3.1Ten aanzien van de lasten onder dwangsom beroept verzoeker zich eveneens op het gerechtvaardigde vertrouwen dat hiervan in afwachting van de uitspraak van de Afdeling geen sprake zou zijn. Verder bestaat volgens verzoeker concreet zicht op legalisatie. Hij heeft op 18 september 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend en die vergunning moet worden verleend omdat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan. Op de plankaart staat namelijk geen specifieke bouwaanduiding-2, zodat de beperkende uitzonderingsbepaling voor vakantiepark [vakantiepark] niet van toepassing is.
4. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanhangige bestemmingsplanprocedure geen reden is om niet tot invordering van een eerder opgelegde last onder dwangsom van 28 januari 2021 over te gaan, noch om af te zien van het opleggen van nieuwe lasten onder dwangsom. Er is geen concreet zich op legalisatie en de belangen van verzoeker geven ook geen reden om af te zien van handhavend optreden. Ook overigens zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan niet gehandhaafd kan worden.
5. De derde-partij vindt dat het college voortvarend moet optreden tegen de overtreding. Zij vindt dat vooral nodig uit het oogpunt van rechtszekerheid voor alle (toekomstige) bewoners van het vakantiepark [vakantiepark] . Het moet duidelijk zijn wat er wel en niet mag en wat bewoners kunnen verwachten.
Hoe oordeelt de voorzieningenrechter?
6. De voorzieningenrechter zal hierna eerst ingaan op de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Daarbij staat de voorzieningenrechter voor de vraag of de besluiten naar verwachting, eventueel met herstel van gebreken, bij de heroverweging in bezwaar in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter zal vervolgens de relevante belangen tegen elkaar afwegen.
Rechtmatigheid van de besluiten
7. De Afdeling heeft op 28 augustus 2024 vastgesteld dat het college met de last onder dwangsom van 28 januari 2021 terecht handhavend is opgetreden tegen de illegale recreatiewoning en berging van verzoeker. Wel heeft de Afdeling de begunstigingstermijn tot vier maanden na verzending van zijn uitspraak verlengd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college daarna geen besluit meer heeft genomen tot verlenging van die termijn. De termijn om de recreatiewoning en berging aan te passen liep dus af vier maanden na verzending van de Afdelingsuitspraak. Eventuele opgewekte verwachtingen maken dat niet anders. Wel zouden die een rol kunnen spelen bij de vraag of er redenen zijn om af te zien van invordering en handhaving. Daar gaat de voorzieningenrechter later op in.
8. Verder staat vast dat verzoeker ten tijde van het nemen van het invorderingsbesluit en het opleggen van de lasten onder dwangsom van 2 september 2025 verzoeker de recreatiewoning en berging nog niet had aangepast, terwijl ze nog steeds niet pasten in het bestemmingplan. Er was dus naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij het nemen van de besluiten sprake van een overtreding. Voor de invordering betekent dit dat de dwangsom van rechtswege is verbeurd en dat het college in beginsel verplicht is om die dwangsom in te vorderen. Verder is het college ook in beginsel verplicht om handhavend op te treden tegen de geconstateerde (voortzetting van de) overtreding.
De uitzondering op die beginselplicht van het college is echter dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgezien van handhaving en/of invordering.
9. De voorzieningenrechter concludeert dat het college zich dus terecht op het standpunt stelt dat sprake is van overtredingen. Het college is daarom verplicht om tot invordering en handhaving over te gaan, tenzij sprake is van voornoemde bijzondere omstandigheden. Waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft het college echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet deugdelijk gemotiveerd in zijn besluiten. Ook in het verweerschrift en op de zitting heeft het college hier geen overtuigende motivering voor gegeven.
10. Dit wringt te meer, nu de Afdeling naar verwachting binnenkort uitspraak zal doen op het beroep van verzoeker tegen de voor vakantiepark [vakantiepark] geldende bouwregels in het bestemmingsplan en het college zich na de Afdelingsuitspraak van 28 augustus 2024 tot aan het nemen van de bestreden besluiten steeds op het standpunt heeft gesteld dat de uitspraak over het bestemmingsplan moet worden afgewacht alvorens beslissingen over het handhavingtraject kunnen worden genomen. Dat standpunt blijkt afdoende uit de door verzoeker overgelegde (email)correspondentie en het verslag van de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften. Ook blijkt dit uit de opmerking in het invorderingsbesluit en in de last onder dwangsom met betrekking tot de berging dat de komende uitspraak van de Afdeling uiteraard zal worden meegenomen in het vervolg van de procedure. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat het college het niet uitsluit dat de uitspraak van de Afdeling kan leiden tot de conclusie dat wegens bijzondere omstandigheden moet worden afgezien van invordering en verdere handhaving. Daar komt nog bij dat verzoeker, door de houding en mededelingen van het college ervan is uitgegaan dat hij vooralsnog de recreatiewoning en berging niet hoefde aan te passen en dat daarover verder gepraat zou worden na de Afdelingsuitspraak over het bestemmingsplan. In dat licht bezien is het onbegrijpelijk hoe het college in de bestreden besluiten plots tot de conclusie komt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij de voorzieningenrechter bestaat de indruk dat het college zich onder druk gezet heeft gevoeld door het beroep van de derde-partij tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om de verbeurde dwangsom in te vorderen en de daaropvolgende opdracht van de rechtbank om alsnog op dat verzoek een besluit te nemen. De voorzieningenrechter merkt daarover echter op dat dergelijke ervaren druk een bestuursorgaan niet ontslaat van zijn verplichting om consistent te handelen en goed gemotiveerde besluiten te nemen.
11. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de bestreden besluiten lijden aan een motiveringsgebrek. Of dat gebrek in de beslissingen op bezwaar nog kan worden hersteld, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onzeker. De aanstaande uitspraak van de Afdeling kan daarbij vanzelfsprekend een rol spelen, maar ook de afweging die het college zelf maakt ten aanzien van de vraag of in dit geval, gezien de hele voorgeschiedenis, sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat niet meer tot invordering en verdere handhaving moet worden overgegaan. Ook zal de nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning van 18 september 2025 daarbij betrokken moeten worden. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een afweging van de relevante belangen.
12. De voorzieningenrechter is, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat het belang van verzoeker zwaarder moet wegen dan het algemeen belang bij een adequate handhaving tegen overtredingen of het belang van de derde-partij bij rechtszekerheid voor de bewoners van het vakantiepark [vakantiepark] . Het belang van verzoeker is erin gelegen dat hij de verbeurde dwangsom van € 20.000,- niet hoeft te betalen en de recreatiewoning en berging niet hoeft aan te passen, voordat er duidelijkheid bestaat over wat volgens de Afdeling planologisch is toegestaan op het perceel en het college naar aanleiding daarvan een weloverwogen besluit over het al dan niet voortzetten van het handhavingstraject heeft kunnen nemen.