ECLI:NL:RBMNE:2025:6444

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/6237, UTR 25/6574 en UTR 25/6575
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing invorderingsbesluit en handhavingslasten recreatiewoning en berging

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland behandelde op 28 november 2025 de verzoeken om voorlopige voorziening tegen drie besluiten van 2 september 2025 betreffende een dwangsom van €20.000,-, en handhavingslasten met dwangsommen van €40.000,- en €5.000,- per week voor een recreatiewoning met overkapping en een berging op een perceel te [plaats 2]. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en stelde dat het college gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat de begunstigingstermijn zou worden verlengd in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over het bestemmingsplan.

Het college handhaafde de besluiten en stelde dat er geen concrete zicht was op legalisatie en dat handhaving noodzakelijk was. De derde-partij steunde het college en benadrukte het belang van rechtszekerheid voor bewoners van het vakantiepark. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht stelde dat er sprake was van overtredingen, maar dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom niet afgezien kon worden van invordering en handhaving, zeker gezien de eerdere communicatie en het aanstaande oordeel van de Afdeling.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het motiveringsgebrek en de belangenafweging ertoe leiden dat het invorderingsbesluit en de dwangsombeschikkingen geschorst worden tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoeker. De uitspraak is in het openbaar gedaan door voorzieningenrechter R.C. Stijnen.

Uitkomst: Het invorderingsbesluit en de lasten onder dwangsom worden geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6237, 25/6574 en 25/6575
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 november 2025 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker] e.a., uit ' [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.C.W. van Eekeren),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug

