ECLI:NL:RBMNE:2025:6595

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/5806
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van exploitatie- en alcoholvergunningen van horecagelegenheid na betrokkenheid van vennoot met slecht levensgedrag

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 17 oktober 2025, wordt de intrekking van de exploitatie- en alcoholvergunningen van een horecagelegenheid besproken. De burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht had deze vergunningen ingetrokken omdat één van de vennoten, [A], van slecht levensgedrag zou zijn. De voorzieningenrechter had eerder een ordemaatregel getroffen die de bar toestond open te blijven, en in deze uitspraak werd deze maatregel verlengd. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester niet voldoende had gemotiveerd waarom de intrekking van de vergunningen gerechtvaardigd was, vooral nu [A] inmiddels als vennoot was uitgeschreven. De burgemeester had niet duidelijk gemaakt welke gronden voor intrekking nog van toepassing waren en hoe deze in de nieuwe situatie moesten worden gewogen. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van de verzoekster een redelijke kans van slagen had en dat de belangen van de verzoekster bij het openhouden van de bar zwaarder wogen dan de belangen van de burgemeester bij sluiting. De voorzieningenrechter schorste het besluit van de burgemeester tot twee weken na de beslissing op bezwaar en bepaalde dat de burgemeester de proceskosten moest vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5806

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S.D. Kurz),
en

de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht

(gemachtigden: mr. R. Vianen en mr. D. Rijken).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de exploitatievergunning en de intrekking van de alcoholvergunning voor de exploitatie van [verzoekster] in [plaats] . Die intrekking leidt ertoe dat de bar per 8 oktober 2025 had moeten zijn gesloten. De voorzieningenrechter heeft een ordemaatregel getroffen, die inhoudt dat de bar mocht openblijven. In deze uitspraak verlengt de voorzieningenrechter deze ordemaatregel. Dat betekent dat de bar tot twee weken na het besluit op bezwaar mag openblijven.
2. De voorzieningenrechter komt tot die conclusie, omdat op dit moment onvoldoende duidelijk is of de drie gronden waarop de intrekking is gebaseerd in het besluit op bezwaar zullen standhouden. De belangrijkste grond voor intrekking is namelijk dat [A] ( [A] ) als vennoot en daarmee als leidinggevende bij verzoekster is betrokken, terwijl hij van slecht levensgedrag is. Inmiddels is [A] echter uitgeschreven als vennoot en dat betekent dat wat de burgemeester als belangrijkste reden voor intrekking ziet, niet langer onveranderd opgaat. De vraag is wat het effect hiervan is op de overgebleven twee gronden en of die gronden de intrekking van de vergunningen zelfstandig kunnen dragen. Dat staat onvoldoende vast, omdat uit het bestreden besluit niet duidelijk volgt welke bevoegdheden de burgemeester precies aanwendt en hoe hij, als hij daarbij beoordelingsruimte heeft, de verschillende belangen weegt. Daarmee is niet gezegd dat de intrekking van de vergunningen zonder meer van tafel is: in bezwaar moet alles samen opnieuw bekeken worden, in het licht van de ondertussen ontstane nieuwe situatie dat [A] als vennoot is uitgetreden. Daarom heeft het bezwaar op dit moment een redelijke kans van slagen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens de belangen van de burgemeester en verzoekster bij het treffen van een voorziening tegen elkaar afgewogen. Zij ziet dat de burgemeester er groot belang bij heeft dat verzoekster voldoet aan de relevante wet- en regelgeving. Verzoekster heeft dat lange tijd niet gedaan. Zij heeft zich bovendien niet coöperatief en niet transparant opgesteld in het contact met de burgemeester. Dat de burgemeester daartegen optreedt, vindt de voorzieningenrechter zonder meer gerechtvaardigd. Het feit dat de situatie op dit moment echter is veranderd, in combinatie met de grote belangen die verzoekster heeft bij het open blijven van de bar tijdens de bezwaarprocedure, maakt dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit toch schorst.

Procesverloop

3. Op 8 maart 2022 heeft de burgemeester aan verzoekster een alcoholvergunning in de zin van de Alcoholwet en een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Stichtse Vecht (APV) verleend. De burgemeester heeft deze twee vergunningen in zijn besluit van 26 september 2025 (het bestreden besluit) met ingang van 8 oktober 2025 ingetrokken, omdat
i) één van vennoten, [A] , volgens de burgemeester van slecht levensgedrag is;
ii) er onjuiste en onvolledige informatie is verstrekt bij de aanvragen om de vergunningen te verlenen; en
iii) verzoekster niet tijdig heeft doorgegeven dat één van haar vennoten niet langer bij de exploitatie betrokken is. Daarbij heeft de burgemeester verwezen naar zowel de Alcoholwet als de APV. [1] Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de bar feitelijk per 8 oktober 2025 moet sluiten.
