ECLI:NL:RBMNE:2025:6414

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
11770957 UC EXPL 25-5550
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding na ontbinding van een overeenkomst wegens tekortkomingen in de uitvoering van werkzaamheden

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen [eiser] en [gedaagde] B.V. [eiser] had een overeenkomst gesloten met [gedaagde] voor het schuren en lakken van zijn parketvloer, inclusief het vervangen van plinten. Na onvrede over de uitgevoerde werkzaamheden, waarbij gebreken werden vastgesteld door een expert, heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden. De kantonrechter oordeelde dat [gedaagde] tekortgeschoten was in de nakoming van de overeenkomst en dat [eiser] recht had op schadevergoeding. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] een bedrag van € 1.010,19 aan [eiser] moet betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 januari 2025. De rechter heeft ook geoordeeld dat de proceskosten voor [gedaagde] komen te liggen, omdat deze in het ongelijk is gesteld in zowel de conventie als de reconventie. De uitspraak benadrukt de onredelijkheid van bepaalde vervalbedingen in de algemene voorwaarden van [gedaagde] en bevestigt de rechten van consumenten in dergelijke overeenkomsten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11770957 \ UC EXPL 25-5550 RvdH/1037
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. Boes.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14,
- de conclusie van antwoord in conventie en van (voorwaardelijke) eis in reconventie met producties 1 tot en met 5,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 5 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn met elkaar overeengekomen dat [gedaagde] de parketvloer van [eiser] zou schuren en zou behandelen met drie lagen lak. Ook zouden de bestaande plinten worden vervangen door nieuwe. [eiser] is niet tevreden over het resultaat van de werkzaamheden. Hij heeft een expert ingeschakeld om het werk te beoordelen. De expert heeft een aantal gebreken vastgesteld. [gedaagde] heeft de klachten van [eiser] niet opgelost en [eiser] heeft de overeenkomst ontbonden. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] een schadevergoeding van € 1.010,19 aan [eiser] moet betalen.

3.De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
Het vorderingsrecht van [eiser] is niet vervallen
3.1.
[gedaagde] stelt dat het vorderingsrecht van [eiser] is vervallen op grond van artikel 14.11 van haar algemene voorwaarden. Daarin wordt een vervaltermijn van één jaar verbonden aan ‘alle vorderingsrechten en andere bevoegdheden van de opdrachtgever’.
3.2.
De kantonrechter overweegt dat artikel 14.11 een vervalbeding bevat, dat de wettelijke verjarings- en vervaltermijnen beoogt te vervangen. Volgens artikel 6:337 sub h BW wordt zo’n beding in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Tussen partijen staat vast dat [eiser] een consument is. [gedaagde] heeft niet gesteld dat het beding in dit specifieke geval niet onredelijk bezwarend is. De kantonrechter vernietigt daarom het beding op grond van artikel 6:233 BW. [eiser] is dus niet te laat met het instellen van zijn vorderingen.
3.3.
De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] inhoudelijk behandelen. [gedaagde] heeft de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van [eiser] als voorwaarde verbonden aan haar eis in reconventie, zodat ook die hierna wordt beoordeeld.
[gedaagde] heeft de opdracht niet goed uitgevoerd
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat de vloer met gebreken is opgeleverd.
3.5.
De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer [A] (hierna: [A] ). [eiser] stelt dat [A] de laklagen te schraal heeft aangebracht en dat hij de plinten niet volledig heeft geplaatst. [eiser] verwijst naar het rapport van expert [B] van de [onderneming] . [B] heeft op 16 januari 2024 de vloer geïnspecteerd. [gedaagde] is uitgenodigd voor deze inspectie, maar heeft van die uitnodiging geen gebruik gemaakt, omdat zij in de veronderstelling was dat alleen onderzocht zou worden of er olie of lak was gebruikt. Volgens [gedaagde] was dat het enige onderwerp van onderzoek en was zij er zeker van dat die klacht onterecht was. [eiser] heeft echter voorafgaand aan het onderzoek over meer punten geklaagd, zodat het voor risico van [gedaagde] blijft dat zij niet aanwezig was bij het onderzoek. [gedaagde] heeft evenmin op een ander moment de vloer ter plaatse bekeken, dan wel zelf een deskundige aangezocht.
