ECLI:NL:RBMNE:2025:6514

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/2199
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Durdabak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:199 BWArt. 4 RWNArt. 9 PaspoortwetArt. 10:100 BWArt. 3:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing aanvraag Nederlands paspoort minderjarige dochter wegens niet nagekomen vergewisplicht

Eiser vroeg een Nederlands paspoort aan voor zijn minderjarige dochter, geboren in Marokko en erkend door een Marokkaanse rechtbank. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een Nederlandse erkenningsakte. De IND bracht twee adviezen uit over de rechtsgeldigheid van de erkenning, waarbij het tweede advies het standpunt wijzigde en stelde dat de erkenning niet rechtsgeldig was wegens het ontbreken van behoorlijk onderzoek.

De rechtbank oordeelt dat de minister zijn vergewisplicht niet is nagekomen omdat het tweede advies onvoldoende gemotiveerd was en de minister geen nadere toelichting heeft gevraagd. Hierdoor is het besluit gebaseerd op een onzorgvuldig advies en wordt het vernietigd.

De rechtbank wijst erop dat de erkenning van de Marokkaanse uitspraak van rechtswege erkend wordt tenzij sprake is van onvoldoende rechtsmacht, gebrek aan behoorlijk onderzoek of strijd met de openbare orde. Omdat het besluit wordt vernietigd, kan de procedure bij de rechtbank Den Haag over het Nederlanderschap worden voortgezet.

De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen en moet het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil definitief te beslechten in deze bestuursrechtelijke procedure.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de paspoortaanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2199

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigden: mr. L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuizen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag tot afgifte van een Nederlands paspoort voor zijn minderjarige dochter, [minderjarige] (de dochter). Eiser is het niet eens met die afwijzing en heeft beroep ingesteld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zijn vergewisplicht niet is nagekomen en vernietigt daarom het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Aanleiding en procesverloop

