ECLI:NL:RBMNE:2025:6657

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
UTR 25-852
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.A.J. Woutersen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 20, eerste lid, Nadere Regels Parkeervergunningen 2024 HilversumArtikel 20, derde lid, Nadere Regels Parkeervergunningen 2024 HilversumArtikel 1, onder n, punt 2, Parkeerverordening Hilversum 2023Artikel 1 Toelichting Nadere Regels Parkeervergunningen 2024 HilversumArtikel 9, vierde lid, Parkeerverordening Hilversum 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eerste bewonersvergunning wegens parkeerplek op eigen terrein

Eiser vroeg een eerste bewonersvergunning aan om zijn auto te parkeren in het betaald parkeren gebied rondom zijn woning. Het college wees de aanvraag af omdat eiser een parkeerplek op eigen terrein heeft, namelijk in de parkeergarage onder zijn appartementencomplex, al is deze plek niet specifiek aan zijn appartement gekoppeld en momenteel niet direct beschikbaar.

Eiser voerde aan dat hij geen parkeerplek heeft en dat het onmogelijk is om er een te huren omdat alle plekken zijn vergeven. De rechtbank oordeelde echter dat aanspraak op een plek, ook via een wachtlijst, voldoende is om te spreken van een parkeerplek op eigen terrein. Het college heeft uit coulance een overgangsvergunning voor een jaar verleend.

Eiser verzocht ook om toepassing van de hardheidsclausule en stelde dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarprocedure. De rechtbank verwierp deze gronden, oordeelde dat het besluit bevoegd en zorgvuldig is genomen en dat de overgangsvergunning voldoende tegemoetkomt aan de situatie van eiser.

Het verzoek om schadevergoeding wegens kosten van parkeren in het betaald parkeren gebied werd afgewezen omdat het college geen onrechtmatig besluit had genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de eerste bewonersvergunning omdat eiser aanspraak kan maken op een parkeerplek op eigen terrein.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum

(gemachtigde: B. Kurnaz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een eerste bewonersvergunning. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser een parkeerplek op eigen terrein heeft. Hij kan namelijk aanspraak maken (al dan niet via een wachtlijst) op een parkeerplek in de parkeergarage bij zijn appartementencomplex. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of eiser een parkeerplek op eigen terrein heeft en of daardoor de eerste bewonersvergunning terecht is afgewezen.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat eiser een parkeerplek op eigen terrein heeft. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een eerste bewonersvergunning. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een eerste bewonersvergunning. Dat is een vergunning voor onbepaalde tijd waarmee eiser zijn auto kan parkeren in het betaald parkeren gebied rondom zijn woning.
2.1.
Het college heeft deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit) omdat eiser in de parkeergarage onder zijn appartementencomplex zou kunnen parkeren en daarmee dus een parkeerplek op eigen terrein heeft.
2.2.
Eiser heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt en met de beslissing op dat bezwaar (het bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Hangende het beroep heeft het college aan eiser een overgangsvergunning gegeven voor de duur van een jaar. Dat is een vergunning die het college uit coulance heeft verleend waarmee eiser mag parkeren in het betaald parkeren gebied. De kosten voor deze overgangsvergunning zijn even hoog als de kosten voor een eerste bewonersvergunning.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Is de aanvraag voor een eerste bewonersvergunning terecht afgewezen?
3. Eiser stelt dat er geen grond bestaat voor het afwijzen van zijn aanvraag. Eiser heeft namelijk geen parkeerplek op eigen terrein. Er is weliswaar een parkeergarage bij zijn appartementencomplex, maar aan zijn appartement is geen parkeerplek in die garage gekoppeld. Hij is ook niet (juridisch) verplicht om zo’n parkeerplek te huren. Daarnaast is het feitelijk onmogelijk om een parkeerplek te huren omdat alle parkeerplekken op dit moment zijn vergeven. Eiser verwijst daarvoor naar de informatie die hij van het vastgoedmanagement van zijn appartementencomplex heeft ontvangen. Ten slotte geeft eiser aan dat het beleid rondom het parkeren op eigen terrein niet openbaar is. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij hier ook mee bedoelt dat de lijst waarop de adressen met een parkeerplek op eigen terrein staan, niet openbaar is.