4. Verzoekster is het hiermee niet eens en heeft bezwaar gemaakt. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om het bestreden besluit te schorsen, zodat de exploitatie van de bar kan worden voortgezet.
5. De voorzieningenrechter heeft op 8 oktober 2025 als ordemaatregel een voorlopige voorziening getroffen die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst. In deze uitspraak zal de voorzieningenrechter beoordelen of die voorlopige voorziening verlengd moet worden of dat de voorziening moet worden opgeheven.
6. De burgemeester heeft de gedingstukken overgelegd. Daaronder bevinden zich drie documenten, waarvan de burgemeester vindt dat alleen de voorzieningenrechter daarvan kennis mag nemen, omdat zij persoonsgegevens van [A] bevatten. [2] De rechter van geheimhoudingskamer heeft in haar beslissing van 13 oktober 2025 geoordeeld dat beperkte kennisneming van deze documenten gerechtvaardigd is. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter toestemming gegeven om deze stukken in te zien. [3] De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van die stukken.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 oktober 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [B] , vennoot van verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.
Overwegingen
Hoe toetst de voorzieningenrechter het verzoek?
8. De voorzieningenrechter heeft een ordemaatregel getroffen. Zij bekijkt nu of deze ordemaatregel verlengd moet worden. Daarvoor geeft zij een voorlopige beoordeling van de kans van slagen van het bezwaar van verzoekster. Daarnaast weegt zij de belangen van verzoekster en van de burgemeester bij een schorsing. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter erover is dat de intrekking van de vergunningen in bezwaar standhoudt, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoekster bij het schorsen van het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
Intrekkingsgrond 1): slecht levensgedrag van één van de vennoten
9. De eerste grond waarop de burgemeester de intrekking van vergunningen baseert, is dat [A] vennoot is van verzoekster. Een vennoot wordt aangemerkt als leidinggevende. [4] Dat volgt uit artikel 1 van de Alcoholwet. Een leidinggevende moet op grond van zowel de Alcoholwet als de APV voldoen aan het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De burgemeester vindt dat [A] niet aan dit vereiste voldoet. Dit heeft hij ook al geconcludeerd in het besluit van 17 maart 2025 en het daaropvolgende besluit op bezwaar van 3 juli 2025, naar aanleiding van het verzoek van [A] om als leidinggevende te worden bijgeschreven. De burgemeester heeft verzoekster er in het besluit van 17 maart 2025 op gewezen dat [A] uiterlijk op 2 april 2025 moet zijn uitgeschreven als vennoot. Verzoekster heeft dat op het moment van het bestreden besluit nog niet gedaan.
10. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat [A] inmiddels niet meer geregistreerd staat als vennoot. Per 1 oktober 2025 is hij uitgeschreven en vervangen door een andere vennoot. Op de zitting heeft verzoekster gezegd dat [A] niet betrokken meer is of zal zijn bij de exploitatie van de bar. Het slecht levensgedrag van [A] is volgens verzoekster niet langer relevant en gelet op deze nieuwe omstandigheid houdt de intrekking van de vergunningen geen stand.
11. De voorzieningenrechter stelt vast dat er door de uittreding van [A] als vennoot een andere juridische situatie is ontstaan. Deze situatie moet de burgemeester in bezwaar bij zijn beoordeling betrekken, omdat hij in bezwaar moet kijken naar de situatie zoals die op dat moment is (‘ex nunc-toetsing’). De voorzieningenrechter heeft de burgemeester daarom op de zitting gevraagd wat het gevolg moet zijn van deze wijziging voor de besluitvorming in bezwaar.
12. De gemachtigden van de burgemeester hebben daarop verklaard dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar de vraag of er geen sprake is van een papieren werkelijkheid, waarbij [A] weliswaar niet langer officieel verbonden is bij de exploitatie van de bar, maar daar feitelijk nog wel bemoeienis mee heeft, bijvoorbeeld omdat hij financieel voordeel haalt uit de bar. In dat verband moet er een Bibob-toets [5] worden gedaan naar de leidinggevenden van de bar. Dit onderzoek zal de burgemeester uitvoeren in het kader van de nieuwe aanvraag die verzoekster heeft ingediend voor een exploitatievergunning en een alcoholvergunning. Ook als de vergunningen niet worden ingetrokken, gaat dit gebeuren want er is volgens de burgemeester sowieso een nieuwe aanvraag en aparte beoordeling nodig. De bar moet in de tussentijd volgens de burgemeester gesloten blijven.
13. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit antwoord niet voldoende inzicht geeft over de besluitvorming in bezwaar. Het is niet duidelijk geworden of de intrekkingsgrond ‘slecht levensgedrag’ in bezwaar nog kan standhouden nu [A] niet langer als vennoot is betrokken bij de bar. De betrokkenheid als vennoot vormde namelijk de kern van de intrekking en nu die betrokkenheid er niet langer is, roept dat de vraag op of de burgemeester de vergunningen op die grond nog altijd wil en kan intrekken. Dat de burgemeester zeker wil weten dat [A] niet langer feitelijk is betrokken bij de exploitatie van de bar, begrijpt de voorzieningenrechter, maar daarmee is de vraag of deze intrekkingsgrond standhoudt niet beantwoord. Zeker nu de burgemeester heeft gezegd dat hij het onderzoek naar de feitelijke betrokkenheid van [A] gaat doen in het kader van de aanvraag om nieuwe vergunningen en niet in het kader van het lopende bezwaar.
14. Zonder verdere motivering van de kant van de burgemeester, is de voorzieningenrechter op dit moment van oordeel dat de eerste grond in bezwaar niet meer aan de intrekking van de vergunningen ten grondslag kan worden gelegd.
Intrekkingsgrond 2): onjuiste/onvolledige gegevens verstrekt ter verkrijging van de vergunningen
15. De tweede intrekkingsgrond die de burgemeester aan het besluit ten grondslag legt, komt erop neer dat [A] al jaren optreedt als leidinggevende, terwijl dit niet is gemeld bij de aanvraag voor de vergunningen. Als de burgemeester dit destijds had geweten, dan had hij de vergunningen niet verleend.
16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zowel de Alcoholwet als de APV een intrekkingsgrond bevatten vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens bij de aanvraag. De artikelen verschillen van elkaar en daarom zal de voorzieningenrechter hierna afzonderlijk bespreken of aan de voorwaarden voor intrekking van de vergunningen is voldaan.
17. In artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet is – kort samengevat – bepaald dat de burgemeester de alcoholvergunning moet intrekken als er ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, terwijl als die gegevens wel volledig bekend zouden zijn geweest bij de burgemeester, hij een andere beslissing zou hebben genomen.
18. De voorzieningenrechter vindt, net als de burgemeester, aannemelijk dat [A] al langere tijd optreedt als leidinggevende in de bar. Hoewel verzoekster heeft gezegd dat dit pas is gestart vanaf januari 2025, toen [A] een zieke vennoot verving, zijn er erg veel aanwijzingen dat [A] zich al veel eerder gedroeg als leidinggevende van de bar. De burgemeester heeft in het bestreden besluit opgesomd hoe vaak [A] als leidinggevende is aangetroffen bij controles in de bar. Bovendien heeft [A] zichzelf in een andere procedure geprofileerd als feitelijk leidinggevende van de bar. Zo heeft hij onder meer gezegd dat hij altijd bij de bar betrokken is geweest; dat hij al vijftien jaar geen leidinggevende mag zijn; en heeft de gemachtigde van verzoekster tijdens een andere zitting bij de rechtbank gezegd dat [A] het gezicht is van de bar. Verzoekster heeft bij haar aanvraag om een alcoholvergunning in 2021 niet gemeld dat het haar bedoeling was dat [A] leiding zou geven aan de bar en dat had zij wel moeten doen.
19. De vraag is echter of, als dit bekend zou zijn geweest, de burgemeester een andere beslissing genomen zou hebben. Op grond van de Alcoholwet moet de vergunning immers worden ingetrokken als bekendheid met de juiste gegevens tot een andere beslissing had geleid. Dat ziet de voorzieningenrechter niet. In de aan verzoekster verleende exploitatievergunning van 22 maart 2022 staat namelijk vermeld dat er op 18 september 2021 een vechtpartij in de bar heeft plaatsgevonden, waarbij een leidinggevende, die niet op de vergunning stond bijgeschreven, zich in het contact met de politie heeft gepresenteerd als leidinggevende. De gegevens van deze leidinggevende waren bekend bij de politie. Er is onderzoek gedaan naar deze leidinggevende en daarbij is vastgesteld dat deze zich eerder tot de burgemeester heeft gewend om als leidinggevende te worden bijgeschreven. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld, omdat niet alle gegevens voor deze aanvraag waren overgelegd. In het bestreden besluit maakt de burgemeester melding van dit incident en verklaart hij dat [A] de betreffende leidinggevende is.
