ECLI:NL:RBMNE:2025:6560

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/16/597322 / FO RK 25-947
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand om mee te werken aan de voltrekking van een huwelijk wegens vermoedens van een schijnhuwelijk

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift van een man en een vrouw die een huwelijk wilden voltrekken. De man, zonder bekende woon- of verblijfplaats, en de vrouw, woonachtig in een gemeente, hebben een verzoek ingediend bij de rechtbank nadat de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand (ABS) van de gemeente had geweigerd om mee te werken aan de aangifte en voltrekking van hun huwelijk. De ABS had geconstateerd dat er sprake was van een schijnhuwelijk, wat inhoudt dat het huwelijk mogelijk enkel bedoeld was om de man een verblijfsvergunning te verschaffen. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig onderzocht, waaronder de nationaliteit van de verzoekers, de eerdere relatie van de man, en de inconsistenties in zijn verklaringen. Tijdens de zitting is gebleken dat de verzoekers onvoldoende bewijs hebben geleverd van een duurzame liefdesrelatie. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de ABS op goede gronden heeft geweigerd om mee te werken aan de huwelijksvoltrekking, en heeft het verzoek van de verzoekers afgewezen. De rechtbank benadrukt dat de ABS een onderzoeksplicht heeft en dat de informatie van de IND in deze procedure mocht worden betrokken. De beslissing is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/597322 / FO RK 25-947
weigering opmaken akte ex artikel 1:27 BW
Beschikking van 16 december 2025
in de zaak van:
[de man],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de man,
en
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
hierna samen te noemen: verzoekers,
advocaat mr. H.K. Jap A Joe,
tegen
DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND,
van de gemeente [gemeente 1] ,
hierna te noemen: de ABS.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 25 juli 2025;
  • de brief van 5 november 2025 van de ABS, met bijlage.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 18 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • verzoekers met hun advocaat en de heer A.F.D. van den Broek, tolk in de Engelse taal,
  • mr. [A] ( [functie] ), mevrouw [B] en de heer [C] , (ambtenaren van de burgerlijke stand), namens de gemeente [gemeente 1] .

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
2.2.
Verzoekers hebben zich op 16 april 2025 tot de gemeente [gemeente 1] gewend om een melding voorgenomen huwelijk te doen. De ABS van de gemeente [gemeente 1] is van oordeel dat sprake is van een schijnhuwelijk en weigert daarom mee te werken aan het voltrekken van een huwelijk tussen verzoekers. Die beslissing is toegelicht in het besluit van 13 juni 2025 van de ABS.
2.3.
Verzoekers verzoeken nu de rechtbank om de ABS te gelasten een akte van huwelijksvoltrekking van verzoekers op te maken.