3.6.
[gedaagde] betoogt dat niet kan worden vastgesteld dat de metingen van [B] betrouwbaar zijn, omdat de gegevens over de kalibratie van de meetapparatuur ontbreken. [gedaagde] voert daarnaast aan dat [B] onvoldoende rekening houdt met de voorschriften van de fabrikant en de productspecificaties van de toegepaste lak.
3.7.
[gedaagde] gaat eraan voorbij dat [B] op basis van een visuele inspectie (zonder de metingen) al tot de conclusie komt dat de vloer onvoldoende is gelakt.
Dat de vloer onvoldoende is gelakt, is volgens [B] te zien aan de schrale afwerklaag met vlekken. [gedaagde] heeft niet betwist dat de afwerklaag zichtbaar schraal is en vlekken heeft. Het is vanzelfsprekend dat [eiser] bij de renovatie van zijn vloer niet de uitstraling van een nieuwe parketvloer mocht verwachten, maar de kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de vloer had moeten opleveren zonder schrale plekken en vlekken die het gevolg zijn van restanten olie/lak van de oude parketvloer.
3.8.
[gedaagde] kan bij het bestaan van zulke plekken en vlekken geen beroep doen op artikel 9.5 en 9.7 van haar algemene voorwaarden waarin voor bepaalde (visuele) afwijkingen aansprakelijkheid wordt uitgesloten, omdat het kleur- en structuurverschil niet het gevolg is van het enkele feit dat hout een natuurproduct is. Het kleur- en structuurverschil uit zich in dit geval door een te schraal aangebrachte laklaag, over restanten olie en/of lak van de oude laag.
3.9.
Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de plinten niet volledig zijn aangebracht en dat vormt ook een tekortkoming.
3.10.
[eiser] stelt ten slotte dat [A] niet volgens de planning heeft gewerkt en dat hij daar om ook recht op vergoeding van (extra) verblijfskosten. Volgens [eiser] zijn partijen overeengekomen dat [A] op donderdag 9 november 2023 zou beginnen met de werkzaamheden. [A] is door omstandigheden op vrijdag 10 november 2023 begonnen. De kantonrechter overweegt dat niet is komen vast te staan dat [A] minder tijd aan het werk heeft besteed dan was vereist. [eiser] heeft dat niet onderbouwd. [gedaagde] heeft bovendien gemotiveerd betwist dat [A] al het werk op één dag heeft uitgevoerd; volgens [gedaagde] heeft [A] de eerste laklaag op vrijdagavond aangebracht en de vloer op zaterdagochtend afgelakt. Dat de werkzaamheden een dag later zijn begonnen, is daarom geen tekortkoming.
[eiser] heeft [gedaagde] voldoende gelegenheid voor herstel geboden
3.11.
De kantonrechter is van oordeel van [gedaagde] in verzuim verkeert, omdat [eiser] hem een redelijke termijn voor een oplossing heeft geboden en [gedaagde] de gebreken niet heeft opgelost. Hierbij is het volgende relevant.
Op 21 november 2023 heeft [eiser] voor het eerst geklaagd
3.12.
[eiser] heeft op 21 november 2023 voor het eerst geklaagd. Hij noemt in deze brief onder meer dat de behandeling niet egaal is op meerdere plekken en dat de plinten niet overal zijn geplaatst. [eiser] laat weten dat hij zijn meubels nog niet heeft teruggeplaatst en dat hij erop vertrouwt dat [gedaagde] het netjes en goed oppakt.
3.13.
