In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 8 december 2025, staat het verzoek van verzoekster B.V. centraal om vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft besloten zonder zitting uitspraak te doen, omdat zij voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. Verzoekster had eerder beroep ingesteld tegen een omgevingsvergunning die op 17 april 2025 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden was verleend. Op 12 november 2025 heeft de vergunninghouder aan het college verzocht om de vergunning in te trekken. Hierop heeft verzoekster de rechtbank verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten die zij had gemaakt. Het college heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op het verzoek en stemde in met de proceskostenvergoeding zoals door verzoekster aangegeven.
De rechtbank overweegt dat de veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoet is gekomen door de vergunning in te trekken, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het college te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 907,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst erop dat het college ook verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. De beslissing is openbaar uitgesproken en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze uitspraak.