3.De beoordeling

De conclusie

3.1.
De rechtbank zal het verzoek afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Het juridisch kader
3.2.
Verzoekers stellen – op grond van artikel 1:27 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – beroep in tegen het besluit van de ABS van de gemeente [gemeente 1] om te weigeren mee te werken aan het voltrekken van een huwelijk tussen verzoekers. De reden voor de weigering is dat de ABS een ernstig vermoeden heeft dat sprake is van een schijnhuwelijk. Een schijnhuwelijk is een huwelijk met het doel om een verblijfsvergunning voor een buitenlands persoon te verkrijgen. Uit de artikelen 1:58 lid 2 BW jo. 1:18c lid 2 BW volgt dat de ABS kan weigeren om een akte van huwelijksaangifte op te maken, indien volgens hem sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde.
3.3.
Op grond van artikel 1:27 BW kunnen belanghebbende partijen binnen zes weken na de verzending van het besluit een verzoek indienen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de standplaats van de ABS is gelegen. Verzoekers hebben het verzoekschrift op tijd ingediend zodat de rechtbank dit inhoudelijk kan beoordelen.
3.4.
Op grond van artikel 1:27 BW kan de rechtbank twee conclusies trekken. Of de weigering van de ABS is ongegrond en de ABS wordt alsnog gelast om de desbetreffende akte op te maken. Of de weigering is gegrond, zodat deze in stand blijft en de gewenste akte niet wordt opgemaakt.
De zaak van verzoekers
3.5.
Uit het besluit van 13 juni 2025 van de ABS volgt dat de ABS weigert om mee te werken aan de aangifte en voltrekking van het huwelijk van verzoekers, omdat de ABS van mening is dat er sprake is van een schijnhuwelijk. De ABS baseert dit op de volgende omstandigheden:
  • De man beschikt niet meer over een geldige verblijfsvergunning. De man was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, geldig van 6 november 2020 tot 6 november 2025 met als doel ‘verblijf bij partner, mevrouw [D] ’. Bij beschikking van 3 mei 2024 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is deze verblijfsvergunning ingetrokken, met terugwerkende kracht per 5 november 2022. De man heeft hiertegen tevergeefs bezwaar gemaakt. Ook heeft de man tevergeefs beroep ingesteld bij de rechtbank, welke procedure medio 2025 is afgerond.
  • Uit verkregen informatie van de IND is gebleken dat de man tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd bij de IND en de gemeente [gemeente 1] over zijn relatie(s). Tijdens het interview bij de gemeente [gemeente 1] op 8 mei 2025 hebben verzoekers verklaard dat zij vanaf oktober 2023 een relatie hebben. In het kader van de procedure voor zijn verblijfsvergunning voor ‘verblijf bij partner, mevrouw [D] ’ heeft de man in zijn brief van 29 februari 2024 echter verklaard dat hij nog een relatie had met mevrouw [D] en met haar samenwoonde. Ook in de brief van 26 juni 2024 en in de procedure bij de rechtbank heeft de man op 18 september 2024 in de beroepsgronden verklaard dat hij tot 11 juni 2024 nog een relatie had en samenleefde met mevrouw [D] . Hierdoor twijfelt de ABS aan de geloofwaardigheid van de relatie tussen verzoekers vanaf oktober 2023.
  • De echtscheiding tussen de man en mevrouw [D] is ingeschreven op [2025] en daarna had de man haast om te trouwen met de vrouw.
  • Verzoekers hebben eerder een poging gedaan om een melding van voorgenomen huwelijk te doen in een andere gemeente. Dit kan erop duiden dat er bewust op zoek is gegaan naar een gemeente die het huwelijk wil voltrekken.
  • Op 8 mei 2025 stond de man nog ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van mevrouw [D] .
  • De man heeft vanaf oktober 2023 geen aanvraag gedaan bij de IND voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de vrouw.
3.6.
Tijdens de zitting heeft de ABS verklaard dat ook de volgende omstandigheden hebben meegewogen bij het besluit van 13 juni 2025:
  • Binnen twee weken na de inschrijving van de echtscheiding van de man zijn er al stappen gezet om het huwelijk tussen verzoekers te voltrekken. Zo is er telefonisch geïnformeerd naar de wachttijd voor een huwelijk bij de gemeente [gemeente 2] , is een gesprek bij de gemeente [gemeente 3] gemaakt en afgezegd en is de (online) melding voorgenomen huwelijk bij de gemeente [gemeente 1] gedaan.
  • Op de vraag hoe de relatie van verzoekers eruit ziet, hebben zij geantwoord dat zij eenmaal per maand een wandeling samen maken.