Wat vermoedelijk voor ruis in de communicatie tussen partijen heeft gezorgd, is het feit dat [eiser] in de ingebrekestelling van 21 november 2023 beweert dat [A] olie heeft gebruikt, in plaats van lak. [gedaagde] betwist dat direct. De aandacht is hiermee verlegd van de gebreken aan de vloer naar een discussie over het gebruikte materiaal.
3.14.
[gedaagde] biedt na de ingebrekestelling van 21 november 2023 aan om de klachten door [A] te laten oplossen, maar [eiser] geeft op 24 november 2023 direct aan dat hij geen vertrouwen heeft in [A] . Na een aantal e-mailwisselingen zijn partijen het met elkaar eens dat er een expert ( [B] ) moet worden ingeschakeld.
[eiser] heeft [gedaagde] nogmaals in gebreke gesteld
3.15.
Na ontvangst van het rapport van [B] heeft [eiser] op 12 februari 2024 [gedaagde] opnieuw in gebreke gesteld. [eiser] erkent dat er lak is gebruikt. [eiser] verzoekt [gedaagde] om de vloer te reinigen, voorzichtig te schuren en nog een keer te lakken. [eiser] verzoekt [gedaagde] ook om de afdeklijsten af te maken en zo nodig te herstellen. [eiser] stelt een termijn van twee weken voor een reactie.
3.16.
[gedaagde] reageert op 14 februari 2024 op de ingebrekestelling met de mededeling dat [A] een voorstel heeft gedaan om de situatie naar tevredenheid op te lossen en dat [eiser] dit voorstel heeft afgewezen. [gedaagde] stemt niet in met die afwijzing.
[gedaagde] mocht niet vasthouden aan haar voorstel om [A] te laten herstellen
3.17.
Met de reactie van 14 februari 2024 heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter geen oplossing geboden voor de gebreken die [eiser] in zijn ingebrekestelling noemt. [gedaagde] verwijst [eiser] naar een aanbod dat [A] heeft gedaan, terwijl [gedaagde] de opdrachtnemer is die een oplossing moet aanbieden. [gedaagde] heeft dat niet binnen de gestelde termijn gedaan.
3.18.
De kantonrechter overweegt dat bovendien het niet redelijk is dat [gedaagde] sinds aanvang van de discussie tussen partijen voor een oplossing blijft verwijzen naar [A] , ondanks de bezwaren van [eiser] .
3.19.
[eiser] heeft destijds aan [gedaagde] uitgelegd waarom hij geen vertrouwen heeft in [A] . Zijn vermoeden over het gebruik van olie speelde daarbij een rol. Daarnaast woog voor [eiser] ook mee dat [A] volgens hem weinig professioneel communiceerde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij ook de indruk had dat de werkzaamheden aan zijn vloer voor [A] een haastklus waren geworden, doordat de planning kort voor aanvang werd gewijzigd. Hoewel achteraf is gebleken dat [eiser] ongelijk had over het gebruik van olie, verkeerde hij destijds in de veronderstelling dat [A] het werk niet goed had uitgevoerd. [eiser] baseerde die veronderstelling op het feit dat [A] na het werk afval had achtergelaten waarin twee lege olieblikken zaten. Dat afval bleek later van een andere klus, maar daar hoefde [eiser] niet van uit te gaan. Van hem kon namelijk niet worden verwacht dat hij afval van andere klussen moest afvoeren. De kantonrechter is van oordeel dat van [gedaagde] mocht worden verwacht om aan [eiser] , als consument, een andere oplossing te bieden dan vast te houden aan de inzet van [A] .
Herstelwerkzaamheden afhankelijk stellen van betaling is niet toegestaan
3.20.
[gedaagde] stelt ten slotte dat zij niet verplicht was tot herstel, omdat [eiser] haar factuur niet volledig heeft betaald. [gedaagde] verwijst hierbij naar artikel 11.3 van haar algemene voorwaarden.
