ECLI:NL:RBMNE:2025:6549

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/1109
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor aanbouw aan de voorzijde van een woning in Utrecht

In deze zaak heeft eiseres, woonachtig aan de [adres 1] in [plaats], een omgevingsvergunning aangevraagd voor een aanbouw aan de voorzijde van haar woning. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft deze vergunning geweigerd met een besluit van 26 augustus 2024, wat door eiseres is bestreden. De rechtbank heeft op 5 november 2025 de zaak behandeld, waarbij eiseres en haar echtgenoot aanwezig waren, evenals de gemachtigde van het college. Tijdens de zitting is er gesproken over mogelijke alternatieven voor de aanbouw, maar het college heeft later aangegeven dat er geen mogelijkheden waren voor een uitbreiding aan de voorzijde van de woning.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. De gewenste aanbouw is in strijd met het omgevingsplan, dat voorschrijft dat bijbehorende bouwwerken op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw moeten worden gebouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de weigering van de vergunning is gebaseerd op adviezen van de afdeling Stedenbouw, die hebben geconcludeerd dat de aanbouw niet past binnen het stedenbouwkundige beeld van de straat. Eiseres heeft aangevoerd dat er vergelijkbare woningen in de buurt zijn met een aanbouw, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat er relevante verschillen zijn die de weigering van de vergunning rechtvaardigen.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond verklaard, wat betekent dat zij geen omgevingsvergunning voor de gewenste aanbouw ontvangt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is openbaar gemaakt op 5 november 2025 en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1109

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).

