ECLI:NL:RBMNE:2025:6464

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
C/16/596418 / FT RK 25/670
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een dwangakkoord in een schuldsaneringsprocedure met toewijzing van de WSNP

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 10 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in het kader van de schuldsanering van een alleenstaande man, hierna te noemen verzoeker. Verzoeker, die eerder als zzp-er in de bouw werkte, heeft door een burn-out zijn werk moeten staken en ontvangt sindsdien een PW-uitkering. Hij heeft een totale schuldenlast van € 43.498,29 bij 19 schuldeisers en heeft een nul-aanbod gedaan aan zijn schuldeisers, wat inhoudt dat hij geen maandelijkse afloscapaciteit heeft. De meeste schuldeisers hebben ingestemd met deze regeling, behalve één schuldeiser, hierna te noemen schuldeiser, die een vordering heeft van € 1.961,70. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om schuldeiser te bevelen in te stemmen met de schuldregeling.

De rechtbank heeft het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord afgewezen. De rechtbank oordeelde dat schuldeiser in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, gezien het feit dat er geen enkele betaling wordt aangeboden. De rechtbank benadrukte dat het belang van verzoeker bij een minnelijke regeling niet opweegt tegen het belang van schuldeiser en de overige schuldeisers bij een wettelijke regeling. De rechtbank heeft vervolgens de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van verzoeker, met een looptijd van zes maanden. De rechtbank benoemde mr. G. Konings tot rechter-commissaris en stelde de bewindvoerder aan. Dit vonnis is openbaar uitgesproken op 6 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/596418 / FT RK 25/670
uitspraakdatum: 10 november 2025
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord)
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
tegen
de besloten vennootschap
[schuldeiser] B.V.,
voorheen genaamd [voorheen genaamd] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtdeurwaarders te Groningen (LAVG),
hierna: [schuldeiser] ,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het op 11 juli 2025 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.);
  • het schriftelijke verweer van LAVG, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 19 augustus 2025;
  • de mondelinge behandeling van genoemd verzoekschrift op 1 september 2025. Hierbij is alleen schuldhulpverlener de heer [A] (Werk en Inkomen Lekstroom) verschenen;
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden 1 september 2025. Omdat [verzoeker] niet was verschenen, werd de behandeling aangehouden. Inhoudelijke behandeling heeft vervolgens plaatsgevonden op 3 november 2025. Hierbij is [verzoeker] verschenen met schuldhulpverlener de heer [A] .

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is een alleenstaande man van 31 jaar oud. Tot maart 2024 was hij werkzaam als zzp-er in de bouw. Hij is hiermee gestopt toen hij een burn-out kreeg. Sindsdien ontvangt hij een PW-uitkering. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij psychische klachten ervaart. Hij is hiervoor sinds kort in behandeling bij een psycholoog.
Volgens de schuldhulpverlener is [verzoeker] niet in staat om te werken en zal zijn belastbaarheid na een zorgtraject zorgvuldig moeten worden opgebouwd.
2.2.
[verzoeker] heeft op 13 januari 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt in dat er een zogeheten ‘nul-aanbod’ is gedaan aan zijn schuldeisers, omdat [verzoeker] geen maandelijkse afloscapaciteit heeft. Er is geen sprake van een zogenaamd prognoseaanbod. Dit betekent dat de afloscapaciteit niet gedurende een periode van 18 maanden opnieuw wordt beoordeeld. Het komt er dus op neer dat aan alle schuldeisers is gevraagd in te stemmen met kwijtschelding van hun schuld.
2.3.
[verzoeker] heeft een totale schuldenlast van € 43.498,29 bij 19 schuldeisers.
2.4.
De onder 2.2. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers aanvaard behalve door [schuldeiser] . [schuldeiser] heeft niet ingestemd. De vordering van [schuldeiser] bedraagt
€ 1.961,70, waarmee een aandeel van 4,5 % wordt vertegenwoordigd van de totale schuldenlast van [verzoeker] .

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] heeft in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de onder 2.2. bedoelde schuldregeling.
3.2.
In het verzoek is betoogd dat de kosten van een wettelijke schuldsaneringsregeling niet zullen opwegen tegen de kosten van het minnelijk traject (die zijn er niet) en het belang van [verzoeker] bij het slagen van de minnelijke regeling.