2. Op [geboortedatum] 2019 is de dochter te [geboorteplaats] (Marokko) geboren. Tijdens haar geboorte waren haar Marokkaanse moeder en eiser, zijnde haar vader met de Nederlandse nationaliteit, niet met elkaar gehuwd. Eiser was destijds gehuwd met een ander. Dit huwelijk is op [datum echtscheiding] 2022 ontbonden.
3. Eiser heeft op 17 december 2020 de rechtbank te Berkane verzocht om vast te stellen dat de dochter zijn dochter is. Op 13 januari 2021 heeft er in die procedure een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij eiser heeft verklaard dat de dochter zijn dochter is, hij het vaderschap erkent, hij met de moeder van de dochter is gehuwd volgens de Fatiha en zij met elkaar samenwonen. De moeder heeft dit bevestigd. De rechtbank te Berkane heeft de zaak op 4 februari 2021 op zitting behandeld. Op 11 februari 2021 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en vastgesteld dat de dochter de dochter van eiser is. Op basis van die uitspraak is op 5 mei 2021 in Marokko een geboorteakte van de dochter opgemaakt.
4. Eiser heeft vervolgens in Nederland een aanvraag ingediend tot afgifte van een Nederlands paspoort voor de dochter. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 februari 2024 afgewezen, omdat de aanvraag niet compleet is wegens het ontbreken van een erkenningsakte. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen genoemde beslissing, waarna hij nogmaals in de gelegenheid is gesteld een erkenningsakte te overleggen. Eiser heeft de gemeente Utrecht verzocht een erkenningsakte af te geven. De gemeente heeft eiser hierop kenbaar gemaakt dat het niet mogelijk is een akte van erkenning op te maken, omdat de juridische afstamming van de dochter op basis van eerdergenoemde uitspraak van 11 februari 2021 van de rechtbank te Berkane reeds is vastgesteld.
5. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft op verzoek van de minister op 24 januari 2025 advies uitgebracht over de rechtsgeldigheid van de erkenning van de dochter in Marokko. In dit advies staat vermeld dat de uitspraak van 11 februari 2021 van rechtswege in Nederland wordt erkend, hetgeen betekent dat eiser in de Nederlandse rechtsorde de juridische vader van de dochter is. Omdat de Marokkaanse erkenning niet gelijkgesteld kan worden met de Nederlandse familierechtelijke betrekkingen, is de IND van mening dat de dochter niet het Nederlanderschap heeft verkregen. De minister heeft wegens het ontbreken van een rechtsgeldig bewijs van erkenning met het bestreden besluit van 6 februari 2025 het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
6. Eiser heeft vervolgens namens de dochter op 22 april 2025 een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap ingediend bij de rechtbank Den Haag. [1] De rechtbank Den Haag heeft volgens partijen de procedure aangehouden in afwachting van het verloop van onderhavige procedure, omdat een dergelijk verzoek niet tijdens een gerechtelijke beroepsprocedure kan worden behandeld.
De IND heeft ten behoeve van die procedure op 21 augustus 2025 ambtshalve het eerder uitgebrachte advies van 24 januari 2025 herzien. De minister heeft op basis hiervan het bestreden besluit van 6 februari 2025 vervangen met de vervangende beslissing op bezwaar van 9 september 2025. De minister meent primair dat de uitspraak van de rechtbank te Berkane niet van rechtswege kan worden erkend en er geen afstammingsrelatie is ontstaan. Subsidiair geeft de minister een nadere uitleg van het eerder ingenomen standpunt dat de vaststelling van de afstamming in Marokko niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlands rechtsfiguur. Omdat niet is voldaan aan de eis van artikel 9a van de Paspoortwet wordt de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft naar aanleiding hiervan de beroepsgronden aangevuld. De minister heeft geen verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
8. Op grond van artikel 1:199, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is vader van een kind de man die het kind heeft erkend. Erkenning geschiedt bij akte en heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan. [2] Op grond van artikel 4, tweede lid, van de RWN verkrijgt een minderjarig kind het Nederlanderschap indien hij na zijn geboorte en voordat hij de zevenjarige leeftijd heeft bereikt door een Nederlander wordt erkend. Op basis van artikel 9 van Pro de Paspoortwet heeft een Nederlander recht op een nationaal paspoort.
9. Op grond van artikel 10:100, eerste lid, van het BW worden buitenlandse rechterlijke uitspraken waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:
a. voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;
b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
Heeft de minister het standpunt mogen innemen dat de Marokkaanse uitspraak niet van rechtswege in Nederland kan worden erkend?
10. Eiser stelt ten aanzien van het primaire standpunt van verweerder dat de erkenning heeft plaatsgevonden volgens de Marokkaanse wetgeving, waardoor een familierechtelijke betrekking tussen hem en de dochter is ontstaan. De rechtbank te Berkane heeft ten behoeve van de erkenning de huwelijkse relatie tussen eiser en de moeder van de dochter betrokken, alsmede eisers verklaring dat de dochter zijn kind is. In die procedure hebben in totaal drie zittingen plaatsgevonden, wat volgens eiser duidt op behoorlijk onderzoek. Op grond van die uitspraak is de dochter ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie personen (Brp) en is (verdere) erkenning in Nederland niet meer mogelijk. Hierom dient zij een Nederlands paspoort te verkrijgen.
