ECLI:NL:RBMNE:2025:6651

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/289
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor aanleg inrit in voortuin na gegrondverklaring bezwaar

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, gaat het om een verzoek van eiser om toestemming voor het aanleggen van een inrit in de voortuin van zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort had eerder deze aanvraag afgewezen, met als argument dat de aanleg van de inrit ten koste zou gaan van openbare parkeerplaatsen. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak het beroep van eiser gegrond verklaard en het college opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen. In de nieuwe beslissing bleef het college echter bij de afwijzing, wat leidde tot opnieuw beroep van eiser.

De rechtbank heeft de zaak opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat het college niet voldoende had onderbouwd dat de aanleg van de inrit noodzakelijkerwijs ten koste zou gaan van openbare parkeerplaatsen. De rechtbank oordeelt dat de volledige omvang van de voortuin van eiser in de beoordeling moet worden meegenomen en dat het college dit niet had gedaan. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van het college, herroept het eerdere besluit en bepaalt dat het college instemming moet verlenen voor de aanleg van de inrit. Tevens wordt het college veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/289

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigden: mr. G. van Atten en mr. D. Vermelis),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: mr. M.S. Zwerus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan eiser toestemming te verlenen voor het aanleggen van een inrit in de voortuin van zijn woning aan de [adres] in [plaats] . Eiser is het niet eens met die weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van één van de redenen uit de Verordening fysieke leefomgeving Amersfoort op grond waarvan het college de toestemming voor het aanleggen van een inrit kan weigeren. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser heeft aan het college toestemming gevraagd voor het aanleggen van een inrit in zijn voortuin. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 16 juni 2023 afgewezen en het bezwaar daartegen op 27 december 2023 ongegrond verklaard. De reden daarvoor is dat het maken van de inrit ten koste gaat van openbare parkeerplekken aan de overzijde van de straat.
2.1.
Eiser is tegen die beslissing op bezwaar in beroep gekomen. Deze rechtbank heeft dat beroep op 27 september 2024 gegrond verklaard [1] . Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de vraag of de inrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats moet worden gekeken naar de feitelijke situatie. Het college mag de normen uit de Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom 2021 (ASVV) betrekken, maar kan daarmee niet volstaan. Het college moet rekening houden met de omvang van de voortuin van eiser en de vergelijking met de situatie van de inrit ter hoogte van nummers [nummer] en [nummer] . De rechtbank heeft het college opgedragen om in lijn hiermee een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
2.2.
Dit nieuwe besluit heeft het college op 5 december 2024 genomen. Daarbij heeft het college een rijcurve-analyse van verkeersbureau [bedrijf] van 3 december 2024 betrokken, waaruit volgens het college volgt dat de inrit ten koste gaat van twee openbare parkeerplekken aan de overzijde van de straat, omdat anders niet in één keer een vloeiende draai in en uit de oprit kan worden gemaakt. Voor de opoffering van twee openbare parkeerplekken bestaat geen noodzaak. Het college blijft daarom bij de afwijzing van de aanvraag.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn partner, de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van het college, samen met [deskundige] (verkeersdeskundige).

