Partijen zijn gehuwd in de Verenigde Staten en hebben een gezamenlijk minderjarig kind dat sinds oktober 2024 met de moeder in de VS verblijft. De vrouw verzoekt voorlopige voorzieningen in het kader van de echtscheidingsprocedure, waaronder toewijzing van het kind aan haar, kinderalimentatie, partneralimentatie, gebruik van de woning en toezending van roerende zaken.
De man verzet zich tegen de verzoeken en vraagt onder meer om een contactregeling via videobellen en het gebruik van de woning toe te wijzen aan hem. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag en Nederlands recht toepasselijk is.
De rechtbank besluit het kind aan de vrouw toe te vertrouwen, een contactregeling via videobellen vast te stellen onder begeleiding van hulpverlening, en een informatieregeling waarbij de vrouw maandelijks een update en foto's aan de man stuurt. De man krijgt het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen. De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €486 per maand, gebaseerd op de draagkracht van de man en de behoefte van het kind. Het verzoek om partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De overige verzoeken worden afgewezen. De beslissing is genomen door rechter L.A. Witten en griffier S. Clement en uitgesproken op 26 november 2025.