ECLI:NL:RBMNE:2025:6571

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/4273
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen gedeeltelijke afwijzing verzoek om overname van schulden op grond van de Wet hersteloperatie Toeslagen

In deze zaak heeft eiseres, een Belgische, bezwaar gemaakt tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om overname van schulden door de minister van Financiën. Het verzoek werd deels afgewezen bij besluit van 29 augustus 2022. Eiseres diende op 15 december 2023 een bezwaarschrift in, waarin zij bovenaan de vermelding "voorlopig bezwaarschrift c.q. verzoek tot herziening" had geplaatst. De minister verklaarde het bezwaar op 7 maart 2024 niet-ontvankelijk, omdat het te laat was ingediend zonder verschoonbare reden. Eiseres maakte hiertegen opnieuw bezwaar, maar de minister gaf aan dat er geen rechtsmiddel openstond tegen de ambtshalve inhoudelijke beoordeling van het bezwaar.

Eiseres heeft op 30 mei 2024 beroep ingesteld tegen de brief van 18 april 2024, waarin de minister haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiseres en haar gemachtigde niet. De rechtbank overweegt dat de vermelding "verzoek tot herziening" boven het bezwaarschrift geen aanvullende betekenis heeft en dat de minister niet verplicht was om dit als een herhaalde aanvraag te beschouwen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, en dat eiseres geen gelijk heeft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4273

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] in België, eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: mr. M. Bouhoud).

Inleiding

1. Bij besluit van 29 augustus 2022 heeft de minister het verzoek van eiseres om overname van schulden op grond van de Wet hersteloperatie Toeslagen deels afgewezen.
1.1.
Eiseres heeft op 15 december 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bovenaan dit bezwaarschrift staat “voorlopig bezwaarschrift c.q. verzoek tot herziening”.
1.2.
Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend zonder dat daarvoor een goede (verschoonbare) reden is. De minister heeft in dit besluit ook ambtshalve het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en uitgelegd waarom de schulden niet volledig worden overgenomen.
1.3.
Op 8 april 2024 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt, voor zover het besluit van 7 maart 2024 gaat over het eerdergenoemde “verzoek tot herziening”.
1.4.
Bij brief van 18 april 2024 heeft de minister hierop gereageerd. In die brief staat dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de ambtshalve inhoudelijke beoordeling van 7 maart 2024, maar dat daartegen geen rechtsmiddel openstaat en dat eiseres niet twee keer bezwaar kan maken tegen hetzelfde besluit. Verder heeft de minister geschreven dat het bezwaarschrift van 8 april 2024 als beroepschrift moet worden doorgezonden naar de rechtbank, maar dat de minister daarvan afziet omdat eiseres expliciet heeft aangegeven dat zij zich niet verzet tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar.
1.5.
Eiseres heeft op 30 mei 2024 beroep ingesteld tegen de brief van 18 april 2024.
1.6.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
Eiseres heeft op 24 juni 2025 haar gronden van beroep aangevuld.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze zaak gaat het erom dat eiseres het niet eens is met de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om overname van schulden. Daarom heeft zij bezwaar gemaakt. Bovenaan haar bezwaarschrift heeft zij niet alleen geschreven dat het gaat om een voorlopig bezwaarschrift, maar heeft zij ook vermeld “verzoek tot herziening”. Vervolgens heeft eiseres in het bezwaarschrift uitgelegd waarom zij het niet eens is met de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om overname van schulden.
2.1.
Eiseres betoogt dat zij met het bezwaarschrift ook een aanvraag tot herziening heeft gedaan, waarop de minister heeft beslist met het besluit van 7 maart 2024. Volgens eiseres heeft de minister niet onderkend dat zij tegen dat besluit bezwaar kan maken.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Boven het voorlopig bezwaarschrift staat “verzoek tot herziening”. In het bezwaarschrift licht eiseres toe waarom zij het niet eens is met afwijzing van haar verzoek tot overname van haar schuld, maar zij gaat in het bezwaarschrift niet concreet in op het “verzoek tot herziening”. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres met het “verzoek tot herziening” in wezen beoogt dat de minister de afwijzing van haar verzoek tot overname van schulden heroverweegt. Dat is hetzelfde als wat zij met haar bezwaar vraagt van de minister. De enkele vermelding “verzoek tot herziening” boven het bezwaarschrift voegt dus niets toe aan het bezwaarschrift. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat eiseres aan het eind van het bezwaarschrift (in het petitum) wel verzoekt om haar bezwaren ontvankelijk te verklaren, maar niets verzoekt ten aanzien van haar “verzoek tot herziening”. Het “verzoek tot herziening” is dus beperkt tot deze drie woorden boven het bezwaarschrift en houdt verder niets in.
3.1.
Anders dan eiseres betoogt, hoefde de minister die woorden boven het bezwaarschrift niet op te vatten als een herhaalde aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ook hoefde de minister die woorden niet op te vatten als een verzoek om het besluit van 29 augustus 2022 te herzien op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Nog los van de vraag of de Awir in dit geval van toepassing is, zijn drie woorden boven een bezwaarschrift zonder nadere toelichting daarvoor evident onvoldoende.
3.2.
De minister heeft op 7 maart 2024 een beslissing op bezwaar genomen. De minister heeft het bezwaar ook inhoudelijk beoordeeld, maar is daarbij niet ingegaan op het verzoek om herziening. Eiseres heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen deze beslissing op bezwaar voor zover dat gaat over het “verzoek tot herziening”, maar uit het voorgaande volgt dat dit verzoek geen aanvullende betekenis heeft naast het bezwaarschrift. Anders dan eiseres stelt, is de minister ook niet inhoudelijk ingegaan op het “verzoek tot herziening”. Dat betekent dat de minister zich in de brief van 18 april 2024 terecht op het standpunt heeft gesteld dat tegen de beslissing op bezwaar van 7 maart 2024 geen bezwaar openstaat. De minister heeft daarmee dus het bezwaar tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond
.Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr.L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.