ECLI:NL:RBMNE:2025:6381

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
C/16/591387 / HA ZA 25-197
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 lid 1 BWArt. 6:75 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen toerekenbare tekortkoming bij late oplevering webshop en gebreken

Partijen sloten een overeenkomst waarbij gedaagde een nieuwe webshop voor eiser zou ontwikkelen. De webshop ging later live dan afgesproken en eiser stelde diverse tekortkomingen vast, waaronder onvolledige datamigratie en ontbrekende functies.

De rechtbank stelde vast dat de late oplevering niet aan gedaagde kon worden toegerekend omdat fouten in de oude webshop het geautomatiseerd overzetten van data onmogelijk maakten. Eiser kon niet aantonen dat gedaagde verplicht was de data handmatig over te zetten binnen de afgesproken termijn.

Verder kon de rechtbank geen gebreken aan de nieuwe webshop vaststellen, omdat eiser onvoldoende concrete onderbouwing gaf. Ook was niet overeengekomen dat gedaagde de Google-positie zou behouden.

De vorderingen van eiser werden afgewezen, terwijl de factuur van gedaagde voor de uitgevoerde werkzaamheden werd toegewezen. Eiser werd veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt eiser tot betaling van de factuur en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/591387 / HA ZA 25-197
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
NAILBAR B.V.,
gevestigd in Nuenen,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Nailbar,
advocaat: mr. J. Meerman,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n.
[onderneming],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [onderneming] ,
advocaat: mr. A. Seme.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 maart 2025 met een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte van [onderneming] met producties;
- de akte van Nailbar met producties;
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 17 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten waarin is afgesproken dat [onderneming] een nieuwe webshop zou maken voor Nailbar. In april 2024 is de nieuwe webshop live gegaan, maar volgens Nailbar is dit te laat en heeft de nieuwe webshop gebreken. In deze procedure vordert Nailbar een verklaring voor recht dat [onderneming] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en onrechtmatig heeft gehandeld. Daarnaast vordert Nailbar, als voorlopige voorziening, een voorschot op de schade wegens gemiste omzet van € 195.156,50. [onderneming] betwist dat de webshop gebrekkig is en stelt dat als er al een tekortkoming is, deze niet aan haar kan worden toegerekend. Als tegeneis vordert [onderneming] betaling van de factuur voor haar werkzaamheden van € 2.628,79. De rechtbank wijst de vordering van Nailbar af. De vordering van [onderneming] wijst zij toe.

