ECLI:NL:RBMNE:2025:6647

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3298
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om vergoeding van proceskosten na intrekking van omgevingsvergunning

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 8 december 2025, staat het verzoek van verzoekster B.V. centraal om vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft besloten zonder zitting uitspraak te doen, omdat zij voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. Verzoekster had eerder beroep ingesteld tegen een omgevingsvergunning die op 17 april 2025 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden was verleend. Op 12 november 2025 heeft de vergunninghouder aan het college verzocht om de vergunning in te trekken. Hierop heeft verzoekster de rechtbank verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten die zij had gemaakt. Het college heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op het verzoek en stemde in met de proceskostenvergoeding zoals door verzoekster aangegeven.

De rechtbank overweegt dat de veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoet is gekomen door de vergunning in te trekken, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het college te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 907,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst erop dat het college ook verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. De beslissing is openbaar uitgesproken en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3298

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster,

(gemachtigden: mr. A.S.D. Lijkwan en mr. S. Nijenhuis)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden(het college), verweerder
(gemachtigde: S. de Rijke).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Met het besluit gedateerd 17 april 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Tegen deze omgevingsvergunning heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank.
3. Op 12 november 2025 heeft vergunninghouder aan het college verzocht om de vergunning in te trekken. Daarop heeft verzoekster de rechtbank verzocht het college te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat zij geen inhoudelijke reactie heeft op het verzoek en kan instemmen met hetgeen is aangegeven.
4. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Overwegingen

5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
6. In dit geval heeft verzoekster haar verzoek ingetrokken omdat vergunninghouder aan het college heeft verzocht om zijn vergunning in te trekken. Beide partijen zijn akkoord met het toekennen van de proceskosten. Gelet op artikel 8:75a van de Awb ziet de rechtbank dan ook aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).
7. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. [1] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-, te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
8 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.