Uit het voorgaande maakt de voorzieningenrechter op dat de burgemeester op het moment van de vergunningverlening al op de hoogte was van de bemoeienis van [A] als leidinggevende bij de exploitatie. Dit heeft er echter niet toe geleid dat de burgemeester de alcoholvergunning heeft geweigerd.
20. Zonder nadere motivering kan de burgemeester zich daarom niet op het standpunt stellen dat aan alle voorwaarden van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet is voldaan en hij de vergunning dus moet intrekken. Het is aan de burgemeester om nader te motiveren waarom hij vindt dat wel is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet.
21. Ook de APV kent een intrekkingsbevoegdheid als er ter verkrijging van een vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. De burgemeester heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt bij de aanvraag en dat hij de exploitatievergunning in zo’n geval altijd moet intrekken.
22. Zoals uit wat hiervoor is overwogen, twijfelt de voorzieningenrechter er niet aan dat [A] van meet af aan betrokken is geweest bij de exploitatie en dat verzoekster dat had moeten melden bij de aanvraag. Artikel 1.6 van de APV is echter, anders dan de burgemeester aanneemt, geen dwingende bepaling, maar een zogenaamde ‘kan-bepaling’. Het is dus aan de burgemeester om in een besluit een concrete afweging te maken waarom hij in dit geval van de gegeven bevoegdheid tot intrekking van de exploitatievergunning gebruikmaakt. Die motivering ontbreekt in het bestreden besluit en daarom kleeft aan dit besluit een gebrek. Het is aan de burgemeester om het gebrek in bezwaar te herstellen, ook in het licht van de nieuw ontstane situatie dat [A] niet langer (als vennoot) is betrokken bij de bar.
Intrekkingsgrond 3): tijdig doorgeven wijziging uittredende vennoot in 2022
23. De derde grond die de burgemeester aan de intrekking van de vergunningen ten grondslag legt, is dat verzoekster te laat aan de burgemeester heeft doorgeven dat een eerdere vennoot niet langer bij de exploitatie van de bar betrokken is. Deze wijziging vond plaats op 4 juli 2022 en verzoekster heeft dit pas op 22 januari 2025 aan de burgemeester meegedeeld.
24. Verzoekster stelt dat zij de wijziging wel tijdig heeft doorgegeven, maar dat wijzigingen bij de burgemeester vaak niet juist worden geregistreerd. Als bewijs heeft verzoekster e-mailberichten uit 2017 afkomstig van haar boekhouder bijgevoegd.
25. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar standpunt dat zij wel tijdig de wijziging van 4 juli 2022 heeft doorgegeven. Zij heeft hiervan namelijk geen bewijs overgelegd. Ook kan de voorzieningenrechter uit de overgelegde e-mailberichten uit 2017 niet afleiden dat een mogelijke melding door de burgemeester niet goed zou zijn opgepakt. Het staat daarmee naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter vast dat verzoekster de wijziging te laat heeft doorgegeven.
26. De vraag is alleen wat voor gevolg dat moet hebben. Wat betreft de exploitatievergunning wijst de voorzieningenrechter erop dat, zoals hiervoor ook is overwogen, de burgemeester op grond van artikel 1.6 van de APV de bevoegdheid toekomt om een exploitatievergunning in te trekken, maar hij moet dan wel motiveren waarom hij van deze bevoegdheid gebruikmaakt. Dat heeft hij in het bestreden besluit niet gedaan en dat zal hij in het besluit op bezwaar alsnog moeten doen.
