalen mand. De bestuurder van de fiets botste met haar fiets tegen de aldaar op de oplegger zittende gereedschapsbak. Op deze bak waren witte sporen van de metalen mand zichtbaar. Nadat de bestuurder van de fiets tegen de vrachtauto was gereden kwam zij ten val en kwam net achter de laatste as van de oplegger op het wegdek terecht. Hierdoor werd zij wonder boven wonder niet overreden door de laatste as van de oplegger.”
3.14.
In de ongevallenanalyse zijn de botsposities als volgt weergegeven.
3.15.
Daarbij heeft de verkeersongevallendeskundige het volgende vermeld:
“In figuur 2 heb ik een indruk gegeven van de botspositie in boven aanzicht.
Daarbij moet wel aangetekend worden dat de lengte van de oplegger niet correct is. Tussen het front en de plaats waar de fietser in botscontact is gekomen met de oplegger is een afstand gesitueerd van (in werkelijkheid) ca. 13,5 meter (terwijl dat in de tekening van figuur 2 slechts ca. 9,5 meter is).
Rechts van figuur 2 heb ik het (uitvergrote) beeld geplaatst uit de videobeelden waarop te zien dat de fietser ten val komt als gevolg van de botsing tegen de rechterflank van de oplegger.”
De eindstand/eindpositie
3.16.
Aan de hand van de videobeelden heeft de verkeersongevallendeskundige op de volgende foto met de groene cirkel de plek aangegeven waar [verzoekster] direct na de botsing terecht is gekomen.
3.17.
Over de eindpositie van de vrachtwagencombinatie heeft hij het volgende vermeld:
“De video laat niet zien waar de vrachtwagen combinatie tot stilstand is gekomen.
Met de door [onderneming] aangeleverde beelden uit het Track en Trace systeem heb ik ter plaatse opgemeten/benaderd dat het front van de trekker op ca. 38 meter voorbij het hart van de kruising (oranje pylon op de foto's) tot stilstand is gekomen. Dat betekent dat het front van de trekker tussen de botsplaats en de eindpositie een afstand heeft afgelegd van ca. 27 meter.
Wanneer de chauffeur van de vrachtwagen in ongeveer 1 seconde heeft gereageerd op de aanrijding (die hij kon zien in zijn rechter buitenspiegel) en daarna heeft geremd met ca. 4 m/s2 zal hij voor het stoptraject (10,6 + 14 =) ca. 25 meter nodig hebben gehad. Deze afstand kan goed stroken met de zojuist genoemde 27 meter. Een en ander kan niet alleen aannemelijk maken dat [C] op het botsmoment gereden heeft met een snelheid van ca. 38 km/u maar ook dat hij zijn combinatie tot stilstand heeft gebracht als reactie op het zien (of horen) van de aanrijding.”
Het zicht van de vrachtwagenchauffeur
3.18.
De verkeersongevallendeskundige heeft het zicht van de vrachtwagenchauffeur als volgt in beeld gebracht.
3.19.
Hij heeft daarbij het volgende vermeld:
“Tussen het front van trekker en de plaats waar de fiets tegen de flank van de oplegger botste is een afstand gesitueerd van ca. 13,5 meter. Wanneer er (aannemelijk) vanuit wordt gegaan dat de fiets ongeveer 2,5 meter rechts van de pylon tegen de oplegger is gebotst, brengt dit met zich mee dat bovenstaande foto het zicht van [C] weergeeft op ca. 15 + 13,5 + 2,5 = ca. 31 meter vóór de botsplaats. Met een snelheid van 38 km/u legt [C] per seconde een afstand af van ca. 10,6 meter. Oftewel: Toen [C] 31 meter vóór de botsplaats reed was dat op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment. Wanneer voor de fietser een snelheid van 11 km/u (3 m/s) wordt aangehouden (benaderd vanuit de videobeelden) kan bepaald worden dat [verzoekster] toen nog ca. 2,9 x 3,0 = ca. 8,7 meter verwijderd was van de botsplaats (en ca. 8 meter van de rijbaankant). De (globale) positie van de fietsster (op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment) wordt in bovenstaande foto aangeduid met een rode streep.”