3.21.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] geen beroep kan doen op artikel 11.3 van haar algemene voorwaarden, omdat dat beding onredelijk bezwarend is. In het artikel is bepaald dat [gedaagde] niet verplicht is tot herstel, als de opdrachtgever zich niet aan zijn verplichtingen houdt. Hierdoor wordt de bevoegdheid van [eiser] om zijn verplichtingen op te schorten beperkt. Een beding dat tot zo’n beperking strekt, wordt volgens artikel 6:236 sub c BW als onredelijk bezwarend aangemerkt als het deel uitmaakt van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter vernietigt het beding op grond van artikel 6:233 BW.
[gedaagde] moet een schadevergoeding van € 1.010,19 aan [eiser] betalen
3.22.
[eiser] heeft op 26 februari 2024 de overeenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden. [eiser] was daartoe bevoegd, omdat – zoals hiervoor is overwogen – [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en op 26 februari 2024 in verzuim verkeerde. [gedaagde] heeft in strijd met de eisen van goed en deugdelijk werk een vloer met een schrale afwerklaag en vlekken opgeleverd. Daarnaast zijn de plinten niet volledig gemonteerd. De kantonrechter is van oordeel dat deze gebreken samen een ontbinding rechtvaardigen.
3.23.
[gedaagde] is verplicht om [eiser] de schade te vergoeden die hij lijdt doordat geen nakoming, maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. [eiser] vordert betaling van een schadevergoeding van € 4.776,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2025 tot de voldoening. De kantonrechter wijst een deel daarvan toe. Hierna gaat de kantonrechter in op de schadeposten van [eiser] .
[gedaagde] moet € 440,00 aan verblijfskosten betalen
3.24.
[eiser] vordert een vergoeding voor de verblijfskosten van de eerste dag van de werkzaamheden door [gedaagde] . Hij stelt dat die kosten achteraf bezien niet gemaakt hoefde te worden, omdat de planning was gewijzigd. De kantonrechter verwijst naar hetgeen is overwogen onder 3.10. Deze kosten houden geen verband met de ontbinding. De kantonrechter heeft al overwogen dat het wijzigen van de planning geen tekortkoming is. De vergoeding voor de verblijfskosten van de eerste dag worden daarom afgewezen.
3.25.
De tijdelijke verblijfskosten voor de periode van het herstel (€ 1.100,00 voor tien nachten) worden beperkt tot € 440,00 voor vier nachten. De kantonrechter acht een bedrag van € 110,00 per nacht redelijk. De noodzaak om vanwege het herstel van de vloer langer dan vier dagen elders te verblijven is niet gebleken. Het is aannemelijk dat de woning de dag voor aanvang van de werkzaamheden deels moet worden leeggeruimd. Uit de opdrachtomschrijving van [gedaagde] blijkt dat de vloer na drie dagen weer belastbaar is. Ook kunnen meubels na drie dagen weer op hun plek worden geplaatst.
[gedaagde] moet de materiaalkosten van € 30,00 voor de plinten betalen
3.26.
[eiser] heeft zelf de ontbrekende plinten gemonteerd. Hij heeft ook een beschadigd stopcontact hersteld, maar [gedaagde] heeft weersproken dat de beschadiging door haar is veroorzaakt. [eiser] heeft niet verder onderbouwd dat deze schade het gevolg is van de werkzaamheden van [gedaagde] . De kosten van de plinten worden begroot op € 30,- en komen voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor het stopcontact en de tijd die [eiser] aan het herstel van de plinten heeft besteed, worden niet vergoed.
De kosten van expert [B] moeten partijen delen (€ 204,19 per partij)
3.27.
De kosten van [B] (€ 408,38) moeten door partijen worden gedeeld. Hoewel er ook andere gebreken aanleiding gaven voor het onderzoek, is de kantonrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de onterechte aantijging van [eiser] over het gebruik van olie in grote mate heeft bijgedragen aan de noodzaak van een deskundigenonderzoek. Dat betekent dat een deel van € 204,19 wordt toegewezen.
