ECLI:NL:RBMNE:2025:6603

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/16/489498 / FO RK 19-1532
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling na langdurige procedure wegens slechte prognose contactherstel

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 31 oktober 2025 een eindbeschikking gegeven in een langdurige omgangszaak tussen een vader en zijn dochter, waarbij het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen.

De procedure duurde zes jaar en kende meerdere aanhoudingen. De vader vroeg omgang met zijn dochter, die bij de moeder woont en een neurobiologische ontwikkelingsstoornis vergelijkbaar met ASS heeft. De moeder heeft het gezag. De rechtbank nam het verzoek niet toe vanwege het ernstige huiselijk geweld door de vader, de kindeigen problematiek van de dochter en het gebrek aan openheid en inzicht van de vader in zijn therapietraject.

De Raad voor de Kinderbescherming en hulpverleners adviseerden geen omgang vast te stellen zolang de dochter niet toe is aan contactherstel en de therapie nog niet voldoende voortgang had geboekt. De vader weigerde inzicht te geven in zijn therapie, wat het vertrouwen en de mogelijkheden tot contactherstel verder schaadde.

De rechtbank concludeerde dat verdere aanhoudingen de betrokkenen te veel belasten en dat het perspectief op contactherstel voorlopig niet gunstig is. Daarom wees zij het verzoek af en gaf een eindbeschikking, waarmee de zaak wordt afgesloten.

Uitkomst: Verzoek van vader tot omgangsregeling met dochter wordt afgewezen wegens slechte prognose contactherstel en gebrek aan openheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/489498 / FO RK 19-1532
Omgang
Beschikking van 31 oktober 2025
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J. Zaim,
tegen
[de moeder],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.X.C. Peters.