3.De beoordeling

[onderneming] is niet (toerekenbaar) tekortschoten in de nakoming van de overeenkomst
3.1.
Op 8 september 2023 heeft Nailbar via The Next ad (hierna: TNA) een offerte gekregen van [onderneming] voor het maken van een nieuwe webshop (hierna: de offerte). De data van de oude webshop van Nailbar zou door [onderneming] worden overgezet naar een nieuwe (Shopify) webshop. Nadat Nailbar met [onderneming] haar wensen over de lay-out had besproken heeft zij [onderneming] de opdracht gegeven om de nieuwe webshop te maken. Dit heeft [onderneming] gedaan, maar volgens Nailbar is [onderneming] tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst vanwege het volgende:
de webshop is te laat opgeleverd;
de data van de oude webshop is niet volledig overgezet;
de prijzen op de nieuwe webshop werden niet inclusief en exclusief btw getoond;
e business-to-business (hierna: B2B) functie ontbrak op de webshop;
de Google positie van de oude webshop is niet overgegaan naar de nieuwe webshop.
Op grond van de wet [1] is het aan Nailbar om bovenstaande tekortkomingen te stellen, te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat tekortkomingen b) tot en met e) niet zijn komen vast te staan. Ten aanzien van tekortkoming a) staat een tekortkoming wel vast, maar komt de rechtbank tot het oordeel dat deze tekortkoming niet aan [onderneming] kan worden toegerekend. De vorderingen van Nailbar worden daarom afgewezen.
a) De webshop is te laat opgeleverd, maar dit kan niet worden toegerekend aan [onderneming]
3.3.
Het staat vast dat partijen hebben afgesproken dat de nieuwe webshop 14 december 2023 live zou gaan. Uiteindelijk is de nieuwe webshop pas in april 2024 live gegaan. Dat is te laat. Dit betekent dat [onderneming] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [onderneming] vindt dat dat het niet haar schuld is dat de webshop later live ging, omdat het overzetten van de data langer duurde vanwege fouten op de oude webshop. De rechtbank begrijpt dat [onderneming] daarmee stelt dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend. [2]
3.4.
De rechtbank is met [onderneming] van oordeel dat het te laat live gaan van de nieuwe webshop niet aan de schuld van [onderneming] te wijten is. [onderneming] heeft toegelicht dat het overzetten van data van een webshop naar een nieuwe webshop plaatsvindt door middel van standaard geautomatiseerde handelingen. In het geval van Nailbar bleek dit tijdens de uitvoering onmogelijk, omdat er (te veel) fouten in de data van de oude webshop stonden. Ter onderbouwing daarvan verwijst [onderneming] naar het bericht van Matrixify. Dat de oude webshop (veel) fouten bevatte en geautomatiseerd overzetten van de data daardoor niet mogelijk was, wordt door Nailbar niet betwist. Maar Nailbar vindt dat de overeenkomst [onderneming] verplichtte om de data desnoods handmatig over te zetten als het niet geautomatiseerd lukte. Zij wijst er daarbij op dat er in de overeenkomst door [onderneming] geen voorbehoud is opgenomen over foute data op de oude webshop.
3.5.
Dat in de offerte van [onderneming] geen voorbehoud is opgenomen voor het niet (tijdig) kunnen overzetten van de data als daarin fouten voorkomen, betekent niet dat Nailbar mocht verwachten dat [onderneming] de (foutieve) data dan maar binnen vier weken handmatig moest overzetten of zelf moest corrigeren. Bij de uitleg van wat Nailbar en [onderneming] zijn overeengekomen, moet niet alleen worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst, maar ook naar wat partijen hebben bedoeld en wat zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij die bedoeling en verwachtingen is allereerst van belang dat [onderneming] en Nailbar voor de nieuwe webshop, dus het overzetten van de data en de inrichting/lay-out van de nieuwe webshop, een prijs overeengekomen zijn van € 2.999,- (ex btw). De oude webshop van Nailbar bevatte ruim 4000 artikelen. Daarnaast heeft TNA Nailbar naar aanleiding van de offerte van [onderneming] bericht dat de setup in Shopify, de handelingen die moeten worden verricht en de koppelingen die moeten worden gemaakt door [onderneming] vrijwel altijd hetzelfde zijn. [3] Nadat [onderneming] aangaf dat het (geautomatiseerd) overzetten van de data niet mogelijk was, heeft Nailbar er