Het zicht van [verzoekster]
3.20.
Op de volgende foto heeft de ongevallenverkeersdeskundige het zicht van [verzoekster] weergegeven. Met de rode dubbele pijl heeft hij de (globale) positie weergegeven van het front van de vrachtwagencombinatie op circa 2,9 seconden vóór het botsmoment.
3.21.
Hij heeft daarbij het volgende vermeld:
“Toen [C] de van rechts naderende [verzoekster] waarnam op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment reed de fiets op ca. 8 meter vóór de rijbaangrens. Vanuit een fietssnelheid van 3 m/s zou mw. [verzoekster] eenvoudig tot stilstand kunnen zijn gekomen vóór de rijbaangrens. Voor [C] - die een voorrangskruising naderde en er derhalve vanuit mocht gaan dat hij in principe voorrang zou gaan krijgen van de naderende fietsers - was er naar mijn mening (op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment) vanwege het ontbreken van een ongevaldreiging, geen (enkele) aanleiding om acties te gaan ondernemen ter voorkoming van een aanrijding. Bovendien zou hij vanuit de op dat moment gereden snelheid (ca. 38 km/u) al niet meer met het front van de trekker vóór de botsplaats tot stilstand kunnen zijn gekomen.
Met andere woorden: Als [C] eerder was gaan remmen zou de fietser tegen een ander deel van de vrachtwagen flank zijn gebotst.
Omgekeerd,kan gesteld worden dat [verzoekster] op ca. 2,9 sec. vóór het botsmoment de van links komende vrachtwagen goed had kunnen zien. Volgens [onderneming] waren de zwaailichten aan de voor- en achterzijde van de combinatie in werking. Ik kan dit vanuit de videobeelden niet bevestigen. Het is namelijk een "lastige" waarneming vanwege het feit dat het ongeval zich afspeelt in een "hoekje" van het (niet al te scherpe) videobeeld.
[verzoekster] had aan de haaientanden en het in de berm geplaatste bord B06 van het RVV kunnen vaststellen dat zij aan het verkeer op de Einsteinstraat voorrang moet verlenen. Door op ca. 2,9 sec. het botsmoment (en ca. 8 meter vóór de rijbaankant) te gaan reageren op de naderende vrachtwagen had zij eenvoudig tot stilstand kunnen komen vóór/ter hoogte van de haaientanden en zodoende zou zij in staat zijn geweest om aan [C] voorrang te verlenen. Kennelijk heeft zij wel
geprobeerd om haar fiets af te remmen maar werd die manoeuvre te laat uitgevoerd dan wel mislukte dit als gevolg van een niet (goed) werkende achterrem(…)”
De chauffeur heeft het ongeval niet kunnen voorkomen
3.22.
De rechtbank volgt de conclusie van de verkeersongevallendeskundige dat [verzoekster] ongeveer 2,9 seconden vóór het botsmoment op ongeveer 8 meter vóór de rijbaan van de Einsteinstraat was. De rechtbank volgt de verkeersongevallendeskundige ook dat de chauffeur ervan uit mocht gaan dat hij in principe voorrang zou gaan krijgen van de naderende fietsers en dat er op ongeveer 2,9 seconden vóór het botsmoment geen ongevalsdreiging was. In die situatie was het zo onwaarschijnlijk dat [verzoekster] niet op tijd zou remmen dat de chauffeur bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Hij hoefde er daarom niet op te anticiperen dat [verzoekster] niet (op tijd) kon remmen, of met de mogelijkheid rekening te houden dat [verzoekster] niet tijdig zou remmen. Bovendien kon de chauffeur, zoals uit de ongevallenanalyse blijkt, toen al niet meer met het front van de trekker tot stilstand te komen vóór de botsplaats. Immers als hij eerder was gaan remmen dan zou [verzoekster] tegen een ander deel van de vrachtwagen flank zijn gebotst. De chauffeur van de vrachtwagencombinatie heeft het ongeval dus niet kunnen voorkomen.
3.23.
