ECLI:NL:RBMNE:2025:6491

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/1209
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning en geen proceskostenvergoeding

De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een woning vastgesteld op €461.000,- voor het belastingjaar 2023, gebaseerd op een taxatieverslag met referentiewoningen. Eiser ging in bezwaar en beroep tegen deze vaststelling, stellende dat de heffingsambtenaar niet alle relevante stukken had verstrekt, waardoor artikel 40 Wet Pro WOZ zou zijn geschonden.

De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende heeft onderbouwd met de referentiewoningen uit het taxatieverslag, en dat de extra referentiewoningen in de uitspraak op bezwaar slechts aanvullende onderbouwing vormen. Er is geen informatieachterstand ontstaan, omdat eiser alle relevante stukken met betrekking tot de referentiewoningen heeft ontvangen.

Daarmee is geen schending van artikel 40 Wet Pro WOZ vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 21 november 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1209

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: J. van Abbe)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: J.R. Stellingwerff).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 24 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op
€ 461.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
3 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. De heffingsambtenaar heeft op
27 april 2025 een aangepaste taxatiematrix gestuurd.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 14 oktober 2025. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Feiten
2. De woning is een in 1979 gebouwde hoekwoning met een aangebouwde garage van 19 m² en een aangebouwde woonruimte van 12 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 132 m² en een perceeloppervlakte van 234 m².
Geschil
3. De WOZ-waarde van de woning is in beroep niet in geschil. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij van mening is dat de heffingsambtenaar met de aangepaste taxatiematrix heeft aangetoond dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar de door eiser gemaakte proceskosten nog wel moet vergoeden, omdat eiser gedwongen was om beroep in te stellen.
Schending van art. 40 Wet Pro WOZ
4. Eiser heeft na het indienen van het bezwaarschrift een uitgebreid taxatieverslag ontvangen waarin onder andere de grondstaffels en KOUDV-L factoren van een drietal referentiewoningen zijn vermeld. Eiser heeft op de zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de in het taxatieverslag gebruikte referentiewoningen. Eiser voert aan dat er in de uitspraak op bezwaar nieuwe referentiewoningen zijn gebruikt ter onderbouwing van de waarde en dat deze niet zijn onderbouwd met onder andere de grondstaffels en KOUDV-L factoren. Daardoor heeft eiser die gegevens niet kunnen controleren. Hierdoor stelt eiser gedwongen te zijn beroep in te stellen. Dit zou een schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ opleveren en daarom moet de heffingsambtenaar veroordeeld worden in de proceskosten van eiser. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank van
6 december 2022. [1]
4.1
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 40 van Pro de Wet WOZ de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken op verzoek aan eiser moet verstrekken. KOUDVL-factoren, de gegevens achter de indexatiecijfers en de grondstaffel zijn op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat zowel de WOZ-beschikking als de uitspraak op bezwaar daarop gebaseerd zijn. Bij de beoordeling van een schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ betrekt de rechtbank de goede procesorde en wordt bekeken of een informatieachterstand is ontstaan en of die achterstand tijdens de procedure is hersteld. [2]
4.2
In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar benadrukt dat de taxateur de waarde naar aanleiding van het bezwaar nogmaals heeft getoetst aan de referentiewoningen die op het taxatieverslag staan vermeld. Deze zijn naar het oordeel van de taxateur de meest vergelijkbare woningen. De heffingsambtenaar heeft op de zitting benadrukt dat de nieuw genoemde referentiewoningen (de woningen met uitzondering van Valreep 13, welke immers al op het taxatieverslag staat vermeld) in de uitspraak op bezwaar dienen als extra onderbouwingen. De waarde van de woning is, als je deze extra referentiewoningen wegdenkt, nog steeds onderbouwd met de referentiewoningen uit het taxatieverslag.
4.3
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn standpunt. De heffingsambtenaar heeft de waarde voldoende onderbouwd met de eerste drie referentiewoningen in het taxatieverslag. Eiser heeft immers alle informatie die betrekking heeft op deze referentiewoningen ontvangen. Anders dan in de uitspraak waar eiser naar verwijst heeft de heffingsambtenaar in onderhavig geval niet de gegevens alsnog aan eiser verstrekt toen de uitspraak op bezwaar werd verstuurd. De heffingsambtenaar heeft deze gegevens kennelijk niet noodzakelijk geacht voor de onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning, omdat de waarde al voldoende werd onderbouwd met de drie op het taxatieverslag genoemde referentiewoningen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen informatieachterstand is ontstaan en dat de heffingsambtenaar eiser niet heeft gedwongen om beroep in te stellen. Daarom oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase artikel 40 van Pro de Wet WOZ niet heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
21 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 6 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5129, r.o. 16.
2.Rechtbank Midden-Nederland 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2890.