Inleiding

1. Eiseres woont aan de [adres 1] in [plaats] . Zij wil aan haar woning een aanbouw realiseren zodat zij over meer woonruimte beschikt. Het college heeft met het besluit van 26 augustus 2024 geweigerd haar daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen. Het bezwaar dat eiseres heeft gemaakt heeft het college niet van gedachten doen veranderen, zoals blijkt uit het besluit van 24 december 2024.
2. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college redelijkerwijs heeft kunnen weigeren de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
3. De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar echtgenoot en de gemachtigde van het college.
4. Tijdens de zitting is het beroep inhoudelijk behandeld. Partijen hebben zich bereid verklaard met elkaar in gesprek te gaan om te verkennen of er wellicht andere mogelijkheden zijn om de woning aan de kant van de voortuin uit te breiden. De gemaakte afspraken zijn neergelegd in een verkort proces-verbaal dat aan partijen is toegestuurd.
5. Op 17 september 2025 heeft het college aan de rechtbank laten weten dat de afdeling Stedenbouw geen mogelijkheden ziet voor het uitbreiden van de woning aan de voorzijde en dat er daarom geen gesprek meer heeft plaatsgevonden met eiseres. Eiseres heeft hierop gereageerd in haar brief van 29 september 2025.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wet- en regelgeving
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Uit artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is onder andere een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
8. Het omgevingsplan – zoals dat gold tijdens het nemen van het besluit – van de gemeente Utrecht bepaalt dat voor het bouwen van deze aanbouw een omgevingsvergunning nodig is. [1] Het college verleent een omgevingsvergunning als de aanbouw voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het omgevingsplan, waaronder begrepen redelijke eisen van welstand. [2]
9. Het perceel van eiseres heeft in het bestemmingsplan Parkwijk, Langerak – dat deel uitmaakt van het omgevingsplan – de bestemming Wonen 2. Volgens artikel 9.2.2 van de planregels mogen bijbehorende bouwwerken uitsluitend op een afstand van tenminste 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw worden gebouwd. Artikel 26, onder b, van de planregels bepaalt dat burgemeester en wethouders medewerking kunnen verlenen aan het overschrijden van bouw- en/of bestemmingsgrenzen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels door tot gebouwen behorende balkons, afdaken, erkers e.d., mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 meter en waarbij de vrije hoogte tot aan het peil minimaal 2,2 meter bedraagt.
10. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsingskader
11. De gewenste aanbouw is buiten het bouwvlak gepland en is daarom in strijd met het omgevingsplan. Het college heeft bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt dus niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Beroepsgronden - samenwerking
12. Eiseres vindt het niet billijk dat het college niet in overleg gaat over wat er wel
mogelijk is als aanbouw aan de voorkant, zoals bijvoorbeeld een erker vergelijkbaar met die aan de [straat 2] . Haar architect heeft meermaals aangedrongen op overleg om te komen tot een plan waar wel een vergunning voor zou kunnen worden verleend. Het college staat hier echter niet voor open. Dat blijkt eens te meer uit de reactie die het college heeft gegeven na de zitting. Ondanks dat is afgesproken een gesprek in te plannen, heeft dit door toedoen van het college niet plaatsgevonden.
13. Het college heeft geen medewerking willen verlenen aan de aanbouw vanwege twee negatieve adviezen van de stedenbouwkundig afdeling. Op basis daarvan is het college van mening dat het beoogde bouwplan niet passend is binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beoogde uitbouw zorgt namelijk voor een onwenselijke verstoring van het stedenbouwkundige beeld van de rij woningen. Het college benadrukt dat het de wens van eiseres om in overleg te treden over mogelijke alternatieven begrijpt, maar dat dit in eerste instantie niet is gedaan omdat het geen mogelijkheid zag om het bouwplan (ondergeschikt) te wijzigen in een plan waaraan wel toestemming kon worden verleend. Omdat tijdens de zitting de vraag opkwam of de aanbouw niet vergund zou kunnen worden met toepassing van artikel 26, onder b, van de planregels is de zaak aangehouden zodat het college deze vraag kon voorleggen aan de afdeling Stedenbouw. Na de zitting bleek uit de reactie van de afdeling Stedenbouw dat er geen ruimte bestond voor bebouwing aan de voorzijde van de woning. De reactie van eiseres van 14 oktober 2025 heeft de afdeling Stedenbouw niet van gedachten doen veranderen. Het college heeft dit bericht aan de rechtbank en laten weten dat er geen gesprek heeft plaatsgevonden omdat er geen mogelijkheden te bespreken waren.
14. De rechtbank stelt voorop dat het college zich op de adviezen van de afdeling Stedenbouw heeft mogen baseren. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien er een tegenadvies van een andere deskundige is overgelegd, of als er door een van de partijen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren zijn gebracht. [3] De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de adviezen van Stedenbouw onzorgvuldig of onbegrijpelijk zijn. In de adviezen wordt uiteengezet dat de woning deel uitmaakt van een rij serie geschakelde woningen en dat de straat aan beide zijdes begrensd wordt door een vergelijkbare rij. De voortuinen aan de oostzijde van de [straat 1] , waaronder die van nummer [nummer 1] , zijn relatief ondiep. Een erker/aanbouw aan de voorzijde van de woning zorgt voor een ongewenste verbijzondering in de straat die in de huidige situatie getypeerd wordt door de identieke bebouwing aan weerszijden. Ook leidt een aanbouw aan de voorzijde tot versmalling/verdichting van het straatbeeld en doet een aanbouw afbreuk aan