ECLI:NL:RBMNE:2025:6582

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
601369
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling tussen vader en kinderen onder toezicht van gecertificeerde instelling

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 15 december 2025 een beschikking gegeven inzake de omgangsregeling tussen een vader en zijn twee minderjarige kinderen. De rechtbank heeft de beschikking van 2 december 2024 gewijzigd, waarbij de vader het recht krijgt om zijn kinderen éénmaal per vier weken gedurende vier uren te zien in zijn thuissituatie. De omgang zal onbegeleid plaatsvinden, maar de overdracht van de kinderen zal onder begeleiding van een gecertificeerde instelling, hier aangeduid als [instelling], of een andere onafhankelijke partij, plaatsvinden. De rechtbank heeft deze wijziging doorgevoerd op verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, die betrokken is bij de voogdij over de kinderen.

De procedure begon met een verzoekschrift van de gecertificeerde instelling, dat op 21 oktober 2025 is ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2025 zijn de zorgen van de gecertificeerde instelling besproken, die met name betrekking hadden op de spanningen tussen de vader en de pleegouders. De rechtbank heeft vastgesteld dat er positieve contacten zijn tussen de vader en de kinderen, maar dat er ook zorgen zijn over grensoverschrijdend gedrag van de vader. De rechtbank heeft geoordeeld dat, hoewel de omgang zelf goed verloopt, de begeleiding tijdens de overdracht noodzakelijk is om de veiligheid en het welzijn van de kinderen te waarborgen.

De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk moet worden opgevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank heeft de verzoeken van de gecertificeerde instelling gedeeltelijk toegewezen en de omgangsregeling aangepast om de positieve band tussen de vader en de kinderen te ondersteunen, terwijl de nodige waarborgen voor de overdracht zijn getroffen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/601369 / FO RK 25-1320
Gezag en omgang
Beschikking van 15 december 2025
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI.
tegen
[de vader],
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vader
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
de heer [belanghebbende 1] en mevrouw [belanghebbende 2],
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de GI (met bijlagen), binnengekomen op 21 oktober 2025;
  • het gewijzigde verzoekschrift van de GI (met bijlagen), binnengekomen op 21 oktober 2025;
  • de mail van de vader van 18 november 2025;
  • de mail met bijlagen van de vader van 20 november 2025.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader
  • [A] en [B] , namens de GI.
De pleegmoeder heeft laten weten dat de pleegouders afzien van de mogelijkheid om naar de zitting te komen.
1.2.
De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. De rechter heeft op 19 november 2025 (online) met [minderjarige 1 (voornaam)] gesproken. [minderjarige 2 (voornaam)] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De vader en mevrouw [C] zijn de ouders van:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] .
[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] verblijven in een pleeggezin.
2.2.
Bij beschikking van 29 juni 2021 van de rechtbank Gelderland is het gezag van de ouders over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] beëindigd en is de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland belast met de voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Deze beschikking is bij beschikking van 22 maart 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd.
2.3.
Bij beschikking van 17 februari 2023 van de rechtbank Gelderland is de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland als voogd over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] ontslagen en is de GI als voogd over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] benoemd.
2.4.
Bij beschikking van 2 december 2024 van deze rechtbank is bepaald dat onder regie van de GI moet worden toegewerkt naar hervatting van de eerdere omgangsregeling, waarbij de vader en de kinderen één keer in de vier weken gedurende vier uur, exclusief reistijd [plaats 2] - [plaats 1] , onbegeleide omgang in de thuissituatie van de vader hebben.
2.5.
[instelling] is inmiddels betrokken bij de (opstart van de) omgang.
2.6.
De GI verzoekt de rechtbank om -analoog aan artikel 1:377e lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)- de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang te wijzigen in die zin dat de vader de kinderen één keer in de vier weken, onder volledige begeleiding van [instelling] (of een andere onafhankelijk partij) zal zien. Indien mogelijk in de thuissituatie bij de vader. Verder verzoekt de GI de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal de omgangsregeling wijzigen in die zin dat de vader één keer in de vier weken onbegeleide omgang heeft met de kinderen bij de vader thuis, waarbij de overdracht onder begeleiding is van [instelling] (of een andere onafhankelijke partij). Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de GI gedeeltelijk zal toewijzen.
De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
De motivering
3.2.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:377e lid 1 BW, op verzoek van de GI, een beslissing inzake de omgang wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat de GI geen wijziging vraagt van de frequentie, duur of plaats van omgang, maar verzoekt om de omgang te blijven begeleiden, in plaats van toe te werken naar onbegeleide omgangsmomenten.
3.4.
Uit de verslagen van [instelling] en de verklaring van [minderjarige 1 (voornaam)] tijdens het kindgesprek blijkt dat de kinderen het prettig hebben bij de vader en dat er sprake is van positief contact. Dat wordt door de GI niet betwist. De zorgen van de GI zien met name op de spanningen tussen de vader en de pleegouders en de GI. De GI ziet daarbij grensoverschrijdend gedrag van de vader. Zo hebben er de afgelopen tijd meerdere confrontaties plaatsgevonden, heeft er vanwege meldingen een Veilig Thuis onderzoek plaatsgevonden, is de vader meerdere keren zonder afspraak aanwezig geweest op plekken waar de kinderen verblijven en is het overleg op het kantoor van de GI op 13 mei 2025 geëscaleerd. Dit maakt dat er na de beschikking van 2 december 2024 gewijzigde omstandigheden zijn, op grond waarvan de rechtbank de omgangsregeling kan wijzigen. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat de voorgenoemde spanningen kunnen leiden tot een onrustige situatie voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De vader heeft daarbij aangegeven dat hij niet wil investeren in een betere verstandhouding met de pleegouders. Het is dan ook niet te verwachten dat dit beter zal worden binnen afzienbare tijd.
3.5.
Tegelijkertijd blijkt uit de stukken en wat tijdens het kindgesprek en ter zitting naar voren is gebracht, dat het contactmoment bij de vader thuis goed, rustig en positief verloopt. [instelling] heeft meerdere malen gerapporteerd dat de vader in de thuissituatie adequaat handelt, dat er geen onveiligheid wordt gezien en dat de kinderen ontspannen zijn. De vader verzet zich dan ook tegen begeleiding tijdens de omgang met zijn kinderen. Hij acht deze begeleiding onnodig en belastend.
3.6.
De rechtbank ziet onvoldoende grond voor volledige begeleiding van elk omgangsmoment, zoals door de GI is verzocht. Een dergelijke ingreep is alleen gerechtvaardigd wanneer dit noodzakelijk is voor de veiligheid of het welzijn van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de problemen zich met name voordoen bij de overdracht en tussen de volwassenen onderling, maar niet tijdens de omgang zelf. Een begeleide overdracht zal daarom voldoende waarborg bieden om de nodige risico’s en spanningen op te vangen. De omgang kan naar het oordeel van de rechtbank verder onbegeleid plaatsvinden in de thuissituatie van de vader.
3.7.
Met deze omgangsregeling wordt de positieve band tussen de vader en de kinderen ondersteund, terwijl de rust en veiligheid rondom de overdracht worden gewaarborgd.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.8.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van 2 december 2024 in die zin dat:
- de vader de minderjarige [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] éénmaal per vier weken gedurende vier uren zal zien in de thuissituatie van de vader;
- de omgang bij de vader thuis onbegeleid plaatsvindt;
- de overdracht plaatsvindt onder begeleiding van [instelling] (of een andere onafhankelijke partij);
4.2.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.G. van Doorn, (kinder)rechter in samenwerking met mr. C.A. Lammertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.