Wat betreft de alcoholvergunning, geldt dat de burgemeester in het bestreden besluit niet voldoende duidelijk heeft gemaakt van welke bevoegdheid tot intrekking van de vergunning hij gebruikmaakt. Onder het kopje ‘wet- en regelgeving’ in het bestreden besluit noemt de burgemeester artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 30a, eerste lid, van de Alcoholwet. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waar het niet tijdig melden van het vertrek van een vennoot precies onder geschaard moet worden. Hierover zal de burgemeester in een besluit op bezwaar dus meer duidelijkheid moeten verschaffen. Voor zover de intrekking zou berusten op het ook door de burgemeester genoemde tweede lid van artikel 31 van de Alcoholwet, wijst de voorzieningenrechter erop dat dit – anders dan het eerste lid – een ‘kan-bepaling’ is. De burgemeester zal als dit de grondslag is, dus moeten toelichten waarom hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid
27. Samenvattend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester de intrekking van beide vergunningen in bezwaar beter zal moeten toelichten dan hij tot nu toe heeft gedaan. Dat betekent niet zonder meer dat de intrekking van tafel is, maar dat de burgemeester – als hij het bestreden besluit wil handhaven – een betere motivering moet geven welke bevoegdheden hij aanwendt en waarom er tot intrekking van de vergunningen wordt overgegaan. Daarbij zal hij moeten betrekken dat op de zitting is toegelicht dat de burgemeester uitgaat van een opeenstapeling van verschillende intrekkingsgronden. De vraag die voorligt is of, als de eerste intrekkingsgrond in bezwaar niet gehandhaafd blijft, de andere intrekkingsgronden de intrekking van de vergunningen zelfstandig kan dragen. Het bezwaar heeft daarmee een redelijke kans van slagen.
Hoe weegt de voorzieningenrechter de belangen?
28. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoekster bij het open houden van de bar in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester bij een sluiting. Zij begrijpt dat voor de burgemeester de maat echt vol is. Het valt verzoekster te verwijten dat het zo ver moest komen dat de burgemeester de vergunningen heeft ingetrokken, omdat zij zonder deze intrekking geen gevolg gaf aan de eis van de burgemeester om [A] uit te schrijven. Dat het voor haar niet eerder mogelijk zou zijn geweest om [A] uit te schrijven, zoals op de zitting is gezegd, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Het is in zoverre terecht dat de burgemeester optreedt en er verscherpt toezicht is op het reilen en zeilen in de bar.
29. Daar staat echter tegenover dat [A] inmiddels is uitgeschreven als vennoot. Dat maakt dat het hoofddoel van de burgemeester in elk geval juridisch is bereikt. Een onderzoek naar een mogelijke voortdurende feitelijke betrokkenheid van [A] bij de bar, zal plaatsvinden in het kader van de nieuwe vergunningsaanvragen en dit zal volgens de burgemeester gebeuren ongeacht of de vergunningen worden ingetrokken. Verzoekster heeft verder toegezegd te zullen meewerken aan dit onderzoek en volledige transparantie te zullen bieden. De burgemeester mag dat ook van haar verwachten. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter dat een sluiting van de bar grote gevolgen heeft voor verzoekster, zowel voor haar personeel, de buurt en financieel. Gelet op die belangen, samen gezien met de onduidelijkheid hoe de bezwaarprocedure gaat verlopen, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van verzoekster om gedurende die bezwaarprocedure open te blijven, groter is. Daarom zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen.
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en verlengt de eerder getroffen voorlopige voorziening in die zin dat het besluit van 26 september 2025 tot intrekking van de exploitatievergunning en intrekking van de alcoholvergunning voor de exploitatie van [verzoekster] in [plaats] is geschorst tot twee weken nadat een beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. Dat betekent dat de bar vooralsnog open mag blijven.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten ter hoogte van € 1.814,-. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt daarmee in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verlengt de getroffen voorlopige voorziening die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst;
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Alcoholwet
Artikel 1
[…]
– leidinggevende:
1°.de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend;
2°.de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen;
[…]
Artikel 8
1 Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:
a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
c. zij mogen niet onder curatele staan.
Artikel 30 Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 29 vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.
Artikel 30a
1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens:
a. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven;
b.de aantekening door te laten halen dat een leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van het horecabedrijf of slijtersbedrijf.
Artikel 31
1. Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien:
a. de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen;
[..]
d. de vergunninghouder in de in de artikelen 30 en 30a, eerste lid, bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan.
2 Een vergunning kan door de burgemeester worden ingetrokken indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen, niet nakomt.
[…]
Algemene plaatselijke verordening Stichtse Vecht 2024
Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
[…].
Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
[…]
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Voetnoten

1.In een bijlage bij deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter het juridisch kader opgenomen.
2.Artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
4.Artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b van de Alcoholwet en artikel 1.6, aanhef en onder c in samenhang met de vergunningsvoorwaarden.
5.Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.