In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 15 december 2025 een beschikking gegeven inzake de omgangsregeling tussen een vader en zijn twee minderjarige kinderen. De rechtbank heeft de beschikking van 2 december 2024 gewijzigd, waarbij de vader het recht krijgt om zijn kinderen éénmaal per vier weken gedurende vier uren te zien in zijn thuissituatie. De omgang zal onbegeleid plaatsvinden, maar de overdracht van de kinderen zal onder begeleiding van een gecertificeerde instelling, hier aangeduid als [instelling], of een andere onafhankelijke partij, plaatsvinden. De rechtbank heeft deze wijziging doorgevoerd op verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, die betrokken is bij de voogdij over de kinderen.
De procedure begon met een verzoekschrift van de gecertificeerde instelling, dat op 21 oktober 2025 is ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2025 zijn de zorgen van de gecertificeerde instelling besproken, die met name betrekking hadden op de spanningen tussen de vader en de pleegouders. De rechtbank heeft vastgesteld dat er positieve contacten zijn tussen de vader en de kinderen, maar dat er ook zorgen zijn over grensoverschrijdend gedrag van de vader. De rechtbank heeft geoordeeld dat, hoewel de omgang zelf goed verloopt, de begeleiding tijdens de overdracht noodzakelijk is om de veiligheid en het welzijn van de kinderen te waarborgen.
De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk moet worden opgevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank heeft de verzoeken van de gecertificeerde instelling gedeeltelijk toegewezen en de omgangsregeling aangepast om de positieve band tussen de vader en de kinderen te ondersteunen, terwijl de nodige waarborgen voor de overdracht zijn getroffen.