4.1.De voorzieningenrechter kan in deze procedure echter niet oordelen over de klachten die verzoeker heeft over de bemiddeling van De Schoor, omdat er geen besluit voorligt dat gaat over die bemiddeling. Het besluit waartegen verzoeker bezwaar heeft gemaakt, gaat over een weigering om aan hem woningurgentie te verlenen. De voorzieningenrechter kan alleen oordelen over de voorlopige voorziening die samenhangt met dat bezwaar. Dat heeft ook tot gevolg dat zij de getuigen die verzoeker graag zou willen horen op de zitting, niet heeft uitgenodigd. Deze getuigen zijn aangedragen om wat te zeggen over de bemiddeling bij De Schoor en niet over de afwijzing van de aanvraag om urgentie. De getuigenverklaringen zijn voor deze procedure dan ook niet relevant.
5. De voorzieningenrechter constateert verder dat verzoeker heeft gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarmee primair wordt bereikt dat hij wordt behandeld alsof hij een urgentieverklaring heeft. Als de door verzoeker gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat eigenlijk geen voorlopige maatregel. Verzoeker zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld.
6. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker. De voorlopige voorzieningenrechter is van oordeel dat aan deze maatstaf vooralsnog niet is voldaan en zal dat in het onderstaande toelichten.
Wordt voldaan aan de voorwaarden voor woningurgentie?
7. Wie in de gemeente Almere in aanmerking komt voor woningurgentie is neergelegd in de Huisvestingsverordening Almere 2024 (de Huisvestingsverordening). Bijlage II van de Huisvestingsverordening bevat een uitwerking van de urgentieregels. In de bijlage bij deze uitspraak zijn de relevante artikelen uit de Huisvestingsverordening en een deel van Bijlage II opgenomen.
8. Verzoeker heeft aan zijn aanvraag om woningurgentie ten grondslag gelegd dat er in zijn geval sprake is van een calamiteit, omdat hij dakloos is geraakt. Verzoeker woonde tot januari 2025 bij zijn ouders in, maar die hebben hun huis verkocht en zijn geëmigreerd naar Turkije. Verzoeker heeft medische klachten en kan niet aan een behandeling beginnen, omdat hij geen vaste woonplek heeft. Dat blijkt uit de eerdergenoemde brief van De Waag van 4 juni 2025 en uit informatie van de huisarts van 9 en 30 september 2025. Verzoeker heeft er verder op gewezen dat hij in 2011 toeslagpartner was van iemand die gedupeerd is geraakt door de kinderopvangtoeslagaffaire. Verzoeker heeft daarom ook een compensatie ontvangen op grond van de ex-toeslagpartnerregeling. Hij stelt dat zijn klachten verergeren, hij dringend hulp nodig heeft en een eigen woning daarvoor noodzakelijk is. Verzoeker heeft verder gemeld dat hij een zoon van vijftien heeft die hij al lange tijd niet heeft gezien, omdat hij geen woning heeft om zijn zoon te kunnen ontvangen.
9. Het college heeft verzoeker geen urgentie verleend, omdat er geen sprake is van een calamiteit en er ook geen medische gronden zijn op grond waarvan verzoeker in aanmerking komt voor urgentie. Het college heeft verzoeker ook niet in het kader van de hardheidsclausule een urgentieverklaring verleend, omdat zijn situatie niet genoeg verschilt van de situatie van andere woningzoekenden die in vergelijkbare moeilijke omstandigheden verkeren.
10. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college in het bestreden besluit niet goed heeft gemotiveerd waarom de door verzoeker zelf aangedragen urgentiegrond ‘calamiteit’in zijn geval niet opgaat. Het bestreden besluit bevat alleen de mededeling dat er geen sprake is van een calamiteit zoals bedoeld in de Huisvestingsverordening. Echter wat als zo’n calamiteit moet worden gezien, is niet nader toegelicht. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college gezegd dat een calamiteit pas wordt aangenomen als een woning onbewoonbaar is geraakt en niet binnen vier maanden hersteld kan worden. Bewoners van die woning komen dan in aanmerking voor urgentie. Dit staat echter niet in het bestreden besluit en ook niet in de Huisvestingsverordening of de toelichting daarop. De voorzieningenrechter vindt dat het college dus beter moet uitleggen wat een calamiteit precies is en waarom daarvan in verzoekers geval wel of geen sprake is.
11. Het college heeft verzoeker ook geen urgentie verleend op medische gronden.In het bestreden besluit is toegelicht dat er alleen urgentie op medische gronden wordt verleend als er medische klachten zijn die een belemmering opleveren in het gebruik van een woning. Het college heeft voor een verdere toelichting van deze grond verwezen naar Bijlage II bij de Huisvestingsverordening.
12. De voorzieningenrechter begrijpt uit die toelichting dat medische problemen alleen recht geven op urgentie als de aanvrager al ergens woont en zijn woning om medische redenen niet langer geschikt is voor bewoning door de aanvrager. Voor de toepassing van deze grond is het dus noodzakelijk dat iemand al in een woning eigen woning verblijft. Verzoeker is dakloos en hij verblijft tijdelijk bij andere mensen. Hij laat dus geen eigen woonruimte achter en komt dan ook niet in aanmerking voor urgentie op deze grond. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit punt vooralsnog goed gemotiveerd en niet onzorgvuldig genomen.
