ECLI:NL:RBMNE:2025:6570

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/3878
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van de minister van Financiën om private schulden van eiseres over te nemen in het kader van de hersteloperatie toeslagen

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 28 november 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de minister van Financiën behandeld. Eiseres, een gedupeerde van de toeslagaffaire, heeft verzocht om overname van haar private schulden, die voortvloeien uit de kinderopvangtoeslag. De minister heeft echter slechts een deel van de opgegeven schulden overgenomen en het overige deel afgewezen, met als reden dat deze schulden niet vóór 1 juni 2021 volledig opeisbaar waren. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en voert aan dat de schulden wel degelijk volledig opeisbaar zijn geworden. De rechtbank heeft de zaak op 24 november 2025 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet voldaan is aan de voorwaarde van opeisbaarheid zoals opgenomen in artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank legt uit dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze voorwaarde en dat de rechter niet kan oordelen over de grondwettigheid van deze wet. Eiseres doet ook een beroep op de hardheidsclausule, maar de rechtbank oordeelt dat dit beroep niet kan slagen. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk heeft en geen vergoeding van griffierecht of proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3878

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] in België, eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: mr. M. Bouhoud).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de weigering van de minister om de door eiseres opgegeven private schulden volledig over te nemen.
1.1.
De minister heeft met het besluit van 17 augustus 2023 een deel van de opgegeven schulden overgenomen en het overige deel van de opgegeven schulden afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister daarbij gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van een deel van haar schulden. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
2.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De overname van private schulden
3. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Dienst Toeslagen langdurig in grote financiële problemen en onzekerheid gebracht. Zij hebben (financiële) schade geleden en zijn aangetast in hun rechtsgevoel. De regering heeft hiervoor excuses aangeboden en wil de problemen van gedupeerde ouders oplossen.
3.1.
Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is de overname van (opeisbare achterstanden van) private schulden van gedupeerde ouders door de overheid. Het overnemen van private schulden wordt namens de minister uitgevoerd door uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden, dat gold vanaf 29 oktober 2021. De regeling is daarna opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze wet is in het najaar van 2022 in werking getreden en vervangt alle eerdere regelingen van de hersteloperatie.
3.2.
Op grond van artikel 4.1 van de Wht neemt de minister op aanvraag de geldschulden en kosten over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht worden geldschulden overgenomen die:
zijn ontstaan na 31 december 2005;
voor 1 juni 2021 opeisbaar waren; en
niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3.3.
Op grond van het vierde lid van artikel 4.1 Wht worden hoofdsommen van leningen niet overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Wat heeft de minister beslist?
4. Eiseres is een gedupeerde van de toeslagaffaire. Zij heeft verzocht om overname van haar schulden bij Alpha Credit N.V. in België, te weten:
  • i) een schuld van € 2.449,46 met kenmerk [nummer 1]
  • ii) een schuld van € 847,63 met kenmerk [nummer 2] .
4.1.
De minister heeft van de schuld onder (i) een bedrag van € 233,85 overgenomen. De minister heeft het verzoek tot overname voor de overige schulden afgewezen met vermelding van de weigeringsgrond code 4:
“Deze schuld is een financieel product van bijvoorbeeld een bank. Wij betalen alleen het deel van uw betalingsachterstand af mits deze achterstand is ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.”
Opeisbaarheid
5. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de schulden niet geheel opeisbaar zijn. In de e-mail van 8 juni 2023 van de deurwaarder EOS Aremas Collection (hierna: de deurwaarder) staat dat bij beide schulden een aangetekende ingebrekestelling is gestuurd bij een betalingsachterstand van twee maanden en dat de effectieve datum van ontbinding met opeisbaarheidstelling van schuld (i) 2 april 2021 is en van schuld (ii) 3 augustus 2021. Gelet op de algemene voorwaarden van de lening op afbetaling meent eiseres dat met de ontbinding van de kredietovereenkomst de gehele schuld ineens opeisbaar is geworden en niet slechts de gedeeltelijke opeisbare betalingsachterstand. Eiseres is daarom van mening dat de schulden volledig voor overname in aanmerking komen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van opeisbaarheid genoemd in artikel 4.1. van de Wht. Uit de beschikbare informatie van de schuldeiser blijkt namelijk dat de schulden (i) en (ii) niet vóór 1 juni 2021 door de schuldeiser zijn opgeëist. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5.2.
Uit de algemene voorwaarden van de lening op afbetaling volgt dat bij het missen van twee betalingen of 20% van het verschuldigde bedrag, én na een aangetekende aanmaning zonder betaling binnen de gestelde termijn, de kredietgever de overeenkomst mag beëindigen en de schuld direct opeisbaar wordt.
5.3.
Voor schuld (i) heeft Alpha Credit in een brief van 25 mei 2021 eiseres bericht dat zij voor deze schuld twee maandelijkse termijnen niet heeft voldaan en haar gesommeerd om deze termijnen binnen één maand alsnog te betalen, met de waarschuwing dat het volledige saldo opeisbaar zou worden bij uitblijven van betaling. Uit deze aanmaning blijkt dat de betalingsachterstand op dat moment € 233,85 (inclusief rente en invorderingskosten) bedroeg en dat de vordering voor dat bedrag opeisbaar was. Uit het e-mailbericht van de deurwaarder van 16 juni 2023 blijkt dat de overeenkomst uiteindelijk op 2 juli 2021 is ontbonden, waardoor de hoofdsom toen opeisbaar is geworden. In deze e-mail van de deurwaarder staat ook dat in de eerdere e-mail van 8 juni 2023 “een foutje is geslopen” en dat de datum van de ontbinding met opeisbaarheidstelling niet 2 april 2021 was, zoals de e-mail van 8 juni 2023 staat. Het betoog van eiseres dat uit de e-mail van 8 juni 2023 van de deurwaarder volgt dat schuld (i) op 2 april 2021 opeisbaar is geworden, slaagt daarom niet.