11. De rechtbank overweegt allereerst dat de IND tweemaal een advies aan de minister heeft uitgebracht. In het eerste advies van 24 januari 2025 staat vermeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de in artikel 10:100, eerste lid, onder a, b of c, van het BW genoemde omstandigheden van toepassing zijn. Er staat: “
De uitspraak van de rechtbank Berkane , Marokko van 11 februari 2021 wordt daarom van rechtswege in Nederland erkend, hetgeen betekent dat de heer [eiser] in de Nederlandse rechtsorde de juridische vader is van betrokkene.” Met betrokkene wordt de dochter bedoeld.
In het tweede, ambtshalve opgestelde, advies neemt de IND ineens het standpunt in dat de beslissing van de rechtbank te Berkane van 11 februari 2021 (anders dan in het eerste advies)
nietin Nederland kan worden erkend op grond van artikel 10:100, eerste lid, onder b, van het BW, omdat aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek vooraf is gegaan. De IND baseert zich in het tweede advies op het gegeven dat de rechtbank te Berkane heeft vastgesteld dat de dochter uit een Fatiha-huwelijksrelatie is geboren en de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat een Fatiha-huwelijk in Marokko onwettig is en niet wordt erkend. De IND is daarom van mening dat de dochter, geboren uit zo’n Fatiha-huwelijk, ook onwettig is en er daardoor geen familierechtelijke betrekking tussen eiser en de dochter kan zijn ontstaan.
12. De rechtbank stelt vast dat uit het tweede advies niet blijkt waarom het standpunt van de IND is gewijzigd ten opzichte van het eerste advies. Daarnaar gevraagd heeft de minister hiervoor tijdens de zitting ook geen verklaring kunnen geven. De rechtbank vindt dit opmerkelijk. Het tweede advies betreft immers een inhoudelijke wijziging van het standpunt over de uitspraak van de Marokkaanse rechtbank, terwijl de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan zowel het eerste als het tweede advies exact dezelfde zijn.
13. Een bestuursorgaan mag eerst op het advies van een deskundige afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (de vergewisplicht). Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs.
14. Uit wat onder 11 en 12 is overwogen volgt dat het tweede advies onvoldoende inzichtelijk en concludent is en daarom onvoldoende aanknopingspunten bood om invulling te geven aan de vergewisplicht. Het had op de weg van de minister gelegen om een nadere toelichting op het advies te vragen. Nu de minister dit heeft nagelaten en het advies zonder meer aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, heeft de minister gehandeld in strijd met de op hem rustende vergewisplicht. De minister had het bestreden besluit niet mogen baseren op dit advies.
15. Omdat het primair door de minister ingenomen standpunt niet overeind kan blijven, zal de rechtbank het besluit vernietigen. Zij kan daarom nu geen oordeel geven over de onder 10 genoemde beroepsgrond. Het is vervolgens de vraag of de rechtbank kan oordelen over de andere beroepsgrond in geding die ziet op de gelijkstelling van de uitspraak van de Marokkaanse rechtbank met de Nederlandse rechtsfiguur van erkenning.
16. De rechtbank overweegt in dit kader dat door een vernietiging van het bestreden besluit de bezwaarfase weer herleeft. Omdat artikel 17 van Pro de RWN in dat geval niet meer in de weg staat aan het in behandeling nemen van het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap, kan de rechtbank te Den Haag die reeds aanhangig gemaakte procedure voortzetten. Eiser en de minister kunnen desgewenst de rechtbank Den Haag verzoeken het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) als deskundige te betrekken, zoals zij deze rechtbank in onderhavige procedure hebben gevraagd te doen. De rechtbank acht het meer voor de hand liggend dat de rechter in die procedure zich over deze kwestie buigt, omdat de erkenning en het al dan niet ontstaan van een familierechtelijke betrekking buiten de reikwijdte van het bestuursrecht vallen.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep slaagt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de minister op grond van artikel 8:51a van de Awb via een bestuurlijke lus het gebrek te laten herstellen. Ook ziet de rechtbank geen mogelijkheid het geschil definitief te beslechten. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van wat is overwogen in deze uitspraak. Omdat het op dit moment onbekend is wanneer de rechtbank te Den Haag zal beslissen op het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap, legt de rechtbank de minister geen termijn op waarbinnen het nieuwe besluit moet worden genomen.
18. Omdat het beroep slaagt, dient de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden. Ook wordt de minister veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2025 vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Durdabak, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
2.Artikel 1:203, tweede lid, van het BW.