12. Tot slot heeft de urgentiecommissie gekeken naar de vraag of de hardheidsclausule in dit geval moet worden toegepast.Daarover is in het bestreden besluit niet meer gezegd dan dat verzoekers situatie niet onderscheidend genoeg is. Dit is echter niet verder toegelicht. Verzoeker heeft verschillende problemen naar voren gebracht, waaronder problemen als gevolg van de toeslagaffaire. Er is niet zichtbaar gekeken naar die problemen.. Dit had wel gemoeten, juist omdat de gemeente Almere beleidsregels heeft opgesteld waarmee zij invulling geeft aan de hardheidsclausule voor mensen die als gevolg van de toeslagaffaire ernstig in de problemen zijn gekomen wat betreft hun huisvesting.In het bestreden besluit is hierover niets vermeld. Evenmin maakt het besluit inzichtelijk dat naar de samenhang van de door verzoeker geschetste problematiek is gekeken. Daarmee kleeft ook op dit punt aan het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
14. Voor zover verzoeker een beroep doet op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ter bescherming het familieleven dat hij met zijn zoon uitoefent of wil uitoefenen, overweegt de voorzieningenrechter dat een beroep op deze verdragen geen zelfstandige grond voor urgentie oplevert. Verzoeker heeft verder ook niet toegelicht hoe hij tot nu toe het contact met zijn zoon heeft onderhouden, hoe hij invulling geeft aan het familieleven en wat er nodig is om het contact met zijn zoon te behouden of te herstellen. Het is aan verzoeker om hierover zelf, bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting in bezwaar, meer informatie te verschaffen en het is vervolgens aan het college om te bezien hoe hij het gestelde familieleven meeweegt bij de beoordeling in bezwaar.
14. In bezwaar zal het college een volledige heroverweging moeten maken en in elk geval opnieuw moeten kijken naar de urgentiegrond ‘calamiteit’ en de toepassing van de hardheidsclausule. De gemachtigde van het college heeft op de zitting ook toegezegd dat tijdens de hoorzitting zal worden gekeken naar de samenhang tussen de verschillende problemen van verzoeker. Daarbij zal de huidige stand van zaken ook worden besproken. Het college zal daarna opnieuw naar de aanvraag kijken en ook bezien of andere oplossingen voor het woonprobleem van verzoeker denkbaar zijn.
14. De voorzieningenrechter oordeelt dat, hoewel het college in bezwaar nog het één en ander moet onderzoeken en moet motiveren, op dit moment geen sprake is van een situatie waarin nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker. Het kan zijn dat het college, alles overziend, in bezwaar beslist dat verzoeker toch in aanmerking komt voor urgentie, maar het kan ook zijn dat het college het geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in bezwaar herstelt. Die mogelijkheid heeft het college, omdat het gaat om een volledige heroverweging in bezwaar. Daarbij komt dat de toepassing van de hardheidsclausule, waar het college nog eens goed naar moet kijken, een specifieke bevoegdheid is van het college waarbij hij grote beslissingsruimte heeft. Het is niet aan de voorzieningenrechter om nu zelf al een eigen invulling te geven aan die ruimte.
14. Omdat er dus geen situatie is waarin nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker, treft de voorzieningenrechter niet de voorlopige voorziening dat verzoeker moet worden behandeld alsof aan hem urgentie is verleend. Die voorziening gaat simpelweg te ver in dit stadium.
14. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een tijdelijke voorziening te treffen, die inhoud dat aan verzoeker per direct woonruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een hotel, wordt verstrekt. Het treffen van zo’n voorziening en het geven van een opdracht aan het college om daar zorg voor te dragen, is verstrekkend. Aan zo’n tijdelijke oplossing zou wellicht kunnen worden gedacht als sprake is van een acute (medische) noodsituatie en duidelijk is dat verzoeker die niet zelf kan oplossen. Dat er op dit moment zo’n (medische) noodsituatie aan de orde is of dreigt, heeft verzoeker onvoldoende onderbouwd. Dit blijkt namelijk niet uit de door hem overgelegde medische stukken. Ook heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij niet zelf tijdelijk, voor de duur van de bezwaarfase, in zijn verblijf zou kunnen voorzien, zoals hij tot nu toe ook in zijn verblijf heeft voorzien.
14. Het is de voorzieningenrechter zonder meer duidelijk dat verzoeker veel problemen ervaart en daarvoor een oplossing zoekt. Een vaste woonplek zal hem de mogelijkheid geven om aan zijn medische problemen te kunnen werken en het is zonder meer begrijpelijk dat hij dat graag wil. Het ligt op de weg van verzoeker om de huidige stand van zaken verder toe te lichten bij het college, zodat het college beschikt over alle benodigde informatie. Het is vervolgens aan het college om, met inachtneming van deze uitspraak, te beslissen op het bezwaar en daarbij te betrekken welke (andere) mogelijkheden er zijn voor verzoeker om aan onderdak te komen, zodat hij aan zijn herstel kan werken.