1.De procedure

1.1.
Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de eerder in deze zaak gewezen beschikkingen. In de laatste beschikking van 13 november 2024 heeft de rechtbank wederom advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het rapport van de Raad van 28 mei 2025;
  • het bericht van de moeder van 12 juni 2025;
  • het bericht van de vader van 18 juni 2025.
1.3.
Het verzoek is vervolgens wederom besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 03 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig: de ouders met hun advocaten en mevrouw [persoon] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.4.
De rechtbank heeft aan [minderjarige] , de dochter van de ouders, gevraagd wat zij van het verzoek vindt. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar mening te geven.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [woonplaats 1] . [minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat de moeder alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen.
2.4.
De vader heeft op 14 oktober 2019 een verzoek ingediend om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige] , waarbij:
  • [minderjarige] om het weekend, in hetzelfde weekend dat [zoon1] en [zoon2] (zonen uit zijn eerdere relatie) bij de vader zijn, van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de vader verblijft;
  • de vader [minderjarige] haalt en brengt;
  • [minderjarige] de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft, in dezelfde vakantieperiode dat [zoon1] en [zoon2] bij de vader verblijven.
2.5.
De beslissing op dit verzoek is vele malen aangehouden (zie 3.3. van deze beschikking).
2.6.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de vader. Zij wil dat zijn verzoek worden afgewezen.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling af. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.2.
De relatie van de ouders heeft zich gekenmerkt door zeer ernstig huiselijk geweld van de vader jegens de moeder. De vader is daarvoor ook veroordeeld. Bij [minderjarige] is bovendien sprake van kindeigen problematiek. Zij heeft een met neurobiologische ontwikkelingsstoornis vergelijkbaar met ASS. Sinds het verbreken van de relatie van de ouders is er niet of nauwelijks omgang geweest tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] was vier jaar oud toen de vader zijn inleidende verzoek tot een omgangsregeling deed. Zij is nu tien jaar. Deze rechtszaak sleept zich al zes jaar voort en in die jaren zijn er verschillende pogingen gedaan om te komen tot contactherstel.
3.3.
Voor een goed begrip van die pogingen zal de rechtbank in het kort het verloop van deze procedure weergeven:
In de beschikkingen van 11 december 2019 en 13 februari 2020 heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de vader over de omgang aangehouden in afwachting van een onderzoek en advies van de Raad. De Raad heeft de rechtbank vervolgens geadviseerd om geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te bepalen totdat de traumabehandeling van de moeder afgerond is;
Bij beschikking van 1 december 2020 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld inhoudende dat de vader en [minderjarige] één keer per week gedurende één uur en drie kwartier omgang hebben bij TussenThuis. Na deze beschikking hebben de vader en [minderjarige] twee keer omgang gehad bij het Omgangshuis in [plaats] ;
Bij beschikking van 26 februari 2021 heeft de rechtbank de definitieve beslissing over de omgangsregeling uitgesteld in afwachting van het hulpverleningstraject Ouderschap Blijft bij Youké, na doorverwijzing via het Uniform Hulpaanbod. Door Youké zijn de ouders doorverwezen naar het hulpverleningstraject Ouderschap na Scheiding van Timon;
Bij beschikking van 1 februari 2022 heeft de rechtbank de (definitieve) beslissing over de omgangsregeling opnieuw uitgesteld, in afwachting van het beschermingsonderzoek van de Raad. Het beschermingsonderzoek heeft niet geleid tot een verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] ;
In de beschikking van 30 september 2022 heeft de rechtbank het verzoek over de omgang opnieuw uitgesteld in afwachting van berichtgeving over onder meer de vragen of de vader zich heeft aangemeld voor emotieregulatietherapie (onderbouwd met stukken) en of de ouders zich hebben aangemeld voor ouderschapsbemiddeling bij Geynwijs (onderbouwd met stukken);
In de beschikking van 19 september 2023 heeft de rechtbank de beslissing over de omgang opnieuw uitgesteld in afwachting van de resultaten van het ouderschapsbemiddelingstraject bij Youké en het opstarten en opbouwen van de omgang tussen [minderjarige] en vader.
3.4.
In de voorlaatste beschikking van 13 november 2024 heeft de rechtbank de beslissing over de omgang wederom aangehouden, in afwachting van de uitkomst van de ouderschapsbemiddeling en de uitkomst van het Raadsonderzoek. De rechtbank heeft de Raad wederom gevraagd om onderzoek te doen naar welke omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is. Daarnaast is er een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, waarbij de ouders tot 1 februari 2025 toewerken naar een eerste omgangsmoment tussen [minderjarige] en de vader, rekening houdend met de kindeigen problematiek van [minderjarige] .
3.5.
Uit het rapport van de Raad van 28 mei 2025 blijkt dat de Raad op dit moment nog geen advies kan geven over een omgangsregeling die in het belang is van [minderjarige] , omdat [minderjarige] nu nog niet toe is aan contactherstel en hiervoor nog langer therapie nodig heeft. Daarbij adviseert de Raad om op dit moment nog geen omgang tussen vader en [minderjarige] vast te leggen. Ook adviseert de Raad om de behandeling aan te houden voor een periode van zes maanden. De Raad kan nadat is toegewerkt naar een eerste contact tussen [minderjarige] en vader en de hulpverlening wordt voortgezet, advies geven over het contactherstel.
3.6.
De Raad vindt het noodzakelijk dat intussen verder aan de volgende doelen gewerkt gaat worden:
  • [minderjarige] kan profiteren van de therapie van JEK, waarbij er binnen een half jaar meer zicht komt op de beleving van [minderjarige] met betrekking tot het contact met haar vader;
  • [minderjarige] wordt met behulp van de therapie voorbereid op een eerste contactmoment met vader, wanneer zij daar volgens het JEK aan toe is;
  • [minderjarige] heeft een moeder die haar voldoende ruimte kan geven om op een gezonde, positieve manier het contact met haar vader aan te gaan en haar moeder ontvangt hiervoor ook eigen begeleiding;