3.1.
Het college stelt kort gezegd dat eiser wel een parkeerplek op eigen terrein heeft omdat eiser (al dan niet via een wachtlijst) aanspraak kan maken op een parkeerplek in de parkeergarage bij zijn appartementencomplex. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het niet noodzakelijk is dat een parkeerplek specifiek aan het adres van eiser is gekoppeld.
3.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het college in beginsel een eerste bewonersvergunning kan afgeven aan eiser omdat eiser in het gebied ‘Schil Centrum zone 2’ woont. [1] Het aantal parkeerplekken op eigen terrein wordt echter in mindering gebracht op het aantal te verlenen vergunningen. [2] Dat betekent dat als wordt geconcludeerd dat eiser een parkeerplek op eigen terrein heeft, hij geen eerste bewonersvergunning krijgt. Een parkeerplek op eigen terrein is een parkeerplek waarop de aanvrager aanspraak kan maken (al dan niet via een wachtlijst) in een garage of op een perceel, omdat deze volgens een raadsbesluit, een bouwvergunning, een omgevingsvergunning, een erfpachts- of splitsingsakte of een huur- of koopovereenkomst, voor de woning van de aanvrager bestemd is. [3] Bepalend hierbij is niet alleen de feitelijke aanwezigheid, maar ook wat daarover destijds in een omgevingsvergunning voor bouwen of een bouwvergunning is vastgelegd. Een ruimte die volgens verleende omgevingsvergunningen voor bouwen of bouwvergunningen staat geregistreerd als parkeerruimte of garage waarop de aanvrager aanspraak kan maken, wordt gerekend tot “een parkeerplaats op eigen terrein”. [4]
3.3.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat uit de omgevingsvergunning bij de parkeergarage van eisers appartementencomplex blijkt dat er 638 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd voor in totaal 120 appartementen. In de omgevingsvergunning is weliswaar niet verplicht gesteld dat de adressen van de appartementen worden gekoppeld aan één van de parkeerplekken, maar het is wel duidelijk dat deze parkeerplekken in ieder geval zijn bestemd voor de bewoners van het appartementencomplex. Dat eiser er niet voor heeft gekozen om een parkeerplek in de garage te nemen (of zichzelf op een wachtlijst te laten plaatsen) toen hij op dit adres kwam wonen en vervolgens het gebied rondom zijn woning een betaald parkeren gebied is geworden, komt voor rekening en risico van eiser. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat er op dit moment feitelijk geen plek is in de parkeergarage. Maar dat betekent niet dat het voor eiser onmogelijk is om, al dan niet via een wachtlijst, aanspraak te maken op een plek in de parkeergarage. Eiser heeft op de zitting enkel gesteld dat hij niet via een wachtlijst aanspraak zou kunnen maken op een plek in de garage, maar heeft dit niet onderbouwd. Uit de informatie van het vastgoedmanagement van zijn appartementencomplex blijkt dit ook niet.
3.4.
De rechtbank oordeelt daarom dat het college terecht heeft kunnen vaststellen dat eiser een parkeerplek op eigen terrein heeft omdat hij al dan niet via een wachtlijst aanspraak kan maken op een parkeerplek in de parkeergarage. Het gevolg daarvan is dat eiser niet in aanmerking komt voor een eerste bewonersvergunning en dat zijn aanvraag dus terecht is afgewezen.
3.5.
De rechtbank volgt eiser overigens ook niet in zijn standpunt dat een lijst met adressen die een parkeerplek op eigen terrein hebben, openbaar moet worden. De openbaarheid van zo’n lijst is niet relevant voor de besluitvorming omtrent de aanvraag van eiser. Die is namelijk beoordeeld op grond van de hierboven genoemde en (online) gepubliceerde, en voor eenieder kenbare, regelgeving en het beleid over de parkeerplek op eigen terrein.
