ECLI:NL:RBMNE:2025:6558

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/4937
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar inzake afbetaling private schulden in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 30 mei 2024, waarbij zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek tot afbetaling van private schulden kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank oordeelt dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 13 juni 2023 is verzonden. Hierdoor is het beroep gegrond, maar het bezwaar blijft niet ontvankelijk omdat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de termijn voor het indienen van bezwaar op 9 januari 2024 is ingegaan en eiser pas op 27 februari 2024 bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank concludeert dat de minister het griffierecht aan eiser moet vergoeden en dat eiser recht heeft op een vergoeding voor de proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier, en is openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4937

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

De Minister van Financiën, namens deze de Programmadirecteur Schulden

(gemachtigde: drs. S.D. Lerrick, mr. S. Kesharie).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 30 mei 2024 (bestreden besluit) naar aanleiding van zijn verzoek tot afbetaling van private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Met het bestreden besluit is eisers bezwaar tegen het besluit van 13 juni 2023 (primaire besluit) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat dat niet tijdig was ingediend.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 13 juni 2023 is verzonden. Het beroep is daarom gegrond. Dat betekent niet dat het bezwaar ontvankelijk is, omdat de bezwaartermijn op 9 januari 2024 is ingegaan en eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire een schuldenlijst toegestuurd naar Sociale Banken Nederland (SBN) om in aanmerking te komen voor afbetaling van de schulden op deze lijst.
4. In het primaire besluit heeft de bestuurder van SBN namens de Belastingdienst/Toeslagen besloten om de door eiser opgegeven schulden niet af te betalen. .
5. Bij e-mail van 1 januari 2024 heeft eiser SBN in gebreke gesteld omdat hij het besluit niet heeft ontvangen.
6. Bij e-mail van 9 januari 2024 heeft SBN eiser geïnformeerd dat al op de aanvraag is beslist. Het primaire besluit heeft SBN als bijlage toegevoegd.
7. Bij brief van 27 februari 2024 is namens eiser bezwaar ingediend tegen het primaire besluit.
8. In het bestreden besluit is geoordeeld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het bezwaar te laat is ingediend
9. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
10. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
11. De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Zij heeft de minister de gelegenheid gegeven om te onderzoeken vanaf welk e-mailadres het besluit naar eiser is verzonden.
12. De minister heeft hier bij brief van 9 oktober 2025 op gereageerd.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

13. De rechtbank beoordeelt of de minister het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres
.
Het standpunt van eiser
14. Eiser voert aan dat zijn bezwaar ontvankelijk is, omdat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 13 juni 2023 aan hem is verzonden. De minister heeft geen deugdelijke verzendadministratie overgelegd. Eiser heeft het besluit pas op 9 januari 2024 ontvangen, nadat hij de minister in gebreke had gesteld. De bezwaartermijn is daarom pas op 9 januari 2024 gaan lopen. Hoewel eiser pas op 27 februari 2024 bezwaar heeft gemaakt, moet deze overschrijding verschoonbaar worden geacht, omdat hij op dat moment geen advocaat had.
Het standpunt van verweerder
15. De minister stelt zich op het standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard. Hoewel het besluit niet per aangetekende post is verstuurd en er geen deugdelijke verzendadministratie is bijgehouden, staat vast dat het besluit eiser heeft bereikt. Dat komt omdat de minister het besluit, naast de verzending per reguliere post, ook per e-mail heeft verzonden en wel op 15 juni 2025. Vanaf ditzelfde e-mailadres heeft eiser SBN in gebreke gesteld. Daarnaast blijkt uit het dossier dat eiser, voorafgaand aan de primaire besluitvorming, vaker met SBN heeft gecommuniceerd vanaf het e-mailadres waarnaar het besluit is gestuurd.
Heeft de minister aannemelijk gemaakt dat het besluit op 13 juni 2023 is verzonden?
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit per post (op of omstreeks) 13 juni 2023 is verzonden. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag nadat het besluit aan de belanghebbende is toegezonden of uitgereikt. [2] Vaststaat dat het besluit niet per aangetekende post is verzonden. De rechtbank overweegt dat in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het stuk is verzonden. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering, een verzenddatum en er een deugdelijke
verzendadministratie is. De minister kan geen deugdelijke verzendadministratie overleggen. Dit brengt mee dat de verzending van het besluit per post niet is komen vast te staan.
17. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat het besluit per e-mail van 15 juni 2025 is verzonden naar eiser, maar uit het dossier blijkt niet dat deze e-mail eiser heeft bereikt. Uit de door de minister overgelegde stukken blijkt namelijk dat het besluit – anders dan de minister in eerste instantie meende - niet is verzonden vanaf het e-mailadres waarmee SBN eerder met eiser heeft gecommuniceerd, te weten [emailadres] .nl. De e-mail van 15 juni 2023 is namelijk verzonden vanaf het adres [emailadres] .nl. De rechtbank overweegt dat deze e-mail daarom in de spambox van eiser terecht kan zijn gekomen. Dat zou ook verklaren waarom er geen zogenoemde ‘delivery status notification (failure)’ is gemeld en waarom eiser de minister op 1 januari 2024 in gebreke heeft gesteld.
18. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit op 15 juni 2023 door eiser is ontvangen. Omdat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekend gemaakt (artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), staat niet vast dat de bezwaartermijn op 16 juni 2025 is aangevangen. De beroepsgrond slaagt.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
19. Ut het dossier volgt verder dat eiser in ieder geval op 9 januari 2024 het besluit heeft ontvangen vanaf het bij hem bekende e-mailadres [emailadres] .nl. De bezwaartermijn van zes weken is daarom op de dag na verzending van het besluit per e-mail aangevangen. Dat betekent dat de bezwaartermijn op 10 januari 2024 is gaan lopen. De laatste dag waarop eiser bezwaar kon maken was 21 februari 2024. Eiser heeft te laat bezwaar gemaakt, omdat hij zijn bezwaar op 27 februari 2024 heeft ingediend.
20. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de aangevoerde omstandigheid dat eiser niet bijgestaan werd door een juridische professional, niet tot een verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De rechtbank overweegt dat dit geen bijzondere omstandigheid is waaronder de termijnoverschrijding redelijkerwijs niet aan hem is toe te rekenen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond, omdat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 15 juni 2023 bekend is gemaakt. Dat betekent niet dat het bezwaar alsnog ontvankelijk is, want eiser heeft te laat bezwaar ingediend en dit is niet verschoonbaar. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. [3]
22. Aangezien het beroep gegrond is, dient de minister het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.
23. Eiser krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2025 als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,00. In dit geval wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting door de waarnemer van de gemachtigde van eiser. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,00.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 51,00 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb en artikel 3:41 van de Awb.
3.Op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.