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser voert aan dat het college nog altijd onvoldoende heeft onderbouwd dat de realisatie van de inrit ten koste gaat van twee openbare parkeerplekken. Volgens eiser heeft het college niet aan de opdracht van de rechtbank voldaan, omdat de volledige omvang van de voortuin niet is meegenomen in de beoordeling. Dat had wel gemoeten, want eiser is bereid zijn volledige voortuin te gebruiken voor een inrit. Dit heeft invloed op de draaicirkel van de in te parkeren auto, bijvoorbeeld als er een schuine parkeerplek wordt aangelegd. Maar ook als er alleen haaks zou kunnen worden ingeparkeerd, dan ziet eiser niet in waarom dit zou betekenen dat de inrit ten koste gaat van twee openbare parkeerplekken. Uit de verstrekte video blijkt dat de buren ook in één vloeiende beweging kunnen in en uitparkeren op hun haakse inrit. Bovendien ziet eiser niet in waarom het steken van de auto zou leiden tot een verkeersonveilige situatie.
4. De rechtbank overweegt dat in artikel 5.6, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening fysieke leefomgeving Amersfoort – zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit – staat dat het college het maken van een uitweg verbiedt indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.
5. De rechtbank is van oordeel dat het ook na bestudering van de onderbouwing van het nieuwe bestreden besluit niet is gebleken dat het voor de aanleg van een inrit in de voortuin van eiser noodzakelijk is om één of meerdere openbare parkeerplaatsen aan de overkant van de straat op te offeren. Voor de vraag of de inrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats moet worden gekeken naar de feitelijke situatie. Zoals deze rechtbank in haar eerdere uitspraak heeft overwogen mag het college bij deze beoordeling de normen uit de ASVV betrekken, maar kan zij daarmee niet volstaan. De volledige omvang van de voortuin van eiser moet worden betrokken, maar dat is niet gebeurd. De voortuin is naar aanleiding van de vorige beroepsprocedure weliswaar samen met eiser gemeten, maar die resultaten zijn per abuis door (een voormalig medewerker van) de gemeente vernietigd. Het nieuwe besluit en de daarbij betrokken rijcurve-analyse van [bedrijf] gaat ook niet uit van de afmetingen van de voortuin, maar van een parkeervak van 2,5 meter bij 4,4 meter. Dat is het getegelde pad dat eiser momenteel aan de linkerkant van zijn voortuin heeft aangelegd. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de omvang van de voortuin niet is betrokken in de nieuwe besluitvorming. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de eerdere opdracht van de rechtbank en aan de aanvraag van eiser, waarin staat dat zijn gehele voortuin kan worden gebruikt voor het parkeren van zijn auto. Eiser heeft op de zitting ook aangegeven daartoe bereid te zijn en ook bereid te zijn de auto niet haaks maar schuin te parkeren. Door dit niet te betrekken, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank dus ook in tweede instantie onvolledig onderzoek gedaan.
6. Het college heeft op de zitting voor het eerst de stelling ingenomen dat het benutten van de gehele voortuin de conclusie van het onderzoek van [bedrijf] niet anders maakt, omdat er hooguit een inrit van drie meter kan worden verleend. Dit betekent feitelijk dat de stoep voor maximaal drie meter zal worden verlaagd vóór het perceel van eiser, en daarmee wordt de rijcurve volgens het college niet anders. De rechtbank volgt het college niet in dat standpunt. Dat een inrit maximaal drie meter breed kan zijn volgt namelijk op geen enkele wijze uit het dossier. Ook uit de rijcurve-analyse van [bedrijf] blijkt niet dat van dit uitgangspunt is uitgegaan. De rechtbank ziet verder niet in waarom het voor de beoordeling van de aanvraag niet relevant zou zijn hoe het parkeervak zou worden gesitueerd in de voortuin en welke afmetingen de voortuin heeft. Een parkeerplek hoeft niet haaks te zijn, maar kan ook schuin zijn en dat is relevant voor de ruimte die nodig is om de draai met de auto te maken. Uit de ASVV volgt bovendien ook dat zowel de afmetingen van een parkeervak als de situering daarvan ten opzichte van de rijbaan van invloed zijn op de ruimte die nodig is om – al dan niet vloeiend – te kunnen inparkeren.
7. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank evenmin duidelijk geworden dat als al alleen haaks kan worden geparkeerd, dit enkel kan door meerdere steekbewegingen. Uit de door eiser overgelegde filmbeelden blijkt dat de buren in een enigszins vergelijkbare situatie de auto ook (voor- of achteruit) kunnen inparkeren zonder te steken. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat het moeten steken van de auto het risico op verkeersonveilige situaties dermate vergroot dat er om die reden een openbare parkeerplaats moet worden opgeofferd voor het maken van een inrit. Het college heeft in het bestreden besluit getracht om toe te lichten waarom haaks parkeren met steekbewegingen gevaarlijker zou zijn dan fileparkeren, maar die toelichting overtuigt de rechtbank niet. Zowel bij fileparkeren als bij haaks parkeren moet immers aan meerdere kanten zicht worden gehouden op naderend verkeer en op stilstaande auto’s of andere objecten.
8. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat niet is gebleken dat de door eiser gevraagde inrit alleen (veilig) kan worden gerealiseerd als er daarvoor een of meerdere openbare parkeerplekken worden opgeofferd. Het college heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 5.6, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening fysieke leefomgeving Amersfoort gebruikt. Omdat vaststaat dat de overige weigeringsgronden van artikel 5.6, derde lid zich hier niet voordoen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin het maken van een inrit door het college kan worden verboden.
9. Gelet op deze conclusie hoeft het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet meer te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Eiser krijgt dus gelijk. De rechtbank heeft nagedacht over wat de gevolgen hiervan moeten zijn. Omdat de feiten in deze zaak inmiddels vaststaan en het college al eerder de kans heeft gekregen om de gebreken in de besluitvorming te herstellen ziet de rechtbank niet in hoe nader onderzoek of het opnieuw nemen van een besluit door het college een ander licht zal werpen op de zaak. Mede gelet op de lange looptijd van dit geschil zal de rechtbank daarom nu zelf een beslissing nemen. [2]
11. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 5 december 2024, herroept het primaire besluit van 14 juni 2023 en bepaalt dat het college aan eiser instemming moet verlenen voor de aanleg van een inrit in de voortuin van [adres] in [plaats] . De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van zes weken.
11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten met een waarde van € 907,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 december 2024;
  • herroept het primaire besluit van 14 juni 2023;
  • bepaalt dat het college aan eiser instemming moet verlenen voor de aanleg van een inrit in de voortuin van [adres] in [plaats] binnen zes weken na verzending van deze uitspraak;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoedt;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.De rechtbank heeft die bevoegdheid op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).