In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 10 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in het kader van de schuldsanering van een alleenstaande man, hierna te noemen verzoeker. Verzoeker, die eerder als zzp-er in de bouw werkte, heeft door een burn-out zijn werk moeten staken en ontvangt sindsdien een PW-uitkering. Hij heeft een totale schuldenlast van € 43.498,29 bij 19 schuldeisers en heeft een nul-aanbod gedaan aan zijn schuldeisers, wat inhoudt dat hij geen maandelijkse afloscapaciteit heeft. De meeste schuldeisers hebben ingestemd met deze regeling, behalve één schuldeiser, hierna te noemen schuldeiser, die een vordering heeft van € 1.961,70. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om schuldeiser te bevelen in te stemmen met de schuldregeling.
De rechtbank heeft het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord afgewezen. De rechtbank oordeelde dat schuldeiser in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, gezien het feit dat er geen enkele betaling wordt aangeboden. De rechtbank benadrukte dat het belang van verzoeker bij een minnelijke regeling niet opweegt tegen het belang van schuldeiser en de overige schuldeisers bij een wettelijke regeling. De rechtbank heeft vervolgens de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van verzoeker, met een looptijd van zes maanden. De rechtbank benoemde mr. G. Konings tot rechter-commissaris en stelde de bewindvoerder aan. Dit vonnis is openbaar uitgesproken op 6 november 2025.