ECLI:NL:RBMNE:2025:6484

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/16/601136 / FA RK 25-2027
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure met internationale elementen

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 26 november 2025 een beschikking gegeven in een voorlopige voorzieningenprocedure tussen een vrouw en een man, die beiden in de Verenigde Staten verblijven. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. J.W. Aartsen, verzoekt de rechtbank om voorlopige voorzieningen in het kader van hun echtscheiding. De man, vertegenwoordigd door advocaat D.I.A. Schröder, verzet zich tegen de verzoeken van de vrouw. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw beoordeeld, waaronder de toevertrouwing van hun minderjarige kind aan de vrouw, kinderalimentatie van € 500,- per maand, partneralimentatie van € 2.000,- per maand, en het gebruik van de echtelijke woning. De man verzoekt om een contactregeling met het kind en een informatieregeling. De rechtbank heeft besloten dat het kind aan de vrouw wordt toevertrouwd, dat de man recht heeft op contact via videobellen, en dat hij € 486,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw voor partneralimentatie en andere zaken afgewezen. De beslissing is genomen op basis van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke Nederlandse recht, waarbij de belangen van het kind voorop staan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/601136 / FA RK 25-2027
Voorlopige voorzieningen
Beschikking van 26 november 2025
in de zaak van:
[de vrouw],
volgens de Basisregistratie Personen wonende in [plaats 1] ,
feitelijk verblijvende in [plaats 2] , Californië (Verenigde Staten),
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.W. Aartsen,
tegen
[de man],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de man,
advocaat D.I.A. Schröder.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 17 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de man van 10 november 2025 met bijlagen.
1.2.
De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 12 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vrouw (via een Teams-verbinding), bijgestaan door haar advocaat en een tolk, L. Totosashvili;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2.Waar deze procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd op [datum huwelijk] 2019 in [plaats 3] (Verenigde Staten).
2.2.
Partijen hebben samen een kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds oktober 2024 met de moeder in de Verenigde Staten.
2.4.
De vrouw wil scheiden. Zij vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
2.5.
De vrouw verzoekt de rechtbank om:
  • [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen;
  • te beslissen dat de man kinderalimentatie moet betalen van € 500,- per maand;
  • te beslissen dat de man partneralimentatie moet betalen van € 2.000,- per maand;
  • te beslissen dat alleen de man de woning mag gebruiken;
  • te bepalen dat de man de roerende zaken, strekkende tot dagelijks gebruik, inclusief de zich nog in de echtelijke woning bevindende documenten van de vrouw en [minderjarige] aan de vrouw dient toe te zenden.
2.6.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt de rechtbank:
  • een contactregeling vast te stellen die inhoudt dat de man een zaterdag in de twee weken op 9.30 uur Nederlandse tijd via videobellen contact heeft met [minderjarige] , waarbij de moeder dat belcontact aan de zijde van [minderjarige] moet faciliteren;
  • een informatieregeling vast te stellen die inhoudt dat de vrouw de man iedere maand een e-mail stuurt met daarin een update over [minderjarige] en daarbij drie recente foto’s van [minderjarige] voegt, of een andere regeling door uw rechtbank in goede justitie te bepalen;
  • te bepalen dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de (voormalig) echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] .

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De rechtbank zal beslissen dat:
  • [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
  • een contactregeling wordt vastgesteld die inhoudt dat de man een keer in de twee weken via videobellen contact heeft met [minderjarige] , waarbij de moeder dat belcontact aan de zijde van [minderjarige] moet faciliteren onder begeleiding van de hulpverlening;
  • de vrouw de man iedere maand een e-mail stuurt met daarin een update over [minderjarige] en daarbij drie recente foto’s van [minderjarige] voegt;
  • de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] ;
  • de man een bedrag van € 486,- aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
Het overige of anders verzochte wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
De zorg voor [minderjarige]
De bevoegdheid en het toepasselijk recht
3.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om te beslissen op de verzoeken van partijen over [minderjarige] . Uit artikel 10 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 [1] (hierna: HKBV) volgt dat de Nederlandse rechter in de uitoefening van zijn bevoegdheid om te beslissen over een verzoek tot echtscheiding van de ouder van een kind dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat maatregelen kan nemen ter bescherming van de persoon of het vermogen van dat kind. Het Nederlandse recht moet in het nemen van die maatregelen voorzien en op het tijdstip van de aanvang van de procedure dient één van de ouders zijn of haar gewone verblijfplaats in Nederland te hebben en moet één van de ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid over het kind hebben. Bovendien moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om dergelijke maatregelen te nemen door de ouders zijn aanvaard en moet het belang van het kind daarmee gediend zijn.
