ECLI:NL:RBMNE:2025:6638

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/949
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering tegemoetkoming in schade door grauwe ganzen aan gewas van eiseres

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 15 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, die een perceel pacht van de stichting Het Flevo-landschap, en het college van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland. Eiseres had schade geleden aan haar winterwortelen door grauwe ganzen en verzocht om een tegemoetkoming in deze schade. Gedeputeerde staten hebben echter geweigerd om deze tegemoetkoming te verlenen, omdat eiseres volgens hen geen adequaat gebruik heeft gemaakt van de verleende machtiging voor het bejagen van de ganzen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar de rechtbank oordeelde dat de gedeputeerde staten redelijkerwijs tot hun besluit konden komen. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres niet voldoende bewijs heeft geleverd dat zij aan de voorwaarden voor de tegemoetkoming voldeed. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard, wat betekent dat zij geen schadevergoeding ontvangt en ook geen griffierecht terugkrijgt. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van de eiseres om adequaat gebruik te maken van de verleende machtiging en om dit correct te registreren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/949

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. van Asch).

Inleiding

1.1.
Eiseres pacht van de stichting Het Flevo-landschap (Het Flevo-landschap) een perceel dat grenst aan het Natuurpark Lelystad. Eiseres verbouwde in de zomer van 2023 op dit perceel winterwortelen. Aan dit gewas werd schade toegebracht door grauwe ganzen. Gedeputeerde staten hebben besloten om geen tegemoetkoming in de schade die de grauwe ganzen hebben veroorzaakt aan eiseres te verlenen.
1.2.
Eiseres was het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres zijn gedeputeerde staten bij het besluit om aan eiseres geen tegemoetkoming te verlenen gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen dit besluit. Gedeputeerde staten hebben op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [A] en [B] en de gemachtigde van gedeputeerde staten, vergezeld door [C] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat gedeputeerde staten aan eiseres geen tegemoetkoming in de geleden schade hoeft te verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beroepsgronden van eiseres
3. Eiseres heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de bezwaarprocedure enorm is vertraagd, zonder dat gedeputeerde staten daarvoor een reden hebben gegeven. En dat in de brieven van gedeputeerde staten vage formuleringen staan en ten onrechte is aangeven dat digitaal beroep zou kunnen worden ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft op de zitting een toelichting gegeven over de mogelijkheden die eiseres op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft om te ageren tegen een bestuursorgaan dat niet binnen de wettelijke termijn een besluit neemt. Eiseres heeft van één van deze mogelijkheden gebruik gemaakt, want zij heeft gedeputeerde staten in gebreke gesteld en verzocht om alsnog een besluit te nemen. Gedeputeerde staten hebben daarop binnen de termijn van de ingebrekestelling een besluit op bezwaar genomen. Ook heeft eiseres, ondanks de onjuiste informatie daarover in het bestreden besluit, tijdig beroep ingesteld. Na deze toelichting heeft eiseres deze beroepsgrond over het verloop van de bezwaarprocedure en de brieven van gedeputeerde staten op de zitting ingetrokken. Dit betekent dat de rechtbank in deze uitspraak niet inhoudelijk zal oordelen over deze beroepsgrond.
