In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 28 november 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de minister van Financiën behandeld. Eiseres, een gedupeerde van de toeslagaffaire, heeft verzocht om overname van haar private schulden, die voortvloeien uit de kinderopvangtoeslag. De minister heeft echter slechts een deel van de opgegeven schulden overgenomen en het overige deel afgewezen, met als reden dat deze schulden niet vóór 1 juni 2021 volledig opeisbaar waren. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en voert aan dat de schulden wel degelijk volledig opeisbaar zijn geworden. De rechtbank heeft de zaak op 24 november 2025 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet voldaan is aan de voorwaarde van opeisbaarheid zoals opgenomen in artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank legt uit dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze voorwaarde en dat de rechter niet kan oordelen over de grondwettigheid van deze wet. Eiseres doet ook een beroep op de hardheidsclausule, maar de rechtbank oordeelt dat dit beroep niet kan slagen. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk heeft en geen vergoeding van griffierecht of proceskosten ontvangt.