  • Op het verzoek om iets te laten zien of foto’s te tonen waaruit hun relatie blijkt, hebben verzoekers één foto getoond van een wandeling in Utrecht op 7 mei 2024.
  • De ABS heeft geconstateerd dat er een (andere) man staat ingeschreven op het adres van de vrouw, van ongeveer de leeftijd van de vrouw, die geen familie is van de vrouw.
  • Na het interview van 8 mei 2025 heeft de man gevraagd aan de ABS om niet alle informatie die hij heeft gegeven met de vrouw te delen. Daarom heeft de ABS op 13 juni 2025 twee verschillende brieven met het besluit naar verzoekers gestuurd.
3.7.
Verzoekers hebben weersproken dat hun voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is. Het klopt dat de man geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, maar het huwelijk met de vrouw heeft niet als enig oogmerk het verkrijgen van rechtmatig verblijf. Het verbaast verzoekers dat zij niet met elkaar mogen trouwen van de ABS en ze snappen de beslissing van de ABS niet. Volgens verzoekers mag de ABS zich niet laten beïnvloeden door informatie van de IND.
Verzoekers zeggen te willen trouwen, omdat zij van elkaar houden en elkaar beter willen leren kennen. Zij hebben elkaar ontmoet bij het kerkkoor. Vanwege hun geloof wonen verzoekers niet samen. Ook heeft de man vanwege zijn geloof nog een verzoeningspoging gedaan met mevrouw [D] . Hierdoor zijn misverstanden ontstaan over wanneer de man en mevrouw [D] uit elkaar zijn gegaan. Dit mag de man in deze procedure niet worden verweten. Inmiddels woont de man niet meer bij mevrouw [D] . Hij verblijft soms bij een vriend in Utrecht en soms in Zeeland.
Verzoekers willen zo spoedig mogelijk trouwen, omdat de man anders wordt uitgezet naar Nigeria. Daarom hebben verzoekers navraag gedaan welke gemeente de kortste wachttijd voor een huwelijk heeft. Ook heeft de man verklaard dat hij geen aanvraag bij de IND heeft kunnen doen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de vrouw, omdat hij eerder nog getrouwd was. Tot slot heeft de vrouw verklaard dat de man die op haar adres staat ingeschreven een familievriend is.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat de ABS, op basis van de destijds beschikbare informatie, op goede gronden zijn medewerking aan de aangifte en voltrekking van het huwelijk van verzoekers heeft geweigerd. Tijdens de zitting is niet gebleken van nieuwe relevante omstandigheden. Gelet hierop zal de rechtbank geen opdracht geven aan de ABS om alsnog mee te werken aan de aangifte en voltrekking van het huwelijk van verzoekers. Dit wordt hierna toegelicht.
3.9.
Voor de rechtbank is vast komen te staan dat verzoekers zich ervan bewust zijn dat de man geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, maar dit wel kan verkrijgen door een huwelijk met de vrouw. Verzoekers willen zo snel mogelijk trouwen om te voorkomen dat de man naar Nigeria wordt uitgezet. Op zichzelf hoeft dit echter niet te betekenen dat het voorgenomen huwelijk een schijnhandeling is die enkel gericht is op verblijf van de man in Nederland. Voor de rechtbank is doorslaggevend dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een bestendige liefdesrelatie hebben opgebouwd om welke reden zij met elkaar willen trouwen. Zowel bij de ABS als ter zitting hebben verzoekers weinig meer verklaard dan dat zij van elkaar houden. Verzoekers hebben tijdens het interview bij de ABS verteld dat zij eenmaal per maand een wandeling met elkaar maken en zij hebben één foto daarvan kunnen tonen. Tijdens de zitting zijn verzoekers niet verder ingegaan op hun relatie. Zij hebben bijvoorbeeld niet verteld hoe vaak zij elkaar zien, wat zij dan ondernemen, wat zij leuk vinden aan elkaar of wat hun familie/vrienden van hun relatie vinden. Evenmin hebben verzoekers foto’s getoond waaruit blijkt dat zij elkaar het afgelopen half jaar regelmatig hebben gezien. Daarnaast heeft de man in de procedure ‘voor verblijf bij partner, mevrouw [D] ’ en in deze procedure tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de datum waarop hij een relatie heeft gekregen met de vrouw en wanneer de relatie met mevrouw [D] is geëindigd. Ook hierdoor is twijfel ontstaan over de geloofwaardigheid van de relatie van verzoekers. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat op de ABS een onderzoeksplicht rust, waardoor de informatie van de IND mocht worden betrokken in deze procedure.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.