4. Eiseres voert aan het onbegrijpelijk te vinden dat zij niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de door haar geleden schade. De bevoegdheid van gedeputeerde staten om een tegemoetkoming in de schade te verlenen is juist voor dit soort gevallen bedoeld. Volgens eiseres heeft zij er alles aan gedaan om schade aan de winterwortelen door grauwe ganzen te voorkomen. Eisers verwijst daarbij naar een verklaring van het hoofd Natuur & Landschap van Het Flevo-landschap van 13 december 2024 en de acties van de door haar ingeschakelde jager die in het Faunaschade-registratiesysteem (FRS) staan.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om tegemoetkoming is ingediend, blijft het recht zoals dat gold op het moment van de aanvraag van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent dat in deze zaak de Wnb met de onderliggende regelingen nog van toepassing zijn en de rechtbank het bestreden besluit hieraan toetst. [1]
6. Een tegemoetkoming in de geleden schade wordt slechts verleend voor zover die schade redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de belanghebbende behoort te blijven. [2] Gedeputeerde staten hebben beoordelingsruimte bij het bepalen wanneer schade (geheel) voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. Hoe gedeputeerde staten invulling geven aan deze beoordelingsruimte hebben zij vastgelegd in de ‘Beleidsregel tegemoetkoming faunaschade provincie Flevoland 2016’ (de beleidsregel). Aan de hand van de beroepsgrond van eiseres toetst de rechtbank of gedeputeerde staten de beleidsregel in deze zaak juist hebben toegepast.
Wat is de grondslag van het bestreden besluit?
7. De rechtbank stelt vast dat gedeputeerde staten in het bestreden besluit aan de weigering van de tegemoetkoming ten grondslag hebben gelegd dat eiseres geen adequaat gebruik heeft gemaakt van de machtiging voor het bejagen van grauwe ganzen. Gedeputeerde staten hadden in 2023 aan de Faunabeheereenheid een generieke ontheffing verleend voor het bejagen van grauwe ganzen. Om van deze ontheffing gebruik te kunnen maken moest eiseres een machtiging aanvragen. Dit heeft eiseres ook gedaan op 27 juli 2023 en deze is op dezelfde dag aan haar verleend. Om voor een tegemoetkoming in de geleden schade in aanmerking te kunnen komen moet op een adequate wijze gebruik worden gemaakt van de verleende machtiging. [3] Volgens gedeputeerde staten heeft eiseres geen adequaat gebruik gemaakt van de aan haar verleende machtiging.
8. In het verweerschrift en op de zitting hebben gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat zij aan de weigering van de tegemoetkoming ook ten grondslag hebben gelegd dat eiseres de machtiging niet tijdig heeft aangevraagd. Daar is de rechtbank het niet mee eens.
9. Met gedeputeerde staten is de rechtbank van oordeel dat het niet tijdig aanvragen van de machtiging ook een grond kan zijn om een aanvraag voor een tegemoetkoming in geleden schade af te wijzen. [4] Maar in het bestreden besluit merken gedeputeerde staten ‘volledigheidshalve’ op dat eiseres uiterlijk op de dag van de schadeconstatering de machtiging had moeten aanvragen. Daarna vervolgen gedeputeerde staten dat de verklaring van het hoofd Natuur & Landschap van Het Flevo-landschap sterk de indruk wekt dat de machtiging niet tijdig is aangevraagd. Uit het woord ‘volledigheidshalve’ blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het hier gaat om een overweging ten overvloede. Een overweging ten overvloede is bedoeld als een stukje informatieverstrekking naar eiseres, maar is geen grondslag van het bestreden besluit. Dat blijkt ook uit de vermelding dat gedeputeerde staten sterk de indruk hadden (dus niet dat het voor hen vaststond) dat de machtiging niet tijdig was aangevraagd. Daarbij neemt de rechtbank verder in aanmerking dat ook in de primaire beslissing op de aanvraag van 12 april 2024 alleen code 21 als reden voor de weigering staat vermeld. Code 21 ziet op grond van de bijlage ‘Toelichting bij afwijsredenen en artikelnummers’ op het geen adequaat gebruik maken van de machtiging. Voor het te laat aanvragen van de machtiging bestaat een aparte code, namelijk code 17. Deze code hebben gedeputeerde staten niet aan de primaire afwijzing ten grondslag gelegd. Uit het bestreden blijkt niet dat gedeputeerde staten deze weigeringsgrond na de heroverweging in bezwaar alsnog ten grondslag hebben gelegd aan de afwijzing.
10. Gelet op dit oordeel zal de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak alleen beoordelen of eiseres wel of niet adequaat gebruik heeft gemaakt van de aan haar verleende machtiging.
