ECLI:NL:RBMNE:2025:6649

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/6233 en UTR 25/6234
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) vanwege diplomafraude en beoordeling van recidive-risico

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 11 december 2025, wordt de weigering van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om aan eiser een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verstrekken, beoordeeld. Eiser had op 30 juni 2025 een VOG aangevraagd voor een functie bij [bedrijf] B.V. in Amersfoort, maar zijn aanvraag werd afgewezen op basis van justitiële gegevens die in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) over hem waren aangetroffen. Eiser had een strafbeschikking ontvangen wegens valsheid in geschrifte, gepleegd op 1 maart 2023, waarbij hij een vervalst diploma had ingeleverd om een hoger uurloon te kunnen vragen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de afwijzing van de VOG-aanvraag in strijd is met de motiveringsbeginselen en het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat eiser moet worden beschouwd alsof hij in het bezit is van de gevraagde VOG, tot 6 weken na het nieuw te nemen besluit. De voorzieningenrechter concludeert dat de beroepsmatige en financiële gevolgen van de weigering van de VOG voor eiser zwaar wegen en dat de inschatting van het recidive-risico onvoldoende gemotiveerd is. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen 6 weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6233 (vovo) en UTR 25/6234 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2025 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter of verweerder in redelijkheid heeft mogen weigeren om aan eiser een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verstrekken. Eiser heeft op 30 juni 2025 een VOG aangevraagd voor de functie [functie] via [bedrijf] B.V. in Amersfoort. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 september 2025 afgewezen (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]
1.3.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel [2] en met het evenredigheidsbeginsel [3] . Het beroep is daarom gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat eiser moet worden beschouwd alsof hij in het bezit is van de gevraagde VOG, tot 6 weken na het nieuw te nemen besluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft aan de afwijzing van de VOG-aanvraag ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) justitiële gegevens over eiser zijn aangetroffen. Binnen de terugkijktermijn van vier jaar heeft verweerder één strafbaar feit gevonden. Op 6 mei 2025 heeft eiser een strafbeschikking ontvangen wegens valsheid in geschrifte, gepleegd op 1 maart 2023. Eiser heeft een vervalst diploma gekocht en aangeleverd aan het uitzendbureau, om een hoger uurloon te kunnen vragen en zo zijn schulden uit het verleden te kunnen aflossen. Eiser heeft in de zorg gewerkt zonder de juiste kwalificaties, wat het vertrouwen dat de maatschappij in de zorgsector moet kunnen hebben ernstig ondermijnd. Hoewel eiser een mbo-niveau 2 zorgdiploma had, voerde hij door het frauderen zorgtaken uit waarvoor hij niet de juiste kwalificaties had. Eiser heeft elf diensten aangenomen op basis van een mbo-niveau 4 kwalificatie. Verweerder stelt daarom dat er sprake is van een risico voor de samenleving als eiser het strafbare feit herhaalt. In de strafbeschikking is aan eiser een taakstraf van 30 uur opgelegd en een aanwijzing om zich bij de reclassering te melden en om deel te nemen aan de gedragsinterventie CoVa-plus voor de duur van één jaar. Dit gezamenlijk kwalificeert verweerder als geen lichte straf. De diplomafraude heeft kortgeleden plaatsgevonden, te kort geleden om de kans op herhaling in te kunnen schatten. Bovendien is er sprake van een nauwe feit-functie relatie. Eiser pleegde diplomafraude voor een zorgfunctie en vraagt de VOG aan voor een zorgfunctie. Verweerder heeft ook de persoonlijke omstandigheden van eiser meegewogen, namelijk dat hij een zwaar belaste jeugd en verleden had zonder gezonde (financiële) opvoeding en met verkeerde vrienden. Ook neemt verweerder de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd mee, eiser zat diep in de schulden en dacht een oplossing gevonden te hebben om meer te verdienen. Alles in overweging nemende weegt het risico voor de samenleving zwaarder voor verweerder dan het belang van eiser om een VOG te krijgen. Verweerder heeft de VOG-aanvraag afgewezen.