3.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moet er worden afgeweken van het beleid?
4. Eiser heeft daarnaast onder meer verzocht om toepassing van de hardheidsclausule. [5] Eiser heeft op de zitting nader toegelicht dat er in zijn specifieke geval moet worden afgeweken van het beleid [6] omdat hij op kosten is gejaagd. Hij moest namelijk een periode betaald parkeren omdat hij geen vergunning had. Daarnaast heeft hij de overgangsvergunning maar voor een jaar en weet hij daardoor niet waar hij daarna aan toe is. Eiser wil een eerste bewonersvergunning voor onbepaalde tijd.
4.1.
Het college vindt dat dit onvoldoende gronden zijn om af te wijken van het beleid. Bovendien heeft het college al uit coulance aan eiser een overgangsvergunning voor een jaar verleend omdat het college constateert dat de parkeergarage momenteel vol is.
4.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat afwijking van de regels op grond van de door eiser aangehaalde hardheidsclausule hier niet aan de orde is. Daarin wordt namelijk slechts een afwijkingsmogelijkheid voor het college geregeld om alsnog aan iemand een vergunning te verlenen als diegene niet aan één van de vereisten uit het derde lid van dat artikel voldoet. Eiser voldoet daar echter wel aan. Dus een situatie om af te wijken op grond van dit artikel doet zich hier niet voor.
4.3.
De rechtbank benadrukt verder dat het college beoordelingsruimte heeft om af te wijken van haar beleid. De rechtbank zal dus terughoudend toetsen of de situatie dusdanig onevenredig is dat van het beleid moet worden afgeweken. De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat er geen reden is om van het beleid af te wijken door eiser alsnog een eerste bewonersvergunning te geven. Dat de kosten van het huren van de parkeerplek in de parkeergarage hoger zijn dan die van een eerste bewonersvergunning is niet dusdanig zwaarwegend dat het college hierin aanleiding had moeten zien om af te wijken van de regels. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiser meer zekerheid wenst. Dit is begrijpelijk maar dat maakt niet dat het college om die reden alsnog aan eiser een eerste bewonersvergunning moet verlenen. Overigens is het college uit coulance eiser al tegemoet gekomen door aan hem een overgangsvergunning te verlenen omdat eiser op dit moment feitelijk geen aanspraak kan maken op een parkeerplek in de garage. Deze overgangsvergunning is in wezen een tijdelijke eerste bewonersvergunning omdat de kosten hiervoor even hoog zijn. Dat het college eiser uit coulance tegemoet is gekomen is echter aan het college om te bepalen.
4.4.
De rechtbank concludeert dat het college niet (verder) hoeft af te wijken van haar beleid. Feitelijk heeft eiser op dit moment voor een jaar wat hij wil, namelijk vergunning ter hoogte van de kosten voor een eerste bewonersvergunning. Daarmee is eisers parkeerprobleem in ieder geval voor een jaar opgelost. Dat zou eiser voldoende tijd moeten geven om op een wachtlijst te komen voor een plek in zijn parkeergarage. Het is aan het college om na een jaar wederom te beoordelen of hij aanleiding ziet om af te wijken van het beleid.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Formele beroepsgronden
5. Ten slotte heeft eiser een aantal formele gronden aangevoerd waarom hij vindt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Ten eerste is het bestreden besluit volgens eiser niet bevoegd genomen. Het besluit is namelijk in mandaat genomen door de portefeuillehouder, maar dat mandaat is niet toereikend omdat eiser een beroep op de hardheidsclausule doet. Daarnaast is het behandelproces niet legitiem. Er is namelijk geen advies van de commissie bezwaarschriften, maar enkel van de secretaris, terwijl het bestreden besluit wel verwijst naar een advies van de commissie. Eiser is in bezwaar ook alleen gehoord door de secretaris van de commissie en niet door de gehele commissie. Verder vindt eiser het onzorgvuldig dat hij pas tijdens de bezwaarfase voor het eerst bijzondere omstandigheden kon aanvoeren op grond waarvan het college zou moeten afwijken van het beleid.