3.3.
In artikel 10 van het HKBV staat dat deze regel geldt voor de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek tot echtscheiding. Een letterlijke uitleg zou betekenen dat deze regel enkel geldt voor de echtscheidingsprocedure en niet voor de voorlopige voorzieningenprocedure. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet de bedoeling kan zijn, omdat de voorlopige voorzieningen onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsprocedure. Daarom acht de voorzieningenrechter zich wel bevoegd om te beslissen op de verzoeken in de voorlopige voorzieningenprocedure. Het Nederlandse recht voorziet in het vaststellen van de toevertrouwing en een tijdelijke zorgregeling. Verder verblijft de man op dit moment in Nederland, zijn beide ouders belast met het gezag over [minderjarige] en hebben de ouders de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk aanvaard. In de eerste plaats heeft de vrouw de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aanvaard door hier een procedure te starten en daarbij hebben beide ouders op de zitting uitgesproken dat zij de Nederlandse rechter bevoegd achten om te beslissen op hun verzoeken.
3.4.
Uit artikel 15 van het HKBV volgt dat als de Nederlandse rechter bevoegd is, het Nederlands recht van toepassing is. Dat betekent dat de rechtbank het Nederlandse recht zal toepassen.
De inhoudelijke beoordeling
3.5.
De rechtbank vertrouwt [minderjarige] toe aan de vrouw. Dat betekent dat zij de (dagelijkse) zorg over [minderjarige] krijgt. De rechtbank neemt deze beslissing omdat de ouders het daarover eens zijn.
3.6.
Daarnaast stelt de rechtbank een contactregeling vast tussen de man en [minderjarige] , die inhoudt dat die inhoudt dat de man een keer in de twee weken via videobellen contact heeft met [minderjarige] , waarbij de moeder dat belcontact aan de zijde van [minderjarige] moet faciliteren onder begeleiding van de hulpverlening. Naar de rechtbank begrijpt is er sinds kort hulpverlening betrokken bij [minderjarige] . De rechtbank gaat ervan uit dat deze hulpverlening bereid is om [minderjarige] bij het contact met zijn vader te helpen en stelt voor dat de moeder de gegevens van de hulpverlening aan de vader verstrekt zodat de vader belmomenten kan afspreken. Omdat de ouders samen steeds in conflict raken tijdens het videobellen, is het belangrijk dat de vrouw de hulpverlening die op dit moment betrokken is in de Verenigde Staten vraagt om haar hierbij te ondersteunen. Op die manier kan [minderjarige] toch onbelast contact hebben met zijn vader. De vrouw geeft aan dat [minderjarige] op dit moment weerstand heeft tegen het videobellen met zijn vader. Ook hier kan zij begeleiding bij vragen. Mocht de hulpverlening onverhoopt niet kunnen begeleiden bij de belmomenten, dan doet de rechtbank een beroep op de moeder om een ander steunfiguur van [minderjarige] te vragen om hierin een rol te kunnen spelen. Omdat de rechtbank geen zicht heeft op de agenda’s van de hulpverlening, zal de rechtbank geen vaste dag bepalen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen dit, eventueel met behulp van hun advocaten, met de hulpverlening in onderling overleg zullen afstemmen.
3.7.