4.De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als de weigerende schuldeiser ( [schuldeiser] ) in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker ( [verzoeker] ) of van zijn andere schuldeisers, die door die weigering worden geschaad. Daarbij dient tevens een vergelijking te worden gemaakt met de situatie dat [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling zou worden toegelaten.
4.2.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om volledige betaling van een vordering te verlangen. Nu het voorstel van [verzoeker] voorziet in een lagere uitkering dan bij volledige betaling (in dit geval geen enkele betaling), is het belang van [schuldeiser] bij weigering van het voorstel een gegeven.
4.3.
[schuldeiser] heeft in het kort gezegd het volgende verweer gevoerd. De motivering bij het verzoek ontbreekt. Niet duidelijk is waarom [schuldeiser] zou moeten instemmen met het verzoek. Ook is er voor [schuldeiser] geen enkel belang om in te stemmen met een voorstel waarin 0,00 % wordt aangeboden. Wanneer [verzoeker] tot de Wsnp zou worden toegelaten zou hij in een vergelijkbaar traject terecht komen met betere waarborgen voor de schuldeisers om wel een uitdeling op hun vordering te krijgen. Daarnaast is onduidelijk of hetgeen dat nu wordt aangeboden het maximaal haalbare is. Er wordt namelijk uitgegaan van de situatie dat het inkomen van [verzoeker] (PW-uitkering) niet zal wijzigen, omdat hij de komende periode niet in staat zou zijn om te werken. Dit is niet onderbouwd met medische stukken. Wanneer [verzoeker] fulltime zou werken zou hij aanzienlijk meer kunnen verdienen en maandelijks kunnen afdragen aan de schuldeisers.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat [schuldeiser] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Waar bij dwangakoordverzoeken doorgaans sprake is van een financieel voordeel voor schuldeisers om in te stemmen met een minnelijke regeling (immers de kosten van een minnelijke regeling zijn lager dan de kosten van de Wsnp), is dat in dit geval niet aan de orde. Er wordt € 0,00 aangeboden aan de schuldeisers. Op basis van dit aanbod is er geen enkel belang voor een schuldeiser om in te stemmen met het voorstel, ook niet bij andere schuldeisers dan [schuldeiser] . Wanneer [verzoeker] tot de wettelijke schuldsanering zou worden toegelaten komt hij in een vergelijkbaar traject terecht, maar wel een traject met betere waarborgen voor een zo hoog mogelijke afdracht aan de schuldeisers. Het wettelijke traject omvat immers afdwingbare verplichtingen waaraan [verzoeker] zich gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling moet houden, zoals een inspannings- en informatieverplichting. Als [verzoeker] gedurende de looptijd inkomsten of vermogen verwerft, wordt dat aan de schuldeisers uitgedeeld. In dit geval is er een weliswaar kleine, maar wel reële kans dat dit zal gebeuren. [verzoeker] heeft gesteld op dit moment niet te kunnen werken, maar deze stelling wordt niet onderbouwd met objectieve medische gegevens. De aangeboden minnelijke regeling voorziet ook niet in een herbeoordeling vanhet inkomen en vermogen van [verzoeker] .
4.6.
Het belang van [verzoeker] bij een minnelijke schuldregeling is daarnaast beperkt. [verzoeker] heeft ook bij een wettelijke regeling, uitzicht op een sanering van zijn schulden. Daarnaast wordt de tijd die de minnelijke regeling heeft gelopen, afgetrokken van de looptijd van de wettelijke regeling. Onder dergelijke omstandigheden weegt het belang van [verzoeker] bij een minnelijke regeling niet op tegen het belang van [schuldeiser] en de overige schuldeisers bij toepassing van een wettelijke regeling. Om die reden dient het verzoek dwangakkoord van [verzoeker] te worden afgewezen.
4.7.
[verzoeker] heeft verklaard na afwijzing van het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven.
4.8.
Uit het verzoekschrift en hetgeen ter zitting is besproken is geen grond van afwijzing van het schuldsaneringsverzoek gebleken.
4.9.
Gelet op artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet duurt de schuldsaneringsregeling normaal 18 maanden. In dit geval is [verzoeker] al eerder begonnen met de schuldregeling. Volgens informatie van de schuldhulpverlener is deze gestart op
7 november 2024. Vanaf dat moment zou [verzoeker] zijn gaan sparen voor zijn schuldeisers, als hij op grond van zijn inkomen afloscapaciteit zou hebben. Nu op dat moment door de schuldhulpverlener is vastgesteld dat [verzoeker] geen afloscapaciteit heeft, geldt dat moment als de ingangsdatum voor de schuldregeling. [1] De duur van de Wsnp kan daarom korter zijn.
4.10.
Het gevolg is dat [verzoeker] vanaf vandaag nog zes maanden verplicht is te voldoen aan de inspannings- en afdrachtverplichting. [verzoeker] moet gedurende de gehele looptijd van de schuldsaneringsregeling voldoen aan de verplichting om informatie te geven. Wat [verzoeker] vanaf vandaag aan bezittingen heeft of zal krijgen, moet worden gebruikt om de schulden af te lossen.
4.11.
Gelet op artikel 295 lid 3 van de Faillissementswet.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord af;
5.2.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
5.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. G. Konings, lid van deze rechtbank, en tot bewindvoerder de heer [beschermingsbewindvoerder] , adres: [adres] , [postcode] [plaats] ,
5.4.
stelt de looptijd van de schuldsaneringsregeling vast op zes maanden;
5.5.
stelt als voorschot, als het boedelactief daarvoor toereikend is, het salaris van de bewindvoerder vast op het bedrag dat geldt op grond van artikel 2 van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling;
5.6.
verklaart dat eventueel gelegd(e) beslagen(en) ten laste van [verzoeker] vervallen;
5.7.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van de aan [verzoeker] gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op
6 november 2025. [2]

Voetnoten

1.HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913