Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
eisende partij,
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3] B.V.,
4.
[gedaagde sub 4] B.V.,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
5.
[gedaagde sub 5] B.V.,
6.
[gedaagde sub 6] B.V.,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in het incident tot aanhouding van Waalstede,
- de rolbeslissing van 20 september 2023, waarbij is bepaald dat de zaak niet wordt aangehouden,
- de akte overlegging producties (1 tot en met 6), en vermeerdering van eis van Rail Side van 15 november 2023,
- de conclusie van antwoord met producties 3 tot en met 16,
2.Waarover gaat deze zaak?
28 februari 2023 [gedaagde e.a.] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade die Waalstede heeft geleden als gevolg van het verlies van een kans op de aankoop van grond van NS Vastgoed. In deze procedure gaat het om de vaststelling van de omvang van deze schade.
De Groen portefeuille bestaat uit meer dan 3.000 percelen grond gelegen nabij het spoor.
Voor de uitvoering van het onderhoud van de percelen heeft Rail Side in 2010 een overeenkomst gesloten met de vennootschap onder firma [VOF] , waarvan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vennoten waren. Deze v.o.f. is later omgezet in een besloten vennootschap, [bedrijf] .
Omdat het in deze zaak om de GreeNS portefeuille gaat, wordt daarop hierna nader ingegaan.
Er hebben 7 partijen aan deze tenderprocedure meegedaan, onder wie:
- Waalstede,
- Rail Side, een dochtervennootschap van Waalstede, en
- [gedaagde sub 4] .
- [gedaagde sub 4] een koopprijs van € 1,- aan NS Vastgoed moet betalen,
- NS Vastgoed een éénmalige vergoeding van € 6.750.000,- exclusief omzetbelasting aan [gedaagde sub 4] moet betalen voor toekomstige onderhoudsverplichtingen en mogelijk toekomstige saneringsverplichtingen (de zogenaamde bodemlast).
[gedaagde sub 4] geleverd. [gedaagde sub 4] heeft de GreeNS portefeuille daarna geleverd aan een speciaal daarvoor door [gedaagde sub 1] opgerichte vennootschap, [gedaagde sub 6] . [gedaagde sub 5] is oprichter, enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 1] is oprichter, enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 5] .
[A] was de adviseur van Waalstede en zou Waalstede verkeerd hebben geadviseerd over de bodemlast van de GreeNS portefeuille, waardoor Waalstede een niet concurrerende bieding heeft gedaan. [A] is daardoor toerekenbaar tekortgeschoten of heeft daardoor onrechtmatig gehandeld tegenover Waalstede. [gedaagde e.a.] en [bedrijf] hebben welbewust geprofiteerd/gebruik gemaakt van deze toerekenbare tekortkoming (wanprestatie)/onrechtmatige daad van [A] . Zij hebben zich ook door [A] laten adviseren over de verwerving van de GreeNS portefeuille en [A] daarvoor betaald, met als gevolg dat [A] hen wel juist adviseerde over de bodem-last en de GreeNS portefeuille aan [gedaagde sub 4] is gegund.
- Rail Side, namens zichzelf en namens Waalstede (principaal hoger beroep), en
- [gedaagde e.a.] en [bedrijf] (incidenteel hoger beroep).
[A] en [vennootschap] bij de rechtbank Rotterdam.
4.De vorderingen van Waalstede
17 april 2025 [7] ) dat [gedaagde e.a.] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:
5. De beoordeling
Er moet daarom worden uitgegaan van een kanspercentage van 45% en niet zoals primair is gevorderd een kanspercentage van 100%. De subsidiaire vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 9.121.510,44 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
10 december 2014.
1. Het hof neemt als vaststaand aan dat:
- [gedaagde sub 4] bij haar deelname aan de tenderprocedure van de diensten van [A] gebruik heeft gemaakt en hem daarvoor heeft betaald,
Zie rechtsoverweging 2.11 van het tussenarrest van 19 mei 2020.
Zie rechtsoverweging 2.12 van het tussenarrest van 19 mei 2020.
“ Het hof stelt voorop dat, ook als het conditio-sine-qua-non-verband tussen de normschending en het verlies van de kans op succes wordt vastgesteld, slechts ruimte bestaat voor het vaststellen van de schade aan de hand van de schatting van de goede en kwade kansen die de benadeelde zou hebben gehad wanneer die kans hem niet was ontnomen als het gaat om een reële kans (dat wil zeggen niet zeer kleine kans) op succes (vgl. HR 21 december 2012 ECLI:NL:HR:2012:BX7491).”
Zie rechtsoverweging 2.13 van het tussenarrest van 19 mei 2020.
Zie eerste alinea onder het kopje “3. De beslissing” van het tussenarrest van 19 mei 2020.
Zie rechtsoverwegingen 2.12 tot en met 2.29 van het eindarrest, en vooral:
- 2.15 waarin staat:
“ Alleen al op deze grond volgt het hof Railside dus in haar stelling dat [gedaagde sub 4] zonder [A] niet aan de tenderprocedure had kunnen deelnemen”
- 2.29 waarin staat:
“Al het voorgaande leidt, in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat [A] een zo belangrijk aandeel in het verwerven van de tender heeft gehad, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat [gedaagde sub 4] zonder [A] niet aan de tender had kunnen meedoen. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat [gedaagde sub 4] zonder [A] dat ook niet had gedaan.”
Zie rechtsoverweging 2.29 van het eindarrest.
Zie rechtsoverweging 2.30 van het eindarrest.
Zie rechtsoverweging 2.31 van het eindarrest.
Zie rechtsoverweging 2.31 van het eindarrest.
Zie rechtsoverweging 2.32 van het eindarrest.
Zie rechtsoverweging 2.32 van het eindarrest.
Zie rechtsoverweging 2.33 van het eindarrest.
Zie rechtsoverwegingen 2.34 en 2.35 van het eindarrest.
(€ 6.750.000,-).
Zie rechtsoverwegingen 2.37 en 2.38 van het eindarrest.
Zie rechtsoverwegingen 2.39 tot en met 2.42 van het eindarrest.
Zie rechtsoverweging 2.43 van het eindarrest.
Reële kans Waalstede: de conclusie”: “ Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de aard en omvang van het aandeel van [A] in de tenderprocedure zodanig is geweest dat [gedaagde sub 4] zonder het onrechtmatig handelen van [gedaagde e.a.] niet aan de tenderprocedure had meegedaan. Het is voldoende aannemelijk dat NS in dat geval met Fabo en Waalstede zou hebben dooronderhandeld. Het hof heeft bij gebrek aan nadere concrete informatie over het hypothetisch verloop van de biedingen en gesprekken tot uitgangspunt genomen dat beide deelnemers dan een gelijke kans op gunning zouden hebben gehad, geschat op 45%. Dat is zonder meer een reële kans op succes, zodat Railside c.s. in haar bewijsopdracht is geslaagd.”
Partijen zijn het terecht erover eens dat het hof daarover al een bindende eindbeslissing heeft genomen en heeft beslist dat aan dit vereiste is voldaan. Partijen zijn alleen van mening dat het hof geen bindende eindbeslissing heeft genomen over het kanspercentage en dat dit kanspercenatage daarom nog in deze schadestaatprocedure moet worden vastgesteld. Daarop wordt hierna ingegaan.
1 Bindende eindbeslissing van het hof over het kanspercentage
2 Afwijzing primaire vordering van Waalstede
3 Beoordeling subsidiaire vordering van Waalstede
3a Geen schade of hoogstens € 50.000,- vanwege neutrale doorverkoop van GreeNS portefeuille aan Rail Side?
3b Tussenconclusie
3c Hoe moet de schade worden vastgesteld?
3d Peildatum: 10 december 2014
3f De door Waalstede gestelde schadeposten en aftrekposten nader bekeken
3g Toewijzing subsidiaire vordering tot een bedrag van € 9.121.510,44 te vermeerderen met wettelijke rente.
1.Bindende eindbeslissing van het hof over het kanspercentage5.9. Voor de vaststelling van de schade is onder andere van belang met welk kanspercentage de te schatten kansschade moet worden vermenigvuldigd.
- wie in de hypothetische situatie aan de tenderprocedure zouden hebben deelgenomen, en in dat verband of ook [gedaagde sub 4] daaraan zou hebben deelgenomen,
- wat de rangorde zou zijn geweest, en in dat verband welk bod Waalstede zou hebben gedaan en of Waalstede dit bod zou hebben verbeterd, en welk bod Fabo zou hebben gedaan,
- met welke twee ondernemingen vervolggesprekken zouden worden gehouden, en in dat verband of D&M Holding net zoals in de werkelijke situatie zou zijn afgevallen en of het ontijdige bod van Landlust net zoals in de werkelijke situatie aan de kant zou zijn gelegd wat dan de kansen van die twee ondernemingen zou zijn geweest, en in dat verband of er nog alternatieve scenario’s denkbaar zouden zijn geweest.
- één om te bepalen of sprake is van een reële kans op succes, en
- één om te bepalen met welk percentage de vast te stellen schade moet worden vermenigvuldigd.
Dat is echter niet het geval, aangezien het om dezelfde kans gaat, namelijk de kans dat Waalstede in de hypothetische situatie de GreeNS portefeuille gegund zou hebben gekregen.
Dit kan niet worden opgemaakt uit het feit dat in het dictum van het eindarrest geen melding wordt gemaakt van het kanspercentage van 45%. Een bindende eindbeslissing kan immers ook, zoals in dit geval, uit de rechtsoverwegingen volgen. Het kan ook niet, zoals partijen aanvoeren, worden opgemaakt uit rechtsoverweging 2.52 van het eindarrest.
Verwijzing naar de schadestaatprocedure2.52 Nog daargelaten het late stadium waarin Railside haar eiswijziging heeft gedaan, volgt het hof [gedaagde e.a.] in haar betoog dat het debat over de schade nog niet voldoende is gevoerd om op dit moment al over de schadehoogte te kunnen oordelen. Uit wat Railside heeft gesteld kunnen, mede gelet op de betwisting door [gedaagde e.a.] , niet met voldoende zekerheid de schadeposten worden vastgesteld en het bedrag waarop deze moeten worden begroot. Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen dat de strafprocedure op dit moment nog niet is afgerond. In deze omstandigheid is een bijkomende aanleiding gelegen om voor een definitieve begroting van de ontnomen kans te verwijzen naar de schadestaatprocedure, mede met het oog op de mogelijkheid voor partijen om eventueel nadere stukken uit de strafprocedure bij de schadebegroting te kunnen betrekken.”
Uit deze overweging valt niet op te maken dat in de schadestaatprocedure nog een beslissing moet worden genomen over het kanspercentage. Dat staat er eenvoudigweg niet. In de overweging wordt in het geheel niet gesproken over het kanspercentage.
- wie in de hypothetische situatie aan de tenderprocedure zouden hebben deelgenomen, en of [gedaagde sub 4] daaraan zou hebben kunnen deelnemen,
- wat Fabo in de hypothetische situatie zou hebben gedaan,
- hoe de rangorde van de deelnemers in de hypothetische situatie eruit zou zien,
3.De subsidiaire vordering van Waalstede5.25. Dan moet worden beoordeeld of de subsidiaire vordering van Waalstede toewijsbaar is.
1 januari 2015 tot 1 juli 2017 € 608.310,-
€ 50.000,- is, omdat Waalstede in de hypothetische situatie (Soll-situatie) de GreeNS portefeuille eind 2014 neutraal zou hebben doorverkocht aan haar dochtervennootschap
Rail Side. Waalstede heeft dat in 2010 ook gedaan met de door haar van NS gekochte Groenportefeuille. Dit betekent volgens [gedaagde e.a.] dat, net zoals in het kader van de Groenportefeuille is gedaan,:
- Waalstede de GreeNS portefeuille voor € 1,- zou hebben doorverkocht en geleverd aan Rail Side,
- Waalstede de van NS Vastgoed ontvangen vergoeding voor het bodemrisico in zijn geheel zou hebben doorbetaald aan Rail Side, en
- Rail Side de verwervingskosten van Waalstede volledig zou hebben vergoed.
nog daargelaten dat de gestelde doorlevering en de afspraken daaromtrent niet voldoende zijn geconcretiseerd. “
wellicht ook afhankelijk van de mogelijkheden die hij op dat moment zou hebben gezien, om de grondstukken na gunning te verkopen, zoals ook [gedaagde sub 4] (onder begeleiding) van [A] heeft gedaan.”
a. mag alleen rekening worden gehouden met de op de peildatum bestaande verwachtingen over wat de toekomst zou kunnen brengen, of
b. mag daarnaast rekening worden gehouden met feiten en ontwikkelingen die zich na de peildatum (het onrechtmatig handelen van [gedaagde e.a.] ) daadwerkelijk hebben voorgedaan?