de herkenbare en eenvoudige volume opbouw van de woningen. Het door middel van artikel 26, onder b, van de planregels meewerken aan bijvoorbeeld een kleinere uitbreiding aan de voorzijde acht de afdeling Stedenbouw ook niet wenselijk. De opzet van de verschillende bebouwingstypologieën van het plandeel Parkwijk, Langerak verschilt waardoor bij elke typologie een afzonderlijke afweging dient te worden gemaakt. In dit geval heeft een erker/aanbouw aan de voorzijde een te grote impact op het huidige straatbeeld. De uitbreiding doet afbreuk aan de opzet van de straat en zorgt voor een ongewenste versmalling van het straatbeeld. Bij de aanzichten van de woningen zijn ook verschillende horizontale banden te herkennen die door de hele straat als een rechte gevel doorlopen. De rechtbank vindt dat het college aan de hand van deze adviezen deugdelijk heeft gemotiveerd dat de beoogde aanbouw ruimtelijk niet aanvaardbaar is. Dat de architect van eiseres wel mogelijkheden ziet voor een uitbreiding aan de voorzijde van de woning, betekent niet dat het college geen doorslaggevende betekenis mag hechten aan de bevindingen van de afdeling Stedenbouw. Dat het niet tot een gesprek is gekomen tussen (de architect van) eiseres en de afdeling Stedenbouw is uiteraard jammer, maar gezien het stedenbouwkundige standpunt niet onbegrijpelijk.
Beroepsgronden - gelijkheidsbeginsel
15. Eiseres stelt dat aan de [adres 2] en aan de [adres 3] en [nummer 2] vergelijkbare woningen staan met een aanbouw aan de voorkant, die aan één zijde volledig tot aan de erfgrens reiken. Een aangepast bouwplan waarbij de aanbouwen niet de hele voorgevel beslaat moet dus mogelijk zijn. Dat de voortuinen aan de [straat 2] dieper zijn, vindt eiseres een niet valide argument omdat de wet niet voorziet in een minimale diepte van de voortuin. Daarnaast vertonen de aanbouwen aan de [straat 2] duidelijk een verspringing van de voorgevels, zodat het argument dat dit stedenbouwkundig niet wenselijk is, niet opgaat.
16. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Zo zijn de bouwwerken aan de [straat 2] kleiner en kunnen worden gezien als ondergeschikte
uitbouwen. Deze ondergeschiktheid maakt dat de oorspronkelijk rooilijn nog goed af te lezen blijft, waardoor geen verstoring van het bebouwingsbeeld optreedt. Verder zijn de tuinen aan de [straat 2] dieper dan die van eiseres, waardoor de gewenste aanbouw een grotere impact op het stedenbouwkundig beeld van de omgeving heeft dan de bebouwing aan de [straat 2] . Na de zitting heeft de afdeling Stedenbouw toegelicht dat juist de grote voortuinen en aangrenzende groene open ruimte bij de [straat 2] de reden zijn geweest om medewerking aan de aanbouwen te verlenen, aangezien op die locatie de impact van een aanbouw beperkt is. De aanbouw aan de Rozemarijnlaan 47 beslaat ook niet de hele gevelbreedte, zoals het bouwplan van eiseres. Daar komt bij dat een groot deel van de aanbouwen in de Rozemarijnstraat destijds tegelijk met de bouw van de woningen is gerealiseerd, omdat dit als optie kon worden gekozen. Later hebben sommige bewoners in de straat alsnog voor een aanbouw gekozen.
17. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Uit de overgelegde stukken, foto’s en de toelichting van het college blijkt dat er verschillen bestaan tussen de woningen met voortuin aan de [straat 2] en de woning met voortuin van eiseres. Er is daarom al geen sprake van gelijke gevallen. Het college heeft ook voldoende gemotiveerd waarom die verschillen vanuit stedenbouwkundig oogpunt relevant zijn en waarom medewerking is verleend aan de uitbouwen op de [straat 2] . Dat geldt ook voor de aanbouw aan de Rozemarijnlaan 47, alleen al omdat die aanbouw niet de hele breedte van de gevel beslaat.
Belangenafweging
18. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat zij de aanbouw wil realiseren om meer ruimte te creëren voor haar (volwassen) kinderen. De kinderen kunnen in de huidige woningmarkt geen huis voor zichzelf vinden en wonen daarom nog bij eiseres en haar man. Alleen met een aanbouw aan de voorkant kan ervoor worden gezorgd dat de kinderen hun eigen ruimtes met voldoende privacy hebben.
19. Het college heeft van belang geacht dat de woning al fors groter is dan de gemiddelde gezinswoning en dat ook het achtererfgebied mogelijkheden voor het toevoegen van extra woonruimte. Dat eiseres de wens heeft voor meer woonruimte aan de voorzijde, vindt het college geen doorslaggevend belang waarom hij de vergunning niet had mogen weigeren.
20. De rechtbank is van oordeel dat het college de stedenbouwkundige belangen zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van eiseres. Dat eiseres meer gebaat zou zijn bij extra woonruimte aan de voorzijde van de woning voor de nog thuiswonende kinderen is begrijpelijk, maar maakt het besluit niet onevenredig. Eiseres heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat zij niet begrijpt waarom er een aanvraag om een vergunning kan worden ingediend, als er toch geen bebouwingsmogelijkheden zijn. De rechtbank merkt hierover op dat een gemeente in het omgevingsplan de regels vastlegt, die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een activiteit die binnen deze regels past kan een omgevingsvergunning worden verleend. Voor een activiteit die niet binnen deze regels past, geldt dat het college een afweging maakt of hij desalniettemin een vergunning wil verlenen. Het college kan echter niet op voorhand verbieden of verhinderen dat iemand een vergunning aanvraagt voor een activiteit die niet in het omgevingsplan past.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet beschikt over een omgevingsvergunning voor de gewenste aanbouw. Omdat eiseres geen gelijk krijgt, krijgt zij het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 22.26 van het omgevingsplan gemeente Utrecht in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
2.Artikel 22.29 van het omgevingsplan gemeente Utrecht.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1233.