Heeft eiseres adequaat gebruik gemaakt van de aan haar verleende machtiging?
11. In de artikelsgewijze toelichting op de beleidsregel staat wanneer adequaat gebruik is gemaakt van de machtiging. Dat is het geval als minimaal twee keer per week aan verjaging ondersteunend afschot, of een poging tot afschot, heeft plaats gevonden. Om te kunnen toetsen of sprake is van adequaat gebruik wordt volgens de toelichting van eiseres gevraagd een rapportage van de jachthouder te overleggen ten aanzien van het gebruik van de machtiging. Op de zitting hebben gedeputeerde staten toegelicht dat ook bejaagacties op grauwe ganzen op andere percelen binnen een straal van 200 meter vanaf het perceel in de rapportage mogen worden meegenomen.
12. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat de machtiging op 27 juli 2023 aan eiseres is verleend. Vanaf die datum tot aan de datum van de eindtaxatie van de schade – die was in dit geval op 10 augustus 2023 – moest dus minimaal twee keer per week aan verjagend ondersteunend afschot, of een poging tot afschot, plaatsvinden.
13. Partijen zijn het er ook over eens dat de door eiseres ingeschakelde jager in deze periode vier keer in actie is geweest, namelijk op 29 en 31 juli en op 4 en 7 augustus. Op de zitting hebben gedeputeerde staten in afwijking van het bestreden besluit erkend dat de jager hiermee in de te beoordelen periode minimaal twee keer per week op het perceel in actie is geweest. Maar gedeputeerde staten stellen zich op het standpunt dat voor hen niet is vast te stellen dat deze acties allemaal gericht waren op het bejagen van de grauwe ganzen. Op 29 juli 2023 heeft afschot plaatsgevonden. Op deze datum heeft eiseres dus aan het vereiste van bejagen voldaan. Op de andere drie data is de jager weliswaar ter plaatse geweest, maar volgens gedeputeerde staten heeft eiseres niet aangetoond dat op deze data bejaagacties zijn uitgevoerd. Uit het FRS systeem blijkt niet dat zijn acties op deze data waren gericht op afschot of een poging daartoe. De acties die de jager op 31 juli en 4 en 7 augustus op het perceel heeft uitgevoerd zijn in het FRS namelijk ingevoerd als maatregel ‘Anders’ en niet als maatregel ‘Bejaagd’. En dus heeft eiseres volgens gedeputeerde staten niet aangetoond dat in de te beoordelen periode minimaal twee keer per week aan verjaging ondersteunend afschot, of een poging tot afschot, heeft plaats gevonden.
14. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres bij het uitvoeren van de bejaagacties leunt op de deskundigheid van de door haar ingeschakelde jager. Tegelijkertijd is eiseres als grondgebruiker die gebruik wil maken van een tegemoetkoming in schade verantwoordelijk voor het op de juiste wijze gebruik maken van de machtiging en dus ook voor het juist in het FRS registeren van de bejaagacties. Of in ieder geval voor het overleggen van een volledige rapportage ten aanzien van het gebruik van de machtiging. Dat eiseres dit niet heeft gedaan komt voor haar rekening en risico. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de brief van Het Flevo-landschap die zij heeft overgelegd onvoldoende aangetoond dat in de periode van 27 juli 2023 tot 10 augustus 2023 binnen een straal van 200 meter van het perceel minimaal twee keer per week bejaagacties op grauwe ganzen zijn uitgevoerd. Daarvoor is de brief onvoldoende concreet.
15. De conclusie van het voorgaande is dat gedeputeerde staten redelijkerwijs hebben kunnen oordelen dat eiseres geen adequaat gebruik heeft gemaakt van de aan haar verleende machtiging. Daarom komt de schade die eiseres in 2023 heeft geleden voor haar rekening.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen tegemoetkoming in de door haar in de zomer van 2023 geleden schade krijgt.
17. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. dr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit het overgangsrecht opgenomen in artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.
2.Artikel 6.1, tweede lid, van de Wnb.
3.Artikel 4, derde lid, aanhef en onder b, van de beleidsregels.
4.Artikel 4, derde lid, aanhef en onder b, van de beleidsregels.