ECLI:NL:RBMNE:2025:6599

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/6419
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van handhavingsbesluit betreffende gebruik parkeergarage door sportschool

Op 3 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland een mondelinge uitspraak gedaan in een zaak tussen een sportschool en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen. De sportschool had bezwaar gemaakt tegen twee lasten onder dwangsom die het college had opgelegd, waarbij de sportschool werd verplicht het gebruik van de parkeergarage als sportschool te beëindigen en 30 parkeerplaatsen in de parkeergarage terug te brengen in de oorspronkelijke staat. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de belangen van de sportschool in deze fase zwaarder wegen dan die van het college, en heeft het besluit van het college geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft daarbij benadrukt dat de procedure voor een voorlopige voorziening beperkt is en dat er nog veel onduidelijkheden zijn die in de bezwaarprocedure verduidelijkt moeten worden. De sportschool heeft aangevoerd dat de opgelegde lasten niet uitvoerbaar zijn en dat de parkeergarage al 20 jaar niet als zodanig in gebruik is. Het college heeft echter gesteld dat er sprake is van overtredingen en dat handhaving noodzakelijk is. De voorzieningenrechter heeft uiteindelijk besloten dat de bedrijfsvoering van de sportschool niet verstoord mag worden tijdens de bezwaarprocedure, en heeft het college opgedragen het griffierecht aan de sportschool te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6419

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

3 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats] (sportschool), verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. A. Leijenhorst).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. uit [plaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. M. Hoogesteger).

Inleiding

1. In 2024 heeft derde-partij het college mondeling verzocht om handhavend op te treden met betrekking tot de sportschool in de parkeergarage op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Op 3 juli 2025 heeft derde-partij het college schriftelijk verzocht om handhavend op te treden.
2. Op 17 juli 2025 heeft het college de sportschool bericht voornemens te zijn handhavend op te treden tegen meerdere overtredingen op het perceel, waaronder die met betrekking tot het gebruik van de parkeergarage. Daarbij heeft het college gewezen op het rapport van de toezichthouder van een controle op 25 juni 2025 met daarin de constatering dat de sportschool en de ondergelegen parkeerkelder zijn samengevoegd tot één sportschool zonder juiste vergunning. Door het in gebruik nemen van de parkeerkleder is een nog groter tekort aan parkeerplaatsen ontstaan.
3. Op 15 augustus 2025 heeft de sportschool zienswijzen naar voren gebracht.
Op 14 oktober 2025 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden.
4. Het college heeft met zijn besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) aan de sportschool twee lasten onder dwangsom opgelegd:
1. Vanwege een overtreding van het omgevingsplan de last om het gebruik van de parkeergarage zonder omgevingsvergunning als sportschool binnen twee weken te beëindigen en beëindigd te houden.
2. Vanwege een overtreding van de parkeernorm uit het tijdelijke omgevingsplan Kom-Oost de last om aan de parkeernorm uit artikel 25.2 te voldoen door uiterlijk 15 december 2025 de 30 parkeerplaatsen in de parkeergarage terug te brengen in de oorspronkelijke staat zodat deze weer te gebruiken zijn.
Bij het niet voldoen aan de beide lasten geldt per last een dwangsom van € 15.000,- ineens.
5. De sportschool is het niet eens met de opgelegde lasten onder dwangsom en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De sportschool heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
6. Het college heeft met een besluit van 13 november 2025 de hersteltermijn van de beide lasten verlengd tot één week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
7. Het college heeft op 20 november 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De sportschool heeft op 25 en 30 november 2025 een aanvullende reactie overgelegd.
8. Het college heeft op 2 december 2025 aanvullende stukken overgelegd: een uitdraai uit het Kadaster en de oorspronkelijke vergunning en de tekeningen uit 1981.
De voorzieningenrechter heeft deze stukken niet toegevoegd aan het dossier vanwege te late toezending, maar ook omdat de stukken onduidelijk zijn en onvoldoende duidelijk is gemaakt wat de toegevoegde waarde is om deze stukken in deze stand van de procedure mee te wegen.
9. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [A] , eigenaar van het perceel en van de sportschool, vergezeld van [B] , locatiemanager, en de gemachtigde van het college, vergezeld van [C] .
10. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
12. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. De procedure biedt maar beperkt ruimte voor een beoordeling van de standpunten die de rechtmatigheid van een besluit raken. Zeker als daarbij zoals in dit geval nog veel onduidelijkheden zijn over onder meer de berekening van de parkeernorm, het uitgevoerde parkeeronderzoek en het aantal parkeerplaatsen in de parkeergarage. Dit zijn punten die in de bezwaarprocedure verduidelijkt moeten worden. Het is aan het college om dat te doen bij de behandeling van de bezwaren van de sportschool.
13. De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek beoordeeld op grond van een belangenafweging. Wat de voorzieningenrechter daarbij doet, is beoordelen welke belangen partijen hebben bij het in stand laten van de bestreden last onder dwangsom of bij een schorsing daarvan, en die belangen vervolgens tegen elkaar afwegen. Het gaat dan om de belangen die spelen, in afwachting van de inhoudelijke beoordeling en heroverweging door het college.
Belangenafweging
14. Verzoekster voert aan dat de opgelegde lasten feitelijk en juridisch niet uitvoerbaar zijn en onevenredig zwaar. De kelder is al 20 jaar niet in gebruik als parkeerkelder. Zonder dure aanpassingen kan de kelder niet als parkeergarage functioneren. Bovendien zijn er geen 30 parkeerplaatsen te realiseren. In 2023 is de parkeergarage juridisch gesplitst, zodat het bij de sportschool behorende deel kleiner is geworden. Met het verzoek wil de sportschool voorkomen dat hoge dwangsommen moeten worden betaald voor niet uitvoerbare verplichtingen. Bovendien verwacht de sportschool niet dat leden de kelder gaan gebruiken voor parkeren. De meeste leden komen op de fiets en buiten wordt geen parkeerdruk ondervonden met uitzondering van een uur op de vrijdagmiddag waarover de sportschool en de moskee met elkaar in gesprek zijn over een werkbare oplossing.
15. Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van overtredingen en dat dan het bestuursorgaan in beginsel verplicht is om handhavend op te treden. Er wordt niet voldaan aan de parkeernorm, terwijl de parkeerdruk in de omgeving van het perceel al enorm hoog is. De 30 onttrokken parkeerplaatsen zijn nog een extra belasting op die hoge parkeerdruk.
16. In aanmerking nemend dat er in de bezwaarprocedure nog een en ander verduidelijkt moet worden en de uitkomst van de heroverweging in de bezwaarprocedure nog onzeker is, vindt de voorzieningenrechter het belang van de sportschool op dit moment zwaarder wegen dan het belang van het college. De voorzieningenrechter vindt het op dit moment belangrijker dat de sportschool de bedrijfsvoering kan voortzetten en niet tijdens de bezwaarprocedure al aanpassingen in de bedrijfsvoering moet doorvoeren met alle (financiële) gevolgen van dien. Daarbij weegt mee dat de parkeerkelder al 20 jaar niet is gebruikt als parkeergarage, maar voor sportdoeleinden en opslag voor de (voorgangers van de) sportschool. Ook weegt mee dat het college niet heeft gesteld dat bij voortzetting van de huidige situatie sprake is van een onveilige situatie.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 30 oktober 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
18. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan de sportschool vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
19. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan de sportschool moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025 door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.