ECLI:NL:RBMNE:2025:6569

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/5515
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een verkeersbesluit tot aanwijzing van parkeerplaatsen voor laadpalen in Utrecht

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 3 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen een verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht beoordeeld. Het verkeersbesluit betreft de aanwijzing van twee parkeerplaatsen aan de [straat] in Utrecht voor het opladen van elektrische auto’s. Eiser, die in de nabijheid woont, heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij vreest voor netcongestie en stroomuitval als gevolg van de laadpalen. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op 10 september 2025, waarbij zowel eiser als de gemachtigde van het college aanwezig waren.

De rechtbank overweegt dat het verkeersbesluit is gebaseerd op artikel 2, derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, dat het bevorderen van doelmatig energiegebruik mogelijk maakt. De rechtbank concludeert dat de gevolgen voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen van het besluit, namelijk het uitbreiden van de openbare oplaadinfrastructuur en het stimuleren van een efficiënter gebruik van het laadnetwerk. Eiser heeft geen bijzondere belangen aangevoerd die zijn bezwaren onderbouwen, en de rechtbank oordeelt dat het college zorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van het besluit.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het college de laadpalen heeft mogen plaatsen. Eiser krijgt geen gelijk en er is geen aanleiding voor een dwangsom of proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5515

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. C. Ligthart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het verkeersbesluit om twee parkeerplaatsen aan de [straat] in Utrecht (ter hoogte van huisnummer [nummer] , het wegvak tussen de [straat] en de [straat] ) aan te wijzen voor het opladen van elektrische auto’s.
1.1.
Met het bestreden besluit van 10 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het verkeersbesluit
2. Het verkeerbesluit van het college is gebaseerd op artikel 2, derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). Daarin staat dat het besluit kan strekken tot het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. Ook artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer ligt aan het verkeersbesluit ten grondslag. Daarin is vermeld dat in het verkeersbesluit moet worden gemotiveerd welke doelstelling(en) worden beoogd. Verder is het besluit gebaseerd op het door de gemeente vastgestelde beleid, te weten het Actieplan Schoon Vervoer (2015-2020) en het Strategisch plan laadinfrastructuur ‘Utrecht laadt op voor 2030’.
3. Het verkeersbesluit benoemt de belangen van een verdere uitbreiding van de openbare oplaadinfrastructuur en van het stimuleren van een efficiënter gebruik van het laadnetwerk. Per sub buurt in Utrecht is een locatieplan voor openbare laadpalen opgesteld. Dit plan zorgt voor voldoende openbare laadpalen voor hen die niet op eigen terrein kunnen opladen. Verder benoemt het verkeersbesluit dat de locaties van de laadpalen moeten voldoen aan de criteria die zijn opgesteld in de Plaatsingsleidraad en inrichtingskader publieke infrastructuur. Per elektrische laadpaal kunnen twee elektrisch aangedreven voertuigen gelijktijdig worden geladen.
Het standpunt van eiser
4. Eiser woont op de [straat] . Hij heeft bezwaar tegen het plaatsen van de laadpalen aan de [straat] , omdat hij zich zorgen maakt om overbelasting op het elektriciteitsnet (netcongestie). Eiser hoort dat het transformatorhuis nabij zijn woning ook vaker een bromgeluid maakt dan voorheen. Dit jaar was er voor het eerst ook echt een stroomstoring. Volgens eiser vergroot de plaatsing van de laadpalen het risico op stroomuitval. Dit kan leiden tot onveilige situaties en schade in de straat, vooral voor mensen die afhankelijk zijn van een goed stroomnetwerk.
5. Eiser stelt dat het college geen goed onderbouwd en weloverwogen besluit heeft genomen. Een doorrekening van de gevolgen van het plaatsen van de laadpalen voor het dagelijks stroomgebruik ontbreekt. Daarbij heeft het college eventuele schade door de plaatsing van de laadpalen al ingecalculeerd door aan te geven waar eiser zijn schadeclaim kan indienen. Volgens eiser voldoet het verkeersbesluit daarom niet aan de eisen die in artikel 2 van de Wvw zijn gesteld aan de veiligheid, de bescherming en de voorkoming van hinder en schade.
6. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt (pers)berichten van netwerkbeheerders Stedin en TenneT overgelegd. Daaruit blijkt volgens eiser dat de grenzen aan het netwerk mogelijk in 2025 zijn bereikt. Telefonische navraag bij Stedin leert eiser dat het netwerk in eisers postcodegebied een 80% load heeft, zodat ook dit netwerk aan de grenzen van het mogelijke zit. Eiser verwijst verder naar het beleidsstuk P-Miek 1.0 van de Provincie Utrecht en de voorgestelde maatregelen van de gemeente Utrecht, genoemd in de Voorjaarsnota 2025 om het risico op frequente stroomuitval te voorkomen.
De evenredigheid van het besluit
7. Bij het nemen van een verkeersbesluit komt aan het college een ruime beslis- en beleidsruimte toe. Dit betekent dat het college in concrete gevallen naar eigen inzicht een besluit mag nemen. Het college moet hierbij vaststellen welke belangen van artikel 2 van de Wvw 1994 bij het besluit dienen te worden betrokken. [1] Hierna moet het college die belangen tegen elkaar afwegen waarbij moet worden beoordeeld of de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de uitkomst van deze belangenafweging van het college niet onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8. Niet betwist is dat het bestreden verkeersbesluit volgens het beleid van de gemeente en de daarvoor opgestelde richtlijnen tot stand is gekomen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevolgen die eiser ondervindt van het verkeersbesluit niet onevenredig in verhouding tot de doelen die ermee gediend worden. Het college heeft het belang van eiser minder zwaar mogen wegen dan het algemeen belang bij het uitbreiden van de openbare oplaadinfrastructuur en het stimuleren van een efficiënter gebruik van het laadnetwerk ten behoeve van het verbeteren van schoner verkeer in de toekomst. Dat eiser zich door de plaatsing van de laadpalen onveilig voelt vanwege netcongestie en het risico op stroomuitval, leidt niet tot een ander uitkomst. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat het plaatsen van de laadpalen de situatie in zijn straat, een andere straat dan waar de laadpalen geplaatst worden, onveilig maakt. Bovendien heeft het college de (tijdelijke) oplossing voorgesteld dat laadpalen kunnen worden uitgezet als zij problemen veroorzaken voor het stroomnetwerk. De bezwaren van eiser zijn van algemene aard en gelden voor meer buurtbewoners. Eiser heeft geen bijzondere of individuele belangen aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat het college niet tot deze afweging van de belangen die worden genoemd in artikel 2, derde lid, onder a, van Wvw 1994 heeft mogen komen.
Zorgvuldige besluitvorming
10. Van een onzorgvuldig genomen of onvoldoende gemotiveerd besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake. In het bestreden besluit heeft het college aan de hand van objectieve criteria (richtlijnen) toegelicht waarom voor deze locatie is gekozen. Het college heeft ook meegewogen dat we steeds meer stroom gebruiken, dat daardoor het stroomnet in de toekomst overbelast kan raken, maar dat het college samen met netwerkbeheerders de provincie en andere gemeentes werken aan een oplossing om het stroomnet sneller uit te breiden en beter te gebruiken. Daarbij spreekt het college de verwachting uit dat elektrische auto’s in de toekomst vaker slimmer gaan laden, dat wil zeggen buiten de drukste uren van 16 tot 21 uur en dat, zoals hierboven overwogen, laadpalen kunnen worden uitgezet. Dit strookt ook met de informatie in de berichten van de netwerkbeheerders en het beleidsstuk van de provincie Utrecht waar eiser naar heeft verwezen. Als eiser zijn zorgen verder wenst te uiten en vindt dat het college daarin vanwege de netcongestie niet de juiste beleidskeuzes heeft gemaakt dan dient hij zich – zoals door het college ter zitting terecht is gesteld – te wenden tot de gemeenteraad of tot de gemeentelijke politiek.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep van eiser is ongegrond. Dat betekent dat het college de laadpalen heeft mogen plaatsen. Eiser krijgt daarmee geen gelijk. Voor het opleggen van een dwangsom, zoals eiser heeft gevraagd, bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van ‘t Hof, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van