(gemachtigde: V. Scholten).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] uit ’ [plaats 1] (de derde-partij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige
voorzieningen van verzoeker tegen 3 verschillende besluiten, elk van 2 september 2025:
  • het besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 20.000,- (25/6037);
  • het besluit, waarbij aan verzoeker is gelast de overtreding ten aanzien van de recreatiewoning met overkapping aan de [adres] , nummer [nummer] , te [plaats 2] , kadastraal bekend sectie [sectie] perceelnummer [perceelnummer] (het perceel) uiterlijk 1 december 2025 te beëindigen. Indien verzoeker hier niet aan voldoet, verbeurt hij een dwangsom ineens van € 40.000,- (25/6574);
  • het besluit, waarbij aan verzoeker is gelast de overtreding ten aanzien van de berging op het perceel uiterlijk 1 december 2025 te beëindigen. Indien verzoeker hier niet aan voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 5000,- per week dat de overtreding niet is beëindigd, met een maximum van € 10.000,- (25/6575).
1.1
Verzoeker heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
1.2
Het college heeft op het verzoek met betrekking tot het invorderingsbesluit gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en de derde-partij.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter schorst het invorderingsbesluit en de beide lasten onder
dwangsom tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Wat vinden partijen?
3. Verzoeker voert met betrekking tot het invorderingsbesluit aan dat de dwangsom niet is verbeurd. Het college heeft namelijk bij verzoeker het gerechtvaardigde vertrouwen opgewekt dat de begunstigingstermijn, die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 28 augustus 2024 [1] heeft verlengd tot met vier maanden na de verzending van de uitspraak, verder wordt verlengd totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het beroep van verzoeker tegen het bestemmingsplan “Recreatieterreinen Utrechtse Heuvelrug” (het bestemmingsplan). Verzoeker heeft in dit verband gewezen op uitgebreide (e-mail)correspondentie met de behandelend handhavingsjurist van de gemeente. Ook heeft verzoeker gewezen op het raadsvoorstel van het college, inhoudend om de afwijkende bouwregels in het bestemmingsplan voor vakantiepark [vakantiepark] te schrappen. Tot slot heeft verzoeker gewezen op de mededeling van het college tijdens de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften van 24 juni 2025 over de afwijzing van 24 december 2024 van het handhavingsverzoek van de derde-partij met betrekking tot de berging op het perceel. Het college heeft daar aangegeven dat het geen voorbarige beslissingen wil nemen en wil wachten op de uitspraak van de Afdeling en het definitieve bestemmingsplan.
Voor zover de dwangsom toch zou zijn verbeurd, is volgens verzoeker op grond van deze omstandigheden sprake van een bijzonder geval waarin moet worden afgezien van invordering van de dwangsom.
3.1
Ten aanzien van de lasten onder dwangsom beroept verzoeker zich eveneens op het gerechtvaardigde vertrouwen dat hiervan in afwachting van de uitspraak van de Afdeling geen sprake zou zijn. Verder bestaat volgens verzoeker concreet zicht op legalisatie. Hij heeft op 18 september 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend en die vergunning moet worden verleend omdat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan. Op de plankaart staat namelijk geen specifieke bouwaanduiding-2, zodat de beperkende uitzonderingsbepaling voor vakantiepark [vakantiepark] niet van toepassing is.
4. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanhangige bestemmingsplanprocedure geen reden is om niet tot invordering van een eerder opgelegde last onder dwangsom van 28 januari 2021 over te gaan, noch om af te zien van het opleggen van nieuwe lasten onder dwangsom. Er is geen concreet zich op legalisatie en de belangen van verzoeker geven ook geen reden om af te zien van handhavend optreden. Ook overigens zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan niet gehandhaafd kan worden.
5. De derde-partij vindt dat het college voortvarend moet optreden tegen de overtreding. Zij vindt dat vooral nodig uit het oogpunt van rechtszekerheid voor alle (toekomstige) bewoners van het vakantiepark [vakantiepark] . Het moet duidelijk zijn wat er wel en niet mag en wat bewoners kunnen verwachten.
Hoe oordeelt de voorzieningenrechter?
6. De voorzieningenrechter zal hierna eerst ingaan op de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Daarbij staat de voorzieningenrechter voor de vraag of de besluiten naar verwachting, eventueel met herstel van gebreken, bij de heroverweging in bezwaar in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter zal vervolgens de relevante belangen tegen elkaar afwegen.
Rechtmatigheid van de besluiten
7. De Afdeling heeft op 28 augustus 2024 vastgesteld dat het college met de last onder dwangsom van 28 januari 2021 terecht handhavend is opgetreden tegen de illegale recreatiewoning en berging van verzoeker. Wel heeft de Afdeling de begunstigingstermijn tot vier maanden na verzending van zijn uitspraak verlengd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college daarna geen besluit meer heeft genomen tot verlenging van die termijn. De termijn om de recreatiewoning en berging aan te passen liep dus af vier maanden na verzending van de Afdelingsuitspraak. Eventuele opgewekte verwachtingen maken dat niet anders. Wel zouden die een rol kunnen spelen bij de vraag of er redenen zijn om af te zien van invordering en handhaving. Daar gaat de voorzieningenrechter later op in.
8. Verder staat vast dat verzoeker ten tijde van het nemen van het invorderingsbesluit en het opleggen van de lasten onder dwangsom van 2 september 2025 verzoeker de recreatiewoning en berging nog niet had aangepast, terwijl ze nog steeds niet pasten in het bestemmingplan. Er was dus naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij het nemen van de besluiten sprake van een overtreding. Voor de invordering betekent dit dat de dwangsom van rechtswege is verbeurd en dat het college in beginsel verplicht is om die dwangsom in te vorderen. Verder is het college ook in beginsel verplicht om handhavend op te treden tegen de geconstateerde (voortzetting van de) overtreding.
