In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 30 mei 2024, waarbij zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek tot afbetaling van private schulden kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank oordeelt dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 13 juni 2023 is verzonden. Hierdoor is het beroep gegrond, maar het bezwaar blijft niet ontvankelijk omdat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de termijn voor het indienen van bezwaar op 9 januari 2024 is ingegaan en eiser pas op 27 februari 2024 bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank concludeert dat de minister het griffierecht aan eiser moet vergoeden en dat eiser recht heeft op een vergoeding voor de proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier, en is openbaar uitgesproken op 10 december 2025.