  • [minderjarige] heeft een vader die in staat is om aan te sluit bij de ontwikkeling van [minderjarige] ;
  • vader geeft meer inzicht in zijn therapietraject;
  • [minderjarige] heeft ouders die in staat zijn om op positieve wijze te communiceren in het belang van [minderjarige] .
3.7.
Zowel de vader als de moeder heeft zich verzet tegen de door de Raad voorgestelde aanhouding. Beiden hebben de rechtbank verzocht om, na een procedure van zes jaar, eindelijk een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de ouders hierin volgen.
3.8.
De pogingen die in de afgelopen zes jaar zijn gedaan om tot contactherstel te komen hebben immers geen resultaat opgeleverd en de rechtbank verwacht ook in de nabije toekomst geen positief resultaat. In het afgelopen jaar is de zorgaanbieder JEK (Je Eigen Keus) ingezet om [minderjarige] te helpen bij haar kindeigen problematiek. Ze had één keer per week behandeling bij JEK. Het opbouwen van een vertrouwensband tussen [minderjarige] en de therapeut heeft lang geduurd. Er zijn hele kleine stapjes gezet, maar er is nog geen start gemaakt met het spreken over haar vader. Ook is het niet gelukt uitvoering te geven aan de in de vorige beschikking aan de ouders gegeven opdracht om voor 1 februari 2025 toe te werken naar een eerste omgangsmoment tussen [minderjarige] en haar vader. [minderjarige] ervaart volgens haar moeder veel angst om contact met haar vader te hebben. Daarom vraagt contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader om een zorgvuldig traject. De door de moeder gestelde angst van [minderjarige] vindt bevestiging in de bevindingen van JEK en Geynwijs. Zij geven aan dat het contact met vader op dit moment nog te belastend is voor [minderjarige] en dat er eerst meer voortgang in de therapie nodig is om hierin stapjes te kunnen gaan maken. Die voortgang laat vooralsnog nog wel even op zich wachten, omdat de therapie, na overleg met JEK, inmiddels is gestopt. [minderjarige] is nu ingeschreven voor paardentherapie. Volgens de moeder zal deze vorm van therapie vermoedelijk beter bij haar aan sluiten. Of en in hoeverre deze therapie, die nog moet starten, bij [minderjarige] draagkracht zal opleveren voor contactherstel is zeer onzeker. Kortom, het perspectief op contactherstel is ondanks alle inzet voorlopig niet erg gunstig.
3.9.
Daar komt bij dat een herhaalde aanhouding veel stress en spanning met zich meebrengt volgens de moeder. De rechtbank acht dit begrijpelijk, gelet op de zeer lange duur van deze procedure. De moeder verwacht dat er meer ruimte ontstaat bij haarzelf en bij [minderjarige] als de langlopende procedure wordt afgesloten en de druk die wordt ervaren minder wordt. Of die verwachting reëel is, is onzeker, maar het is te hopen dat die uit zal komen.
3.10.
Daarvoor is wel nodig dat de vader inzicht gaat geven in zijn eigen ontwikkeling en therapie. Het gewelddadige verleden van de vader, niet alleen in de relatie met de moeder maar ook in zijn vorige relatie, leidt immers tot zorgen over zijn agressieregulatie. Tot op heden heeft de vader elk inzicht geweigerd, ondanks de ook door de Raad geconstateerde noodzaak van openheid op dit punt. De Raad acht die openheid onder meer nodig om te kunnen beoordelen of de vader goed kan aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] heeft immers een andere aanpak nodig heeft dan een gemiddeld kind. De rechtbank onderschrijft dit.
Daarnaast is het gebrek aan openheid niet bevorderlijk voor het herstel van vertrouwen van de moeder in de vader. Dit vertrouwen is nog verder geschaad door het in de ouderschapsbemiddeling bekend geworden feit dat de vader een relatie heeft aangeknoopt met een vrouw die in een TBS-kliniek heeft gezeten, nadat zij is veroordeeld voor het doden van haar eigen kinderen. Het is zeer begrijpelijk dat dit bij de moeder veel zorgen baart, ook al stelt de vader overtuigd te zijn van haar onschuld.
3.11.
Als verklaring voor zijn weigering om inzicht te geven in zijn therapietraject heeft de vader aangevoerd dat dit volgens hem niets met [minderjarige] te maken heeft omdat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden in de relationele sfeer en niet jegens zijn kinderen uit die relaties, voor wie hij altijd liefdevol is geweest. De vader benadrukt verder dat hij omgang vraagt met [minderjarige] en niet met de moeder. Hiermee miskent de vader echter de impact die ernstig huiselijk geweld heeft op slachtoffers. Van de vader, die naar hij stelt werkzaam is als sociaal werker met autistische kinderen, had de rechtbank wel meer inzicht in de gevolgen van huiselijk geweld verwacht. Dit betreft de gevolgen voor de moeder, maar ook indirect voor [minderjarige] . [minderjarige] is getuige geweest van het huiselijk geweld en heeft ook de gevolgen hiervan bij haar moeder gezien. Het gebrek aan inzicht in deze gevolgen bij de vader en zijn hieruit kennelijk voortvloeiende gebrek aan openheid dragen niet bij aan een succesvol herstel van contact.
3.12.
Gelet op bovenstaande overwegingen, waaronder de slechte prognose op contactherstel, het gebrek aan openheid en inzicht, de vele pogingen die al zijn ondernomen en de belasting van de onderhavige procedure zal de rechtbank de zaak niet langer zal aanhouden en een eindbeschikking geven. Dit is ook de wens van beide ouders.
3.13.
De rechtbank ziet op dit moment geen mogelijkheid om een omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar vader vast te stellen, zoals de vader wil. Het is belangrijk dat de omgang wordt opgestart in het tempo van [minderjarige] , maar op dit moment is [minderjarige] hier nog niet klaar voor. De doelen zoals door de Raad geformuleerd zijn nog buiten elk bereik. De rechtbank is het met de Raad eens dat daar eerst aan gewerkt moet worden. Daarin hebben beide ouders, maar zeker ook de vader, een verantwoordelijkheid. Mogelijk ontstaat er dan bij [minderjarige] ruimte om wel weer contact met de vader te hebben. Als dit het geval is, is het vervolgens aan de ouders om stappen te ondernemen om de omgang op te starten. De rechtbank is door haar mogelijkheden om dit te faciliteren heen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek van de vader af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, (kinder)rechter in samenwerking met F. Elsendoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.