Tot slot zal de rechtbank de door de man verzochte informatieregeling vaststellen. Tegen dat verzoek is geen verweer gevoerd. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat zijn vader op de hoogte is van hoe het met hem gaat en wat er in zijn leven speelt, zodat de man daar tijdens de contactmomenten ook op in kan spelen. Bovendien is deze informatieregeling in dit geval extra belangrijk gelet op de grote afstand tussen de partijen, waardoor de mogelijkheden van de man om informatie over [minderjarige] te verkrijgen beperkt zijn.
Het voortgezet gebruik van de woning
De bevoegdheid en het toepasselijk recht
3.8.
De Nederlandse rechter is bevoegd om te beslissen op de verzoeken over het voortgezet gebruik van de woning, omdat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft met betrekking tot de echtscheiding. [2] Het Nederlandse recht is als lex fori van toepassing op dit verzoek omdat het een ordemaatregel van spoedeisende aard betreft.
De inhoudelijke beoordeling
3.9.
De rechtbank beslist dat alleen de man de woning mag gebruiken. Dat betekent dat de vrouw de woning zonder toestemming van de man niet meer mag binnenkomen. De rechtbank neemt deze beslissing omdat partijen het hierover eens zijn.
De goederen
3.10.
De advocaat van de vrouw heeft het verzoek om te bepalen dat de man de roerende zaken, strekkende tot dagelijks gebruik, inclusief de zich nog in de echtelijke woning bevindende documenten van de vrouw en [minderjarige] aan de vrouw dient toe te zenden op de zitting ingetrokken. Partijen hebben afgesproken dat de vrouw, via haar advocaat, een lijst zal aanleveren van goederen die zij nog wenst te ontvangen bij de advocaat van de man, waarna partijen hier in onderling overleg afspraken over zullen maken.
Kinderalimentatie
3.11.
Kinderalimentatie gaat voor op partneralimentatie. [3] De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.12.
De Nederlandse rechter is bevoegd om te beslissen op het verzoek over de kinderalimentatie, omdat de man als verweerder zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. [4] Omdat de vrouw als onderhoudsgerechtigde procedeert in het land van de onderhoudsplichtige (de man), is de lex fori (oftewel het Nederlandse recht) van toepassing. [5]
De beslissing
3.13.
De rechtbank zal beslissen dat de man voorlopig een bedrag van € 486,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De ingangsdatum
3.14.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaan gelden. De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking.
De behoefte van [minderjarige]
3.15.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 486,- per maand in 2025. Partijen zijn het hier namelijk over eens.
De draagkracht van de ouders
3.16.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kind voorzien. [6]
3.17.
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.
3.18.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
3.19.
Bij een netto besteedbaar inkomen tot € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ waarin vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld. In die tabel wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Daarvan is, afhankelijk van de hoogte van het netto besteedbaar inkomen, 70% tot 100% beschikbaar voor kinderalimentatie.
De draagkracht van de man
3.20.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 727,- per maand. [7] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.21.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties over de maanden augustus tot en met oktober 2025, waarop een inkomen van € 4.140,- bruto per maand is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.356,- per maand.
3.22.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man in beginsel een draagkracht van (70% [3.356 – (1.007 + 1.310)]=) € 727,- per maand. De rechtbank houdt daarbij geen rekening met het schuldenlijstje dat door de man is overgelegd. Deze schulden worden door de vrouw betwist. Het had dan ook op de weg van de man gelegen om het bestaan van deze schulden nader te onderbouwen met stukken.
De draagkracht van de vrouw
3.23.
De draagkracht van de vrouw stelt de rechtbank op nihil. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3.24.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de Amerikaanse bijstandsuitkering die de vrouw ontvangt. Zij ontvangt een bedrag van $ 1,756.00 per maand. Omgerekend is dat € 1.511,39. De vrouw heeft niet gesteld dat zij hier belasting over moet betalen, dus de rechtbank gaat ervan uit dat zij dit bedrag netto ontvangt. Uit de Tremanormen die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld volgt dat geen draagkracht wordt aangenomen bij een verzorgende ouder met een bijstandsuitkering. Dat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat de vrouw als onderhoudsgerechtigde geen draagkracht heeft voor kinderalimentatie. Het is voor de rechtbank ook niet duidelijk of de vrouw wel recht heeft op kindgebonden budget of kinderbijslag vanwege haar verblijf in de Verenigde Staten. De rechtbank zal daar daarom ook geen rekening mee houden.
