ECLI:NL:RBMNE:2025:6483

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/16/594819 / FO RK 25-723
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253r BWArt. 1:253q BWArt. 1:253n BWArt. 1:251a lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder wegens afwezigheid en onbereikbaarheid vader

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de moeder verzocht om het gezag over hun minderjarige kind eenhoofdig aan haar toe te wijzen. De vader is sinds lange tijd onbereikbaar en heeft geen contact met het kind, waardoor het gezamenlijke gezag niet langer werkbaar is.

De vader is sinds 2022 nauwelijks betrokken geweest bij het leven van de minderjarige en reageert niet op communicatiepogingen. De rechtbank heeft eerder het gezag van de vader van rechtswege geschorst vanwege zijn onbekende verblijfplaats en onbereikbaarheid. De moeder heeft vervangende toestemming gekregen voor een vakantie met het kind naar Spanje, omdat de vader geen toestemming gaf.

De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind vereist dat de moeder voortaan alleen het gezag uitoefent. De vader blijft juridisch wel de vader, maar zijn rol in het gezag wordt beëindigd zolang zijn situatie niet verbetert. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de moeder direct beslissingen kan nemen over het kind, ook bij eventueel hoger beroep.

Uitkomst: Het gezag over de minderjarige wordt eenhoofdig aan de moeder toegekend vanwege de langdurige onbereikbaarheid en onvoldoende betrokkenheid van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/594819 / FO RK 25-723
Gezag
Beschikking van 14 november 2025
in de zaak van:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S.G.B.M. Schönhage,
tegen
[vader],
met een onbekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft in het proces-verbaal mondelinge uitspraak van 8 juli 2025 de beslissing op het verzoek aangehouden in verband met de wettelijke oproepingstermijn van de vader.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 12 november 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De vader is door de rechtbank zowel openbaar als per e-mail opgeroepen voor de zitting, maar hij is niet verschenen.
1.4.
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] niet gevraagd wat zij van het verzoek vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De ouders hadden samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar namen. De rechtbank heeft op 8 juli 2025 echter geoordeeld dat sprake is van een situatie waarin het gezag van de vader van rechtswege is geschorst conform artikel 1:253r onder b jo. 1:253q van het Burgerlijk Wetboek (BW), zolang deze situatie voortduurt. De woon- of verblijfplaats van de vader is namelijk onbekend, ook voor zijn eigen familie. De vader reageert niet op de e-mailberichten die naar hem gestuurd worden en is ook anderszins niet te bereiken. De laatste maal dat hij de moeder een teken van leven heeft gegeven, is bijna één jaar geleden.
2.4.
Op 8 juli 2025 heeft de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] naar Spanje op vakantie te gaan.
2.5.
De rechtbank moet nog beslissen op het verzoek van de moeder om alleen met het gezag over [minderjarige] belast te worden.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal beslissen dat de moeder voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] . De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Gezag
3.2.
In het proces-verbaal van 8 juli 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat het gezag van de vader over [minderjarige] van rechtswege is geschorst. Ondanks deze van rechtswege schorsing van het gezag van de vader acht de rechtbank voor de moeder een belang aanwezig bij de beoordeling van haar verzoek tot wijziging van het gezag. Immers, de schorsing van het gezag is een tijdelijke situatie. Zodra de vader weer bereikbaar is en/of zijn verblijfplaats bekend wordt, vervalt deze schorsing en kan de vader zijn gezag over [minderjarige] weer volledig uitoefenen.
3.3.
Het uitgangspunt van de wet is dat de ouders ook na het uit elkaar gaan samen het gezag over hun kind blijven uitoefenen. Dit betekent dat ouders samen belangrijke beslissingen over hun kind moeten nemen. Dat kan alleen anders zijn als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. [1] In de wet staat dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen als zij vindt dat er een onaanvaardbaar risico is dat het kind bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [2]
3.4.
Dat is hier het geval. De omstandigheden zijn inmiddels gewijzigd. Gebleken is dat de vader onvoldoende beschikbaar is om met het gezag over [minderjarige] belast te blijven. De moeder stelt dat bij de vader sprake is van een drugsverslaving. Op dit moment is het onbekend waar de vader verblijft. De vader reageert niet meer op berichten van de moeder en verleent geen toestemmingen als de moeder daar om vraagt. Zo moest de rechtbank vervangende toestemming voor een vakantie naar Spanje verlenen en kon hulpverlening voor [minderjarige] van de praktijk [naam] in verband met selectief eetgedrag niet ingezet worden omdat de vader tot op heden nog geen toestemming heeft gegeven. De vader is ook niet naar de zittingen in juli en november 2025 gekomen. Zowel de Raad als de rechtbank hebben niet de verwachting dat hier binnen een afzienbare tijd verbetering in zal komen. Het is de rechtbank voldoende duidelijk dat de huidige situatie niet werkbaar. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat de moeder belangrijke beslissingen kan nemen over [minderjarige] en dat zij hierin niet wordt belemmerd vanwege de onbereikbaarheid van de vader.
3.5.
Daarnaast is er sinds 2022 geen structureel contact meer geweest tussen de vader en [minderjarige] . In 2023 hebben zij elkaar nog twee keer gezien en sindsdien is er geen contact meer geweest. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de vader niet in staat om een afweging te maken over welke beslissingen in het belang van [minderjarige] zijn. Hij weet niet meer wat er in haar leven speelt. Deze beslissing betekent niet dat de vader geen rol meer in het leven van [minderjarige] kan spelen. De vader blijft de vader. De rechtbank hoopt voor [minderjarige] dat als het weer beter gaat met de vader er weer voorzichtig contact tussen hen kan komen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.6.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat het gezag over [minderjarige] vanaf nu alleen toekomt aan de moeder;
4.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A. Witten, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:253n BW.
2.Artikel 1:251a lid 1 sub a BW.