De rechtbank neemt hierbij volledigheidshalve nog in aanmerking dat [verzoekster] erkent dat zij niet adequaat heeft geremd (punt 2 van de akte). Niet valt in te zien dat hiervan aan de vrachtwagenchauffeur enig verwijt kan worden gemaakt, los gezien van hetgeen hierboven in deze rechtsoverweging is geoordeeld. Dat geldt ook voor de opmerking van [verzoekster] in de akte (de punten 10 en 12) dat de vrachtwagencombinatie te hard reed en dat die snelheid een causale bijdrage aan het ontstaan van het ongeval heeft geleverd. Die conclusie kan niet worden onderbouwd met de door de deskundige vastgestelde feiten, terwijl [verzoekster] die feiten op zichzelf ook niet heeft weersproken.
3.24.
De rechtbank laat in het midden of [verzoekster] niet adequaat heeft geremd doordat, zoals Achmea aanvoert, de rem van de fiets van [verzoekster] kapot was. Dit kan de rechtbank niet vaststellen. De politie heeft dat weliswaar vastgesteld, maar heeft niet onderzocht of de rem al vóór het ongeval kapot was. De rechtbank laat ook in het midden of de zwaailichten van de vrachtwagencombinatie in werking waren. De deskundige heeft dat ook niet kunnen vaststellen. Het doet er ook niet toe, omdat dit niet aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen.
Conclusie: het beroep van Achmea op overmacht slaagt
3.25.
Dit betekent dat het beroep van Achmea op overmacht slaagt en dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen. Aan het subsidiaire beroep van Achmea op eigen schuld komt de rechtbank daarom niet toe en dat geldt dus ook voor het verweer op dit punt over de kosten.
Nadere opmerking
3.26.
De rechtbank beseft dat deze beslissing voor [verzoekster] een hard gelag is. Haar letsel is immers zeer ernstig en het is niet voorspelbaar of [verzoekster] hiervan volledig zal herstellen. Dit gegeven kan echter op zichzelf niet bijdragen aan de eventuele aansprakelijkheid van Achmea, omdat uit de beslissing volgt dat haar verzekerde een terecht beroep op overmacht toekomt. Aan de vrachtwagenchauffeur kan naar het oordeel van de rechtbank immers niet het kleinste verwijt worden gemaakt, ook al is het letsel van [verzoekster] ernstig.
De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 5.853,08 inclusief btw en exclusief griffierecht
3.27.
De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten, ook als een verzoek niet wordt toegewezen. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
3.28.
Namens [verzoekster] is bij de mondelinge behandeling 15 uur opgegeven voor dit deelgeschil met een uurtarief van € 270,00 exclusief btw. Achmea heeft geen verweer gevoerd tegen het aantal uren en het uurtarief. De rechtbank heeft gekeken naar het dossier en naar het gehanteerde tarief en is van oordeel dat een tijdsbesteding van 15 uur met een uurtarief van € 270,00 exclusief btw passend is, dat komt in totaal op (€ 4.050,00 exclusief btw =) € 4.900,50 inclusief btw. [verzoekster] maakt ook aanspraak op vergoeding van de kosten van de vertaling van haar verklaring van € 150,97 inclusief btw en de kosten van de tolk bij de mondelinge behandeling van € 801,61 inclusief btw. Achmea is niet bereid deze kosten te voldoen zolang de aansprakelijkheid niet vaststaat maar zij heeft geen apart verweer gevoerd tegen de begroting van deze kosten. Deze kosten zullen daarom als verschotten worden mee begroot. Daarbij moet het griffierecht van € 87,00 nog worden opgeteld.
De beschikking wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.29.
Een uitspraak die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, moet worden gevolgd ook al stelt een van partijen hoger beroep in tegen de uitspraak. Maar tegen de uitspraak over dit deelgeschil kan niet rechtstreeks in hoger beroep worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad voegt dus niets toe. Dit deel van het verzoek wordt dan ook afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.853,08 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 87,00;
4.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken door mr. R.J. Praamstra op 21 november 2025.
pvt 4189

Voetnoten

1.Asser/Sieburgh 6-IV 2023/288