Mandaat
5.1.
De rechtbank oordeelt allereerst dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. Het besluit is namens het college genomen door de portefeuillehouder Parkeren. Deze portefeuillehouder is bevoegd te beslissen op bezwaarschriften namens het college binnen zijn portefeuille, [7] tenzij een besluit wordt genomen met gebruikmaking van een hardheidsclausule in een wettelijke regeling. [8] Daarvan is hier echter geen sprake. Eiser doet weliswaar een beroep op toepassing van een hardheidsclausule, maar het college neemt hier geen besluit met gebruikmaking van een hardheidsclausule.
Horen commissie
5.2.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de bezwaarprocedure zorgvuldig is verlopen. Eiser is door de secretaris van de bezwaarschriftencommissie gehoord en er is een ambtelijk advies gegeven aan het college. Die mogelijkheid bestaat. Het college kan in bepaalde aangewezen gevallen besluiten dat er ambtelijk wordt gehoord door de secretaris van de commissie en de secretaris advies uitbrengt aan het college. [9] Dit geldt bijvoorbeeld voor bezwaren over parkeervergunningen. [10] Dat is in deze zaak ook gebeurd. Dat in het bestreden besluit per abuis wordt verwezen naar het advies van de commissie is een duidelijke verschrijving aangezien het advies zelf vermeldt dat het om een ambtelijk advies gaat en eiser ambtelijk is gehoord.
5.3.
De rechtbank stelt ten slotte vast dat eiser niet al zijn belangen bij zijn aanvraag naar voren heeft kunnen brengen. Dit betekent echter niet dat het bestreden besluit geen stand houdt. In de bezwaarfase heeft eiser namelijk alsnog zijn belangen naar voren kunnen brengen en kunnen onderbouwen. De heroverweging in bezwaar is bij uitstek geschikt om dat te doen.
Schadevergoeding
6. Ten slotte heeft eiser op de zitting een verzoek om schadevergoeding gedaan. Eiser heeft namelijk zijn auto in het betaald parkeren gebied moeten parkeren totdat hij de overgangsvergunning kreeg. Dat heeft hem naar eigen zeggen tussen de € 2.000,- en € 3.000,- gekost.
6.1.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Het college heeft de aanvraag om een eerste bewonersvergunning terecht afgewezen. Het college heeft dus geen onrechtmatig besluit genomen. Voor het betalen van schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de aanvraag voor een eerste bewonersvergunning heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten of van zijn gestelde schade.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar , griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 20, eerste lid, van de 1e Wijziging Nadere Regels Parkeervergunningen 2024 Hilversum (Nadere Regels).
2.Artikel 20, derde lid, van de Nadere Regels.
3.Artikel 1, onder n, punt 2, van de Parkeerverordening Hilversum 2023 (Parkeerverordening).
4.Artikel 1 van Pro de Toelichting Nadere Regels.
5.Eiser verwijst daarvoor naar artikel 9, vierde lid, van de Parkeerverordening.
6.Dat beleid is neergelegd in de onder voetnoot 1 genoemde Nadere Regels.
7.Bevoegdhedenregister 2023 behorend bij het Mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit 2023, 1. Algemene bevoegdheden, onder 6, in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, van het Mandaat-, Volmacht- en Machtigingsbesluit 2023 Hilversum (Mandaatbesluit) jo. artikel 168 Gemeentewet Pro.
8.Artikel 4, onder i, van het Mandaatbesluit.
9.Artikel 2, derde lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften Hilversum 2018.
10.het Aanwijzingsbesluit categorieën ambtelijk horen in bezwaar van 2 augustus 2016.