in eerste instantie ook niet bij [onderneming] op aangedrongen om de oude data handmatig over te zetten. In plaats daarvan is Nailbar in overleg met [onderneming] de data zelf gaan controleren en corrigeren in een door [onderneming] toegestuurd Excelbestand. In april 2024 – het moment dat de website live ging – was dit pas ten aanzien van 2500 (van de 4000) producten gedaan. De rechtbank concludeert dan ook dat Nailbar gelet op de omvang van haar oude webshop, de geoffreerde prijs en het bericht van TNA redelijkerwijs niet kon verwachten dat [onderneming] de 4000 artikelen van de oude webshop individueel zou controleren, corrigeren en overzetten, laat staan binnen 3 tot 4 weken.
3.6.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de tekortkoming ook niet op grond van de wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor risico van [onderneming] komt. Nailbar heeft in dat kader nog aangevoerd dat [onderneming] onderzoek had moeten doen naar de oude webshop vóór het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank verwerpt dat standpunt, omdat het niet reëel is om dergelijk onderzoek van [onderneming] te verlangen. De heer [gedaagde] van [onderneming] heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat hij voor het sluiten van dit soort overeenkomsten niet hoeft te verwachten dat een in gebruik zijnde webshop zoveel fouten bevat dat de data niet (gemakkelijk) kan worden overgezet. Daarnaast is het tijdrovend en lastig om onderzoek te doen naar de oude webshop, omdat de fouten in de data pas aan het licht komen wanneer de data wordt overgezet naar de nieuwe webshop. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst is er nog geen nieuwe webshop waar de data naartoe kan worden overgezet. Bovendien heeft [onderneming] de inlog nodig voor toegang tot de webshop en is het niet in de lijn der verwachting dat zij deze toegang krijgt voor het sluiten van de overeenkomst met Nailbar.
3.7.
De conclusie is dat het niet aan de schuld van [onderneming] is te wijten noch voor haar risico komt dat de overeenkomst niet tijdig is nagekomen. Het niet (tijdig) kunnen overzetten van de data lag aan de foutieve data op de oude webshop. Dit zorgde ervoor dat het overzetten van de data langer duurde waardoor de nieuwe webshop later in gebruik werd genomen dan gepland. De te late oplevering van de nieuwe webshop kan daarom niet aan [onderneming] worden toegerekend.
Er staat niet vast dat: b) de data van de oude webshop niet goed of onvolledig is overgezet;, c) de prijzen op de nieuwe webshop onjuist werden weergegeven en d) de B2B-functie op de nieuwe webshop ontbrak
3.8.
Uiteindelijk is de webshop in april 2024 [onderneming] gegaan met ongeveer 2500 producten, maar volgens Nailbar is de data door [onderneming] niet goed of onvolledig overgezet waardoor er fouten op de nieuwe webshop staan. Daarnaast werden de prijzen volgens Nailbar niet goed weergegeven (niet in- en exclusief btw) en ontbrak een B2B-functie. Nailbar stelt dat dit tekortkomingen opleveren van [onderneming] .
3.9.
De rechtbank kan niet vaststellen dat [onderneming] tekort is geschoten is haar verplichtingen. Dat komt omdat Nailbar de tekortkomingen onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de betwisting door [onderneming] . Nailbar heeft op 28 mei 2024, 4 juni 2024 en 20 juni 2024 brieven [4] gestuurd naar [onderneming] waarin zij concrete gebreken opsomt en [onderneming] de mogelijkheid geeft om de gebreken te herstellen. Op 24 en 25 juni 2025 stuurt [onderneming] updates per e-mail, waarin zij – kort gezegd – meedeelt dat (concept)producten zijn toegevoegd, de B2B-functie werkt en de laatste dingen worden aangevuld. Daarnaast vraagt [onderneming] of er verder nog dingen zijn die aangepast moeten worden. Op 1 juli 2024 meldt [onderneming] dat de prijzen nu ook in- en exclusief btw zichtbaar zijn. Verder deelt [onderneming] mee dat zij niets meer heeft gehoord over wijzigingen en er vanuit gaat dat alles nu opgelost is. [5] Op 11 juli 2024 deelt Nailbar – zonder verdere toelichting – mee dat [onderneming] geen toegang meer heeft tot het Shopify account en er sprake is van verzuim. [6] Daarna volgen nog aansprakelijkheidsbrieven [7] , maar ook daarin staat enkel dat het [onderneming] nog niet gelukt