De schade in verband met de herstelkosten wordt begroot op € 836,00
3.28.
De herstelkosten heeft [eiser] begroot op € 1.235,00 en hij gaat er daarbij op basis van de offerte van [gedaagde] van uit dat de kosten voor één laag € 32,50 per m² bedragen. [gedaagde] heeft deze berekening gemotiveerd betwist en toegelicht dat de vloer niet opnieuw geschuurd hoeft te worden, maar slechts licht gepolijst moet worden. Daarna moet er een nieuwe laklaag worden aangebracht. De herstelwerkzaamheden per laag zijn dus niet hetzelfde als de oorspronkelijke werkzaamheden. [gedaagde] schat in dat de kosten niet meer dan € 10,00 per m² bedragen, maar heeft dat niet nader onderbouwd. De kantonrechter begroot de kosten voor herstel op € 22,00 per m² (x 38 m² = € 836,00 in totaal) en dat komt erop neer dat partijen het verschil tussen de door hen genoemde bedragen delen.
De reiskosten en het verlies aan werkbare uren en vrije tijd hoeft [gedaagde] niet te betalen
3.29.
De reiskosten van en naar het verblijf elders ter hoogte van € 33,60 worden afgewezen, omdat [eiser] ervoor heeft gekozen om een tijdelijk verblijf op 80 kilometer afstand van zijn woning te betrekken. Hij had deze kosten kunnen besparen door in zijn eigen woonplaats te verblijven. Dat dat niet mogelijk was heeft hij niet gesteld.
3.30.
De vergoeding vanwege het verlies aan werkbare uren en vrije tijd (€ 1.600,00) wordt afgewezen, omdat deze tijd volgens [eiser] is besteed aan de procedure en deze vordering dus neerkomt op een proceskostenvergoeding waarvoor forfaitaire bedragen gelden.
Het gevolg van het feit dat [eiser] niet de gehele factuur van [gedaagde] heeft betaald
3.31.
[eiser] heeft een deel van € 500,00 van de factuur van [gedaagde] niet betaald. [gedaagde] vordert in (voorwaardelijke) reconventie betaling van € 470,00 (€ 500,00-/- € 30,00 voor de ontbrekende plinten), maar die vordering is niet toewijsbaar omdat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden. De grondslag voor betaling ontbreekt daardoor.
3.32.
Bij de berekening van de schadevergoeding wordt wel rekening gehouden met het feit dat [eiser] € 500,00 onbetaald heeft gelaten. Als [gedaagde] de overeenkomst wel volledig was nagekomen, had [eiser] in totaal € 1.645,46 aan [gedaagde] moeten betalen. Omdat [gedaagde] is tekortgeschoten heeft [eiser] maar € 1.145,46 aan [gedaagde] betaald. Daarnaast wordt zijn vermogensschade begroot op € 1.510,19 (het totaal van de toewijsbare schadeposten). Het verschil tussen de theoretische vermogenssituatie van [eiser] waarin [gedaagde] correct zou zijn nagekomen en de huidige vermogenssituatie waarin [eiser] wordt geconfronteerd met kosten vanwege herstel als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] is € 1.010,19 (€ 1.145,46 + € 1.510,19 -/- € 1.645,46).
3.33.
[gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 1.010,19 aan [eiser] . Zij is daarover de wettelijke rente verschuldigd met ingang van 14 januari 2025, omdat [eiser] de rente vanaf die datum vordert en [gedaagde] toen in verzuim verkeerde.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.34.
[gedaagde] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
257,00
Totaal
401,47
3.35.
Omdat [eiser] in persoon procedeert worden de verletkosten voor conventie en reconventie samen op € 50,00 begroot.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.010,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 401,47,
4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 50,00,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1, 4.2 en 4.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.