De uitzondering op die beginselplicht van het college is echter dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgezien van handhaving en/of invordering.
9. De voorzieningenrechter concludeert dat het college zich dus terecht op het standpunt stelt dat sprake is van overtredingen. Het college is daarom verplicht om tot invordering en handhaving over te gaan, tenzij sprake is van voornoemde bijzondere omstandigheden. Waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft het college echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet deugdelijk gemotiveerd in zijn besluiten. Ook in het verweerschrift en op de zitting heeft het college hier geen overtuigende motivering voor gegeven.
10. Dit wringt te meer, nu de Afdeling naar verwachting binnenkort uitspraak zal doen op het beroep van verzoeker tegen de voor vakantiepark [vakantiepark] geldende bouwregels in het bestemmingsplan en het college zich na de Afdelingsuitspraak van 28 augustus 2024 tot aan het nemen van de bestreden besluiten steeds op het standpunt heeft gesteld dat de uitspraak over het bestemmingsplan moet worden afgewacht alvorens beslissingen over het handhavingtraject kunnen worden genomen. Dat standpunt blijkt afdoende uit de door verzoeker overgelegde (email)correspondentie en het verslag van de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften. Ook blijkt dit uit de opmerking in het invorderingsbesluit en in de last onder dwangsom met betrekking tot de berging dat de komende uitspraak van de Afdeling uiteraard zal worden meegenomen in het vervolg van de procedure. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat het college het niet uitsluit dat de uitspraak van de Afdeling kan leiden tot de conclusie dat wegens bijzondere omstandigheden moet worden afgezien van invordering en verdere handhaving. Daar komt nog bij dat verzoeker, door de houding en mededelingen van het college ervan is uitgegaan dat hij vooralsnog de recreatiewoning en berging niet hoefde aan te passen en dat daarover verder gepraat zou worden na de Afdelingsuitspraak over het bestemmingsplan. In dat licht bezien is het onbegrijpelijk hoe het college in de bestreden besluiten plots tot de conclusie komt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij de voorzieningenrechter bestaat de indruk dat het college zich onder druk gezet heeft gevoeld door het beroep van de derde-partij tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om de verbeurde dwangsom in te vorderen en de daaropvolgende opdracht van de rechtbank om alsnog op dat verzoek een besluit te nemen. De voorzieningenrechter merkt daarover echter op dat dergelijke ervaren druk een bestuursorgaan niet ontslaat van zijn verplichting om consistent te handelen en goed gemotiveerde besluiten te nemen.
11. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de bestreden besluiten lijden aan een motiveringsgebrek. Of dat gebrek in de beslissingen op bezwaar nog kan worden hersteld, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onzeker. De aanstaande uitspraak van de Afdeling kan daarbij vanzelfsprekend een rol spelen, maar ook de afweging die het college zelf maakt ten aanzien van de vraag of in dit geval, gezien de hele voorgeschiedenis, sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat niet meer tot invordering en verdere handhaving moet worden overgegaan. Ook zal de nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning van 18 september 2025 daarbij betrokken moeten worden. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een afweging van de relevante belangen.
Belangenafweging
12. De voorzieningenrechter is, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat het belang van verzoeker zwaarder moet wegen dan het algemeen belang bij een adequate handhaving tegen overtredingen of het belang van de derde-partij bij rechtszekerheid voor de bewoners van het vakantiepark [vakantiepark] . Het belang van verzoeker is erin gelegen dat hij de verbeurde dwangsom van € 20.000,- niet hoeft te betalen en de recreatiewoning en berging niet hoeft aan te passen, voordat er duidelijkheid bestaat over wat volgens de Afdeling planologisch is toegestaan op het perceel en het college naar aanleiding daarvan een weloverwogen besluit over het al dan niet voortzetten van het handhavingstraject heeft kunnen nemen.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het invorderingsbesluit en de lasten onder dwangsom te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
14. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet het college het griffierecht in die zaken aan verzoeker vergoeden. Daarnaast krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten in die zaken. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft voor het invorderingsbesluit een verzoek ingediend en voor de beide lasten onder dwangsom samen één verzoekschrift ingediend, en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal (3x € 907,- =) 2.721,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst het invorderingsbesluit van 2 september 2025 (25/6237) tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
  • schorst het handhavingsbesluit van 2 september 2025 met betrekking tot de recreatiewoning met overkapping (25/6574) tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
  • schorst het handhavingsbesluit van 2 september 2025 met betrekking tot de berging (25/6575) tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
  • veroordeelt het college tot betaling van een proceskostenvergoeding aan verzoeker ter hoogte van € 2.721,-;
  • bepaalt dat het college drie keer het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025 door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3496