Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:6427

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
UTR 24/6666
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar inzake aanleg inrit gemeente Almere

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere om zijn verzoek tot aanleg van een inrit af te wijzen. Dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet was gericht tegen een publiekrechtelijke handeling.

De rechtbank heeft beoordeeld of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan met een publiekrechtelijk rechtsgevolg. De brief van 15 juli 2024, waarin het verzoek tot aanleg van de inrit werd afgewezen, betreft echter een privaatrechtelijke rechtshandeling omdat de aanleg van een inrit in Almere niet vergunningplichtig is en toestemming van de eigenaar van de openbare ruimte vereist is, hier de gemeente als grondeigenaar.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevoerde argumenten van eiser leiden niet tot een ander oordeel. Omdat het bezwaar niet-ontvankelijk was, was een hoorzitting niet vereist. Het beroep tegen deze beslissing is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: B.M.E. Kunst).

Procesverloop

Verweerder heeft met het besluit van 15 juli 2024 het verzoek van eiser tot aanleggen van een inrit afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 17 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet tegen een publiekrechtelijke handeling was gericht. Eiser heeft op 25 oktober 2024 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Op 11 november 2024 zijn de beroepsgronden van eiser ontvangen. Verweerder heeft op 12 december 2024 laten weten niet met een verweerschrift te zullen reageren. Hij verwijst naar de beslissing op bezwaar van 17 september 2024.
Partijen zijn bij brief van 16 juli 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. Bij uitblijven van een reactie heeft de rechtbank afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

1.Het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Almere (verweerder) heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet tegen een publiekrechtelijke handeling is gericht. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brief van 15 juli 2024 is niet op een publiekrechtelijk rechtsgevolg gericht, maar op een privaatrechtelijk rechtsgevolg. Het realiseren van een inrit/uitrit is in de gemeente Almere niet onderworpen aan een vergunningsvereiste. Voor de realisatie van een inrit/uitrit is toestemming nodig van de eigenaar van de openbare ruimte. In dit geval is de eigenaar de gemeente als grondeigenaar en dat maakt dit een privaatrechtelijke rechtshandeling. [2] Anders dan eiser stelt is geen sprake van een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet, noch van een vergunningsplicht op grond van de Wabo.
4. Omdat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, hoefde eiser in bezwaar om die reden ook niet gehoord te worden. Wat eiser heeft aangevoerd is geen reden om hier anders over te denken.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).