3.25.
Weliswaar heeft de man gezegd dat de vrouw eigen inkomen zou moeten kunnen verwerven, maar toch gaat de rechtbank hier uit van het feit dat de vrouw op dit moment enkel een bijstandsuitkering ontvangt. In deze spoedprocedure moet de rechtbank namelijk alleen een tijdelijke ordemaatregel nemen en daarbij kijkt de rechtbank naar hoe de situatie nu is. In de latere echtscheidingsprocedure kan wel van belang zijn of de vrouw eigen inkomen kan verwerven.
De verdeling van de kosten
3.26.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.27.
Omdat de vrouw in dit geval geen draagkracht heeft, moet de man met zijn draagkracht volledig bijdragen in de kosten voor [minderjarige] . Dat betekent dat hij een bedrag van € 486,- per maand moet betalen aan de vrouw aan kinderalimentatie.
De zorgkorting
3.28.
Partijen zijn het erover eens dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met de zorgkorting omdat er geen (fysiek) contact is tussen de man en [minderjarige] .
Partneralimentatie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.29.
De Nederlandse rechter is net als bij de kinderalimentatie bevoegd om te beslissen op het verzoek over de partneralimentatie omdat de man als verweerder zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. [8] In beginsel geldt voor het toepasselijk recht dat het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft leidend is. Dat zou betekenen dat het recht van de staat California van de Verenigde Staten van toepassing zou zijn op de partneralimentatie. [9] Partijen hebben op de zitting echter een rechtskeuze gemaakt voor de lex fori, oftewel Nederlands recht. [10] Dat betekent dat het Nederlands recht van toepassing is op het verzoek over de partneralimentatie.
De inhoudelijke beoordeling
3.30.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten voor haar levensonderhoud af.
3.31.
De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht en de onderbouwingsplicht ten aanzien van de behoefte en behoeftigheid op de vrouw rust, nu zij heeft verzocht een bedrag aan voorlopige partneralimentatie vast te stellen. De vrouw heeft geen standpunt ingenomen over de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte of haar aanvullende behoefte. Gezien het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of de man over voldoende draagkracht beschikt voor het betalen van partneralimentatie.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

voor de duur van de echtscheidingsprocedure
De rechtbank
4.1.
vertrouwt [minderjarige] toe aan de vrouw;
4.2.
bepaalt dat de man is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [plaats 1] , met bevel dat de vrouw die woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden;
4.3.
stelt een contactregeling vast tussen de man en [minderjarige] , die inhoudt dat de man een keer in de twee weken via videobellen contact heeft met [minderjarige] , waarbij de moeder dat belcontact aan de zijde van [minderjarige] moet faciliteren onder begeleiding van de hulpverlening;
4.4.
stelt een informatieregeling vast die inhoudt dat de vrouw de man iedere maand een e-mail stuurt met daarin een update over [minderjarige] en daarbij drie recente foto’s van [minderjarige] voegt;
4.5.
beslist dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 486,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
4.6.
beslist dat de man vanaf vandaag deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.7.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A. Witten, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
Bijlage 1: draagkracht van de man

Voetnoten

1.Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 's-Gravenhage, 19-10-1996.
2.Artikel 4 lid 2 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
3.Artikel 1:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
4.Artikel 3 sub a van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: de Alimentatieverordening).
5.Artikel 4 lid 3 van Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, 's-Gravenhage, 23-11-2007 (hierna: het Alimentatieprotocol).
6.Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
7.Bijlage 1: draagkracht van de man.
8.Artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening.
9.Artikel 3 van het Protocol.
10.Artikel 7 van het Protocol.