In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een verhuurder, aangeduid als [eiser], en een huurder, aangeduid als [gedaagde]. De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, omdat de huurder in de afgelopen jaren regelmatig te laat de huur had betaald. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurder zijn verplichtingen niet goed nakomt, maar oordeelt dat de tekortkomingen op dat moment niet zo ernstig zijn dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. De huurder mag in de woning blijven wonen.
De procedure begon met een dagvaarding en omvatte een mondelinge behandeling op 5 november 2025. De kantonrechter heeft de vorderingen van de verhuurder afgewezen, omdat de huurder sinds de aanvang van de huurovereenkomst in maart 2016 niet meer dan één keer een huurachterstand van meer dan een maand heeft gehad. De kantonrechter heeft ook opgemerkt dat de verhuurder de huurder eerder had gewaarschuwd voor ontbinding, maar dat de omstandigheden niet voldoende waren om de huurovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft de huurder erop gewezen dat hij zijn verplichtingen moet nakomen en dat een volgende tekortkoming in de huurbetalingen nadelige gevolgen kan hebben.
De verhuurder is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van de huurder betalen, die zijn begroot op € 50,00. De kantonrechter heeft de verhuurder veroordeeld om deze kosten binnen veertien dagen te betalen, te vermeerderen met eventuele kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet.