ECLI:NL:RBMNE:2025:6667

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11740313 \ UC EXPL 25-5015 RJ/58605
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling medische kosten kat toegewezen zonder incassokosten

Eiseres voerde een medische behandeling uit bij de kat van de gedaagde en vorderde betaling van de resterende kosten, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente. Gedaagde betwistte eigenaarschap maar was bereid de medische kosten te betalen. Hij vond de dagvaarding voortijdig en was het niet eens met de incassokosten.

De kantonrechter oordeelde dat gedaagde de medische kosten moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, omdat niet is gebleken vanaf wanneer gedaagde in verzuim was. De wettelijke handelsrente werd afgewezen omdat geen sprake was van een handelsovereenkomst.

De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat de aanmaning niet voldeed aan de wettelijke eisen. Gedaagde had al gedeeltelijk betaald, waardoor een restant van €350,00 werd toegewezen. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd omdat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat dagvaarden onterecht was.

Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde moet €350,00 plus wettelijke rente betalen en proceskosten dragen; incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11740313 \ UC EXPL 25-5015 RJ/58605
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.R. Ruygvoorn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.D.J. van Ruyven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juni 2025 met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025 met productie 1;
- de conclusie van repliek van 3 september 2025;
- de conclusie van dupliek van 1 oktober 2025.
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat vervolgens een vonnis in deze zaak wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft een medische behandeling uitgevoerd bij de kat “ [naam] ” en wil dat
[gedaagde] (het restant van) deze kosten, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente aan haar betaalt. In totaal komt dat neer op € 483,80. [gedaagde] geeft aan dat hij geen eigenaar is van de kat, maar dat hij wel bereid is om de kosten voor de medische behandeling te betalen. [gedaagde] vindt wel dat [eiseres] te snel tot dagvaarden is overgegaan en [gedaagde] is het niet eens met de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst de kosten voor de medische behandeling toe, vermeerderd met de wettelijke rente. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
3. De beoordeling
[gedaagde] moet de kosten voor de medische behandeling betalen
3.1.
[gedaagde] heeft aangegeven dat niet hij, maar zijn ex-partner eigenaar van de kat “ [naam] ” is, en dat de afspraken over de medische behandeling en de kosten daarvan met zijn ex-partner zijn gemaakt. Hij was hier wel bij aanwezig. [gedaagde] heeft vervolgens ook aangegeven dat hij wel bereid is om de kosten voor de medische behandeling te betalen en dat hij hierover een afspraak heeft gemaakt met [eiseres] . [gedaagde] heeft vervolgens ook een aantal betalingen gedaan. Hieruit blijkt dat (uiteindelijk) is afgesproken dat [gedaagde] de medische kosten zou gaan betalen. Dat heeft hij niet (volledig) gedaan. Daarom worden deze kosten toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.2.
[eiseres] wil verder dat [gedaagde] wettelijke handelsrente aan haar betaalt. De wettelijke handelsrente is een hogere rente, die geldt voor handelsovereenkomsten. Nergens blijkt uit dat het hier om een handelsovereenkomst gaat. [eiseres] heeft niet aangevoerd dat [gedaagde] heeft gehandeld ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’. Dat is wel vereist voor het toewijzen van wettelijke handelsrente. De kantonrechter zal daarom niet de wettelijke handelsrente, maar de (lagere) wettelijke rente (genoemd in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)) toewijzen. De kantonrechter wijst de rente toe vanaf de dag van dagvaarding, omdat de factuur niet is overgelegd en ook verder nergens is gesteld en niet is gebleken vanaf welke datum [gedaagde] de rente verschuldigd is (wanneer [gedaagde] met de betaling in verzuim is geraakt).
[gedaagde] hoeft niet de buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.3.
[eiseres] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen. Er is namelijk niet gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De overgelegde “14-dagenbrief” (productie 1) bevat een sommatie om binnen 8 dagen te betalen, dus deze brief voldoet niet aan de genoemde eisen.
Conclusie: [gedaagde] moet nog € 350,00 aan [eiseres] moet betalen
3.4.
[eiseres] en [gedaagde] zijn het er over eens dat van de medische kosten in beginsel nog € 500,00 betaald moest worden. [gedaagde] heeft op 5 januari 2025, 6 februari 2025 en op 30 maart 2025 in totaal € 150,00 aan [eiseres] betaald. Daarom blijft er nog een bedrag van € 350,00 over (€ 500,00 - € 150,00). Dit bedrag wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.5.
[gedaagde] vindt dat [eiseres] hem te snel heeft gedagvaard. Volgens [gedaagde] was hij niet verplicht om te betalen, maar heeft hij die verplichting op zich genomen. Verder heeft hij de eerste drie betalingsherinneringen van [eiseres] niet ontvangen, wist hij pas in december 2024 van de vordering en heeft hij toen contact opgenomen voor een betalingsregeling. Vervolgens is hij één keer de betalingsregeling niet nagekomen en is [eiseres] overgegaan tot dagvaarden. De kantonrechter begrijpt dit als een verweer tegen de proceskosten, maar dit verweer slaagt niet. [gedaagde] is er in ieder geval, door een brief of e-mail van [eiseres] , vanaf december 2024 van op de hoogte dat hij de kosten voor de medische behandeling van de kat “ [naam] ” aan [eiseres] moet betalen. Hierover is ook een telefoongesprek gevoerd met de gemachtigde van [eiseres] . [gedaagde] heeft vervolgens 3 betalingen gedaan, maar vanaf 30 maart 2025 stoppen die betalingen (nergens blijkt uit dat [gedaagde] daarna méér betalingen heeft gedaan). Als er al sprake was van een betalingsregeling (wat door [eiseres] wordt betwist), dan heeft [gedaagde] zich daar niet aan gehouden. Het staat [eiseres] vrij om [gedaagde] vervolgens te dagvaarden.
3.6.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) aan [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
459,40
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.7.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 459,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op
3 december 2025.