3. Eiser heeft de VOG aangevraagd voor de functie [functie] via [bedrijf] B.V. in Amersfoort. Eiser heeft per 1 oktober 2025 een aanbod gekregen voor de functie van [functie] bij [instelling] . Dit is een leer-en werktraject gericht op het halen van een hogere kwalificatie. Voor dit leer-en werktraject bij [instelling] heeft eiser een VOG nodig. Tijdens de zitting is vast komen te staan dat de VOG die aangevraagd is voor [bedrijf] B.V. ook gebruikt kan worden bij [instelling] en dat daar niet eerst een nieuwe aanvraag voor moet worden ingediend.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser voldoende spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorlopige voorziening. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn baan verliest hij als hij geen VOG verkrijgt vóór 15 december 2025. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk zal beoordelen.
Toetsingskader
5. Voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG heeft verweerder beleidsregels opgesteld. [4] In de beleidsregels is bepaald dat als eiser voorkomt in het JDS, verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van de VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium [5] beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG toch moet worden afgegeven. In deze belangenafweging wordt rekening gehouden met de hoeveelheid antecedenten, de strafrechtelijke afdoening daarvan en de mate van tijdsverloop sinds het laatste justitiële gegeven.
Het objectieve criterium
6. Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan het objectieve criterium. Dat betekent dat, gelet op de diplomafraude van eiser, het verlenen van een VOG een risico voor de samenleving met zich meebrengt. Dit betekent dat de voorzieningenrechter uitsluitend zal beoordelen of verweerder in redelijkheid het belang van bescherming van de integriteit van de zorg en het voorkomen van samenhangende veiligheidsrisico’s zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang dat eiser heeft bij afgifte van de VOG.
Het subjectieve criterium
7. Het subjectieve criterium ziet op de omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van eiser niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van een VOG.
Op grond van het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. De zwaarte van het antecedent is relevant voor het risico als bedoeld in het objectieve criterium en dus, gelet op de toets, ook voor het subjectieve criterium. Het subjectieve criterium kan gezien worden als een invulling van het evenredigheidsbeginsel, dat in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel van artikel 4:84 Awb moet worden uitgelegd. Dit betekent dat de voorzieningenrechter bij de toetsing van de beoordeling van het subjectieve criterium dezelfde maatstaven gebruikt bij toetsing van het besluit aan de norm van artikel 4:84 van de Awb. [6]
8. Eiser heeft toegelicht onder welke omstandigheden hij tot de diplomafraude is gekomen. Hij zat diep in de schulden en zag door de bomen het bos niet meer. Eiser heeft inmiddels aan zijn taakstraf voldaan en hij houdt zich aan de meldplicht. De CoVa-plus cursus is nog niet gestart, vermoedelijk omdat de reclassering kampt met een capaciteitsgebrek. Eiser werkt al negen jaar tot (vakinhoudelijke) tevredenheid in de zorg. Eiser heeft een e-mailwisseling van 29 oktober 2025 met zijn direct leidinggevende bij [instelling] overgelegd, waarin staat dat hij een betrouwbare fijne medewerker is en dat zijn input als waardevol wordt gezien in het team. Ook heeft zijn leidinggevende toegezegd dat eiser mag terugkeren naar zijn werk, zodra hij de VOG heeft. Eiser voert ook aan dat hij, nadat de diplomafraude aan het licht is gekomen, verantwoordelijkheid heeft genomen en open en eerlijk is geweest naar zijn nieuwe werkgever [instelling] . Bovendien heeft eiser zijn spijt betuigd, eiser is zich ervan bewust dat hij een grote fout heeft gemaakt. Eiser heeft een gezin waar hij voor moet zorgen, hij is door zijn huwelijk en zijn zoontje veranderd en wil nu op een legale wijze de hogere kwalificatie in de zorg behalen. Voor eiser zou het grote gevolgen hebben als hij de VOG niet krijgt, hij zou zijn baan kwijtraken en heeft geen andere kwalificaties. Hij kan elders niet aan de slag. Hierdoor zal eiser nog verder in de schulden geraken.
