Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
Procesverloop
UTR 25/2625
UTR 25/5591
UTR 25/3301
UTR 25/2652
Overwegingen
Over UTR 25/2625
“De Afdeling is van oordeel dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met artikel 4:8 van de Awb bij het voorbereiden van de openbaarmakingsbesluiten. Belanghebbenden zijn voldoende in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven door middel van de algemene publicatie in de Staatscourant. Het is, zoals ook in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:8 van de Awb staat beschreven, niet steeds nodig dat belanghebbenden individueel per brief in de gelegenheid worden gesteld om een zienswijze te geven. Evenmin bepaalt artikel 4:8 van de Awb dat belanghebbenden altijd individueel moeten worden benaderd.”
“
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister de zienswijzeprocedure in overeenstemming met artikel 4:8 van de Awb en dus zorgvuldig doorlopen. Anders dan de minister heeft betoogd, waren de openbaarmakingsbesluiten op dit punt dus niet onjuist. Daarom was de minister niet bevoegd tot het intrekken van de besluiten op bezwaar. Zij heeft die besluiten dus ten onrechte ingetrokken.”
De minister heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant op 3 juli 2025 bericht welke belanghebbenden het bezwaar hadden ingetrokken en welke niet. [4] Nu het openbaarmakingsbesluit herleeft, ligt voor de hand dat de belanghebbenden ook willen dat hun bezwaar herleeft.
De minister heeft dus in totaal vier weken de tijd na verzending van deze uitspraak om op de bezwaren van de eventuele belanghebbenden te beslissen.
Over UTR 25/5591
Omdat niet de minister het bezwaar hoefde te behandelen, maar de rechtbank, is het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
De rechtbank zal aan eiser het griffierecht ter hoogte van €194,- terugbetalen voor het overbodige beroep.
Over UTR 25/3301
Over UTR 25/2625
Beslissing
- vernietigt het intrekkingsbesluit van 2 mei 2025;
- verklaart het beroep zover gericht tegen het uitblijven van een besluit op de bezwaren van de belanghebbenden gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de griffier op het onverschuldigd betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser terug te betalen.