zou zijn een webshop en B2B app op te leveren. Wat er (ondanks de herstelwerkzaamheden) niet goed is aan de webshop wordt niet concreet gemaakt. Ook in de dagvaarding heeft Nailbar niet concreet gemaakt wat precies ontbreekt op de nieuwe webshop en wat niet goed staat. Zelfs naar aanleiding van vragen daarover kon Nailbar op de zitting geen duidelijkheid verschaffen. Mevrouw [persoon] , de bestuurder van Nailbar, zei alleen dat het zo veel fouten waren, dat het onmogelijk was om dit concreet te stellen. Dit had echter wel op haar weg gelegen, zeker nu [onderneming] gebreken gemotiveerd betwist met een verwijzing naar de mails van 24 juni, 25 juni en 1 juli 2024, waarop destijds geen reactie is gekomen aan de zijde van Nailbar. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of er gebreken zijn aan de nieuwe webshop, laat staan of dit een gevolg is van een fout van [onderneming] . Bij dat laatste is belangrijk dat de nieuwe website al meer dan een jaar [onderneming] is en (zo begreep de rechtbank) door Nailbar wordt gebruikt. Nailbar had haar stellingen nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld met screenshots van de nieuwe en oude webshop of met een deskundigenbericht.
e) Niet overeengekomen is dat [onderneming] de Googlepositie zou bewaken
3.10.
Als laatste gebrek stelt Nailbar dat het ‘organisch verkeer’ van de oude webshop niet mee over is gegaan naar de nieuwe webshop, zodat de Google positie van de oude webshop verloren is gegaan.
3.11.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [onderneming] verplicht was om ervoor zorg te dragen dat de nieuwe webshop dezelfde Google positie behield als de oude webshop. [onderneming] heeft dit betwist. Volgens [onderneming] is enkel overeengekomen dat zij de data van de oude webshop naar de nieuwe webshop zou overzetten en de lay-out/inrichting van de nieuwe webshop zou verzorgen. Ter onderbouwing daarvan verwijst [onderneming] naar de offerte. Daarin is niet opgenomen dat [onderneming] zou zorgen voor het ‘redirecten’, hetgeen nodig is als je het organisch verkeer van een oude webshop wilt behouden.
3.12.
Nailbar stelt echter dat er een bespreking met [onderneming] (en TNA) heeft plaatsgevonden na het toezenden van de offerte en vóór het verlenen van de opdracht, waarin het behoud van de google positie is besproken. Nailbar verwijst naar een door haar overgelegde verklaring van een werkneemster, mevrouw [persoon1] . [persoon1] verklaart dat ‘vaak’ gevraagd zou zijn aan [onderneming] of alles zou blijven zoals het was op de oude webshop en er geen gegevens kwijt zouden raken voor google, producten en links. De rechtbank vindt dit onvoldoende. Allereerst heeft [onderneming] (onbetwist) aangevoerd dat het redirecten een omvangrijke klus betreft die specialistische kennis vereist. Nailbar kon niet verwachten dat [onderneming] deze werkzaamheden zou uitvoeren gelet op de geoffreerde prijs van € 2.999,- (ex btw). Daarnaast zat TNA ook aan tafel bij de bespreking waarop Nailbar doelt. TNA was door Nailbar ingeschakeld als ‘Search Engine Optimalisation (SEO)-specialist’. Voor zover het behoud van de google positie tijdens die bespreking aan de orde is gekomen ( [onderneming] heeft dat betwist) had [onderneming] uit dat gesprek – mede in het licht van de door hem uitgebrachte offerte – dan ook niet hoeven begrijpen dat Nailbar verwachtte dat [onderneming] in plaats van TNA zorg zou dragen voor het behoud van de Google positie. Daarbij is ook van belang dat TNA aanzienlijk meer betaald kreeg dan [onderneming] voor haar werkzaamheden (ruim € 2.500 per maand).
3.13.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het behoud van de Googlepositie onderdeel was van de overeenkomst tussen Nailbar en [onderneming] . [onderneming] is dan ook niet tekort geschoten.
Conclusie
3.14.
De conclusie is dat er geen sprake is van een tekortkoming, dan wel een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De vordering van Nailbar voor een verklaring van recht dat [onderneming] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst wijst de rechtbank daarom af.
[onderneming] heeft niet onrechtmatig gehandeld
3.15.