9. Verweerder heeft in het bestreden besluit bij de beoordeling van de evenredigheid gekeken naar de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Verweerder waardeert in het bestreden besluit eisers betrokkenheid bij de zorg, maar stelt zich niettemin op het standpunt dat die te weinig zekerheid geeft om te kunnen stellen dat er geen risico op herhaling is. Volgens verweerder is er een risico dat eiser zijn werk op een verkeerde manier gebruikt, om zichzelf of anderen financieel beter te maken.
10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder in de beoordeling terecht stelt dat het gaat om een recent feit. De strafbeschikking dateert immers van 6 mei 2025 en het strafbare feit is volgens de strafbeschikking weliswaar gepleegd op 1 maart 2023 maar de pleegperiode loopt door tot in 2024. Daarnaast stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de strafbeschikking behalve een taakstraf ook aanwijzingen geeft om het recidive-risico te beperken en dat duur van de ‘proefperiode’ van één jaar nog niet is verstreken. De diplomafraude ziet verweerder terecht als een ernstig incident.
11. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder de inschatting van het recidive-risico onvoldoende gemotiveerd heeft. Ook tegen de achtergrond van de recente diplomafraude zijn er naar inschatting van de voorzieningenrechter omstandigheden die voldoende zekerheid geven om te concluderen dat het risico op herhaling nagenoeg afwezig is. Daarbij wijst de voorzieningenrechter op de verklaringen van eiser, zowel die in het dossier zitten als die hij op de zitting heeft afgelegd, zijn jarenlange werkervaring in de zorg, de omstandigheid dat hij met een leer- en werktraject kan starten om op legale wijze de niveau 4 kwalificatie te behalen en de openheid die hij tegenover zijn huidige werkgever heeft gegeven. Daarbij is van belang dat eiser al jarenlang in de zorg werkt en dat, behoudens de diplomafraude, niet gebleken is dat hij zijn werk op een verkeerde manier gebruikt om zichzelf of anderen financieel beter te maken. Uit de verklaringen van eiser en de e-mailwisseling met zijn leidinggevende blijkt dat hij bekwaam is als [functie] . De voorzieningenrechter ziet ook niet hoe tijdsverloop en eventueel werk in een andere baan buiten de zorg, het risico op herhaling beter zou beperken dan het leer-werktraject bij [instelling] . Om die redenen vindt de voorzieningenrechter de risico-inschatting die verweerder heeft gemaakt onvoldoende gemotiveerd.
12. De voorzieningenrechter oordeelt, gelet op het voorgaande, dat de beroepsmatige en financiële gevolgen van de weigering van de VOG voor eiser zwaar wegen en daardoor onevenredig zijn met het preventieve doel van bescherming van de integriteit van de zorg en het voorkomen van samenhangende veiligheidsrisico’s door het weigeren van de VOG.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel [7] en met het evenredigheidsbeginsel [8] . Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter kan niet zover gaan dat feitelijk een VOG wordt afgegeven.
13.1.
De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Of uiteindelijk een VOG wordt afgegeven komt aan de orde in dit nieuwe besluit. De voorzieningenrechter geeft verweerder hiervoor 6 weken. Omdat het beroep gegrond is en verweerder wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen, bestaat er aanleiding om in afwachting van dat nieuwe besluit een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening dat eiser moet worden beschouwd alsof hij in het bezit is van de gevraagde VOG, tot 6 weken na het nieuwe besluit.
13.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder twee maal het griffierecht aan eiser vergoeden, voor de beroepsprocedure en de voorlopige voorziening. Daarnaast krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- treft de voorziening dat eiser moet worden beschouwd alsof hij in het bezit is van de gevraagde VOG, tot 6 weken na het nieuwe besluit.
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 388,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 7:12 van de Awb.
3.Artikel 3:4, tweede lid en artikel 4:84 van de Awb.
4.Beleidsregels VOG-NP-RP 2024, Stcrt. 1 juli 2024, nr. 18554.
5.Uitgewerkt in paragraaf 3.1.4.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024.
7.Artikel 7:12 van de Awb.
8.Artikel 3:4, tweede lid en artikel 4:84 van de Awb.