ECLI:NL:RBMNE:2025:6652

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/5598
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake toewijzing advocaat op grond van de Advocatenwet

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 17 juli 2025, waarbij aan hem een advocaat is toegewezen op grond van artikel 13 van de Advocatenwet. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is en doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan door artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verzoeker had op 24 juni 2025 verzocht om een advocaat ten behoeve van zijn letselschadezaak. De deken heeft op 17 juli 2025 een advocaat toegewezen, maar verzoeker was het niet eens met deze toewijzing en heeft op 22 augustus 2025 bezwaar gemaakt. De deken verklaarde dit bezwaar op 3 oktober 2025 niet-ontvankelijk, omdat er volgens hem geen bezwaar of beroep openstaat tegen een toewijzend aanwijzingsbesluit op grond van artikel 13 van de Advocatenwet.

De voorzieningenrechter legt uit dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening zowel formele als materiële connexiteit vereist is. Verzoeker vraagt om toewijzing van een andere advocaat en om een tijdelijke schadebeperkende voorziening van € 45.000,-. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek niet voldoet aan de vereisten van materiële connexiteit, omdat wat verzoeker wil bereiken geen betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, en de voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk.

De uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier, en is openbaar uitgesproken op 26 november 2025. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5598

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland

(gemachtigde: mr. H.W.M. van den Heiligenberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 17 juli 2025 waarbij aan hem een advocaat is toegewezen op grond van artikel 13 van de Advocatenwet. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
De deken heeft bij besluit van 3 oktober 2025 het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op 24 juni 2025 heeft verzoeker aan de deken verzocht om aan hem op grond van artikel 13 van de Advocatenwet een advocaat toe te wijzen ten behoeve van zijn letselschadezaak.
3. Op 17 juli 2025 heeft de deken aan verzoeker een advocaat toegewezen.
4. Verzoeker heeft op 22 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen deze toewijzing omdat hij het niet eens was met de conclusie van de advocaat dat er onvoldoende mogelijkheden waren om de zaak succesvol op te pakken.
5. De deken heeft het bezwaar op 3 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat er volgens hem geen bezwaar of beroep open staat tegen een toewijzend aanwijzingsbesluit op grond van artikel 13 van de Advocatenwet.
6. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (de formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat bestreden besluit (de materiële connexiteit).
7. In zijn verzoek om voorlopige voorziening vraagt verzoeker – kernachtig samengevat – om toewijzing van een andere advocaat en om een tijdelijke schadebeperkende voorziening van € 45.000,-. Volgens verzoeker is hij door toedoen van de deken zonder rechtsbijstand komen te verkeren met medische en maatschappelijke schade als gevolg.
8. Voor zover verzoeker de vraag opwerpt of, gelet op artikel 13, vierde lid, van de Advocatenwet, bezwaar openstaat tegen een toewijzend aanwijzingsbesluit, is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter een vraag die zich niet leent voor beantwoording in deze voorlopige voorzieningsprocedure. Dat is een formeel juridische vraag die in de beroepszaak kan worden beantwoord. De rechtbank zal daar in de hoofdzaak een definitief oordeel over moeten geven.
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het verzoek voor het overige niet aan het vereiste van materiële connexiteit, omdat wat verzoeker wil bereiken geen betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van verzoeker tegen het toewijzende aanwijzingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard. Met het verzoek kan dus slechts worden bereikt dat de deken het bezwaar alsnog inhoudelijk moet beoordelen, en het is gelet op het voorgaande niet evident dat de deken dat moet doen. Het verzoek van verzoeker om een nieuwe advocaat aan hem toe te wijzen gaat verder dan de bestuursrechter in de bodemprocedure over de ontvankelijkheid van het bezwaar zou kunnen afdwingen. Datzelfde geldt voor de gevraagde schadebeperkende voorziening. Er bestaat namelijk geen rechtstreeks verband tussen de gestelde schade en het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van verzoeker tegen het toewijzende aanwijzingsbesluit. Daarom kan verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter met deze voorlopige voorziening procedure niet bereiken wat hij vraagt.
10. De overige verzoeken van verzoeker – waaronder het vragen om afschriften van correspondentie, polisvoorwaarden en een rechtsoordeel over de afhandeling van zijn klacht tegen de deken – komen ook niet voor toewijzing in aanmerking omdat zij ook niet rechtstreeks voortvloeien uit het bestreden besluit.
11. Gelet op het voorgaande komen de voorzieningen op voorhand niet voor aanwijzing in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
12. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.