Zoals hiervoor is overwogen (in overweging 3.14.), stelt de rechtbank vast dat [onderneming] niet (toerekenbaar) tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Nailbar heeft ook niet gesteld dat [onderneming] handelingen heeft verricht die buiten de overeenkomst vallen waardoor er sprake kan zijn van onrechtmatige handelingen. Nailbar heeft niets meer gesteld dan dat het werk door [onderneming] niet goed is uitgevoerd, maar dit is onvoldoende om een onrechtmatige daad van [onderneming] vast te stellen. De vordering van Nailbar om voor recht te verklaren dat [onderneming] onrechtmatig heeft gehandeld, wijst de rechtbank af.
[onderneming] hoeft geen schade te vergoeden
3.16.
De incidentele vordering van Nailbar tot vergoeding van een voorschot van de schade wijst de rechtbank af. [onderneming] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd en is ook niet tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Er bestaat daarom geen schadevergoedingsplicht voor [onderneming] . Dit betekent dat de zaak ook niet naar een schadestaatprocedure wordt verwezen.
Nailbar moet de factuur van [onderneming] betalen
3.17.
Als tegeneis vordert [onderneming] betaling van de factuur van in totaal € 2.628,79. Dit is het bedrag van de offerte met aftrek van de aanbetaling van € 1.000,-. Het staat vast dat [onderneming] het werk waarop de offerte ziet heeft uitgevoerd. [onderneming] heeft de lay-out van de nieuwe webshop gemaakt en (voor zover het kon) de data van de oude webshop naar de nieuwe webshop overgezet. Dit betekent dat Nailbar de factuur van [onderneming] voor het werk, € 2.628,79, moet betalen.
3.18.
Over dit bedrag moet Nailbar de wettelijke handelsrente als bedoelt in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) betalen omdat er sprake is van een handelsovereenkomst. Op 1 juli 2024 heeft [onderneming] de factuur per e-mail aan Nailbar gestuurd, maar hier staat geen betaaltermijn op. Dit betekent dat gelet op artikel 6:119a lid 2 aanhef en onder a BW een betaaltermijn van 30 dagen geldt. Daarom moet Nailbar vanaf 1 augustus 2024 de wettelijke handelsrente over € 2.628,79 betalen.
Nailbar hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.19.
[onderneming] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Nailbar heeft betwist dat [onderneming] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Uit de stukken die [onderneming] heeft overgelegd volgt ook niet dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Zij heeft de werkzaamheden uit de urenstaat ook niet gemotiveerd. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
Nailbar moet de proceskosten in conventie en in reconventie betalen
3.20.
Nailbar is zowel in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [onderneming] worden begroot op:
- griffierecht € 2.723,-
- salaris advocaat € 3.858,- (2 punten x tarief V)
- nakosten
€ 278,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.859,-
3.21.
Er wordt geen (halve)punt gegeven voor het salaris advocaat in het incident en in reconventie omdat de vordering in reconventie nauwelijks tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest. Daarnaast is in de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie niet uitgebreid ingegaan op de eis in reconventie en de incidentele vordering waardoor het niet redelijk is om daar een extra punt voor toe te kennen.
3.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van Nailbar af,
in reconventie
4.2.
veroordeelt Nailbar om aan [onderneming] te betalen een bedrag van € 2.628,79, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
4.3.
veroordeelt Nailbar in de proceskosten van € 6.859,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over deze bedragen met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uit 4.2. en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.
5718 (MM)

Voetnoten

1.Artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in combinatie met artikel 6:75 BW Pro. Op grond van artikel 150 Rv Pro draagt [onderneming] de bewijslast.
3.E-mailbericht TNA van 8 september 2023, productie 14 aan de zijde van Nailbar.
4.Producties 5, 6 en 7 aan de zijde van Nailbar.
5.Productie 24 aan de zijde van [onderneming] .
6.Productie 29 aan de zijde van [onderneming] .
7.Brief d.d. 26 oktober 2024, productie 9 aan de zijde van Nailbar en brief d.d. 26 augustus 2024, productie 30 aan de zijde van [onderneming]