5.4.
Voor de schuld onder (ii) geldt dat uit de brief van Alpha Credit van 28 juni 2021 blijkt dat ook hier twee maandtermijnen niet zijn betaald en dat bij uitblijven van betaling het volledige krediet opeisbaar zou worden. Volgens de e-mail van de deurwaarder van 8 juni 2023 is deze overeenkomst op 3 augustus 2021 ontbonden.
5.5.
De minister heeft daarom mogen aannemen dat beide schulden op 1 juni 2021 niet volledig opeisbaar zijn geworden.
Doelstelling van artikel 4.1 van de Wht en contra-legem toetsing
6. Eiseres voert verder aan dat er sprake is van rechtsongelijkheid. De uitleg van de minister over het doel van de Wht strookt niet met het daadwerkelijke doel en de strekking van de Wht. Eiseres begrijpt niet dat de minister schulden afwijst die voortvloeien uit het toeslagenschandaal, met als overweging dat het niet het doel van de Wht is om mensen volledig schuldenvrij te maken. Volgens eiseres hangen haar schulden samen met het toeslagenschandaal (causaal verband). Aangezien het doel is om gedupeerde ouders een nieuwe start te laten maken, moeten zij ook ruimharig gecompenseerd worden en mogen zij daarin niet worden belemmerd.
6.1.
Eiseres betoogt ook dat in dit geval een contra legem toetsing moet plaatsvinden en dat artikel 4.1 van de Wht in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten. Zij wijst erop dat vaststaat dat de Belastingdienst/Toeslagen onrechtmatig heeft gehandeld en heeft gediscrimineerd. De schade die hiermee samenhangt is niet in de Wht verdisconteerd. De minister moet die leemte in de wet opvullen, aldus eiseres. Zij verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2023 [1] .
7. Voor zover eiseres hiermee heeft willen betogen het vereiste dat een schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021, zoals opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Wht, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, kan dat niet slagen. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
7.1.
De rechtbank mag toepassing van artikel 4.1 van de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel toetsen. In artikel 120 van de Grondwet is namelijk bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. In de rechtspraak is recent nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. [2]
7.2.
Uit rechtspraak [3] volgt ook dat aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
7.3.
Uit de totstandkoming van de schuldenregeling van de Wht blijkt dat het een bewuste en gemotiveerde keuze van de wetgever is geweest om alleen die schulden voor overname in aanmerking te laten komen die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, en dat de wetgever heeft voorzien dat daardoor niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren door de gevolgen van de kinderopvangtoeslagenproblematiek met deze schuldenregeling van hun schulden afkomen. [4] Daaronder kunnen ook ouders vallen die onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van achterstanden en schulden te voorkomen en die het als gevolg van de toeslagenproblematiek financieel moeilijk hebben.
7.4.
Omdat de wetgever de gevolgen van de toepassing van het vereiste van opeisbaarheid heeft bedoeld en voorzien, betekent dit dat de bestuursrechter niet de ruimte heeft om te oordelen dat de in de wet opgenomen voorwaarde van opeisbaarheid voor overname van een private schuld zozeer in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, dat deze voorwaarden in dit geval niet toegepast moeten worden.
7.5.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Die uitspraak betreft een civiele vordering op grond van onrechtmatige daad, en ziet daarmee – ook al ging het in die uitspraak ook om gedupeerden van de toeslagaffaire – op een ander toetsingskader dan hier aan de orde.
De hardheidsclausule
8. Eiseres doet ten slotte een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht. Zij is van mening dat de minister deze ten onrechte niet heeft toegepast. Eiseres is evident onevenredig benadeeld. Zij is jarenlang als fraudeur bestempeld en zij heeft daardoor veel pijn en leed ondervonden. Eiseres heeft leningen moeten afsluiten en schulden opgebouwd vanwege de terugvorderingen van toeslagen. De terugvorderingen en betalingsproblemen hebben een enorme impact gehad op de economische draagkracht van eiseres. Zij verdient het daarom om weer schuldenvrij te zijn.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen.
8.2.
Volgens de rechtspraak kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, wanneer toepassing van een bepaling van de Wht gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van een bepaling van de Wht achterwege moet blijven. [5] Daarbij is niet van doorslaggevend belang of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ook op het standpunt heeft mogen stellen dat afwijzing van het verzoek om overname van de schulden niet leidt tot een schrijnende situatie. Hetgeen eiseres op dit punt heeft aangevoerd, geeft onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat daarvan sprake zou zijn. De rechtbank vindt het wel aannemelijk dat eiseres in een financieel lastige situatie zat toen zij de leningen aanging, maar bij de hardheidsclausule moet het gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) het besluit op het verzoek tot compensatie van de schulden. Dat eiseres veel pijn en leed heeft ondervonden omdat zij als fraudeur is bestempeld, is daarvoor onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
3.Zie de uitspraken van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456 en van 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:630.
4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 44-45.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, punt 7.3, ECLI:NL:RVS:2025:456