€ 71.850 per jaar bedroeg en dat de portefeuille een totaal oppervlak heeft van 6.823.040 m2. Waalstede stelt verder dat deze gederfde huuropbrengsten moeten worden vergoed over een periode van 2,5 jaar (december 2014 tot juli 2017) en komt daardoor uit op een bedrag van € 179.625,- (pagina 12 en 13 van het tweede deskundigenrapport van Waalstede).
€ 179.625,- bedraagt. Uit het voorgaande volgt dat het aannemelijk is dat Waalstede de GreeNS portefeuille, net zoals [gedaagde e.a.] dat hebben gedaan, zou hebben verhuurd. Het is ook aannemelijk dat Waalstede dat voor een periode van 2,5 jaar zou hebben gedaan. De GreeNS portefeuille is geleverd op 10 december 2014 en het is aannemelijk dat deze in de hypothetische situatie net zoals in de werkelijke situatie zou zijn verkocht in 2018. Dat Waalstede aanhaakt bij de daadwerkelijke huuropbrengsten van [gedaagde e.a.] is ook reëel, omdat er geen aanknopingspunten zijn dat Waalstede lagere huuropbrengsten zou hebben genoten dan [gedaagde e.a.] .
[gedaagde sub 4] dat heeft gedaan. [gedaagde sub 4] heeft de GreeNS portefeuille doorverkocht aan [gedaagde sub 6] . [gedaagde sub 6] heeft deze portefeuille een aantal jaren geëxploiteerd en in 2018 verkocht aan ProRail en Railinfratrust.
€ 608.310,- en € 84.919,- af voor bespaarde onderhoudskosten en managementkosten.
1 januari 2015 tot 5 juli 2017 onderhoudskosten zou hebben gehad van € 608.310,-. [adviesbureau] is daarbij uitgegaan van onderhoudskosten van € 0,0352 per m2 per jaar. Zij heeft dit bedrag gebaseerd op de onderhoudskosten die zij maakte voor de percelen van de Groen portefeuille en op basis van de onderhoudskosten die zij maakte voor het beheer van een groot deel van de GreeNS portefeuille voor NS Poort. [gedaagde sub 1] c.s. hebben deze aftrekpost niet betwist en deze is ook navolgbaar. Dit geldt eveneens voor de managementkosten van
De rechtbank zal de hoogte van deze twee aftrekposten dan ook overnemen.
(€ 5.909.400,- + € 14.874.227,20 + € 179.625,- verminderd met € 608.310,- en € 84.919,-). Dit bedrag is lager dan het door Waalstede berekende bedrag van € 22.150.453,- doordat de rechtbank uitgaat van een lager bedrag aan gederfde winst.
€ 9.121.510,44. Dit bedrag zal door [gedaagde e.a.] aan Waalstede moeten worden betaald. In zoverre zal de subsidiaire vordering van Waalstede worden toegewezen. [gedaagde e.a.] zullen ook worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
10 december 2014 tot de dag van betaling. Deze rente moet op grond van artikel 6:119 BW worden betaald.
De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis (in dit geval de onrechtmatige daad van [gedaagde e.a.] ) zou hebben verkeerd.
13 november 2023 en een rapport van 3 april 2025.
De p.m. post wordt afgewezen. Waalstede heeft niet toegelicht om welk bedrag het precies gaat. Dat valt ook niet eenvoudig op te maken uit de haar als productie 17 overgelegde factuur waarnaar zij in dit verband verwijst. Die factuur heeft kennelijk betrekking op werkzaamheden die de deskundige heeft gemaakt voor deze zaak en voor de zaak tegen
[A] en [vennootschap] . Het is onduidelijk welk bedrag aan welke zaak moet worden toegerekend.
Het voorgaande betekent dat een bedrag van € 18.447,18 aan deskundigenkosten wordt toegewezen. Het meer gevorderde wordt afgewezen.
De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom
- explootkosten inclusief btw
(6 x € 129,14 ( € 106,73 + € 22,41) € 774,84
- griffierecht € 8.519,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- het verzoekschrift van 9 maart 2023 en het daarop verleende verlof
- 15 betekeningsexploten waarin deze schadestaatprocedure wordt betekend aan de partij onder wie ten laste van [gedaagde e.a.] beslag is gelegd.
- salaris advocaat in verband met het op 9 maart 2023 verleende verlof, 1 punt tarief VIII € 4.247,00
- beslagkosten, 15 x betekening van de schadestaat van € 92,67 per exploot € 1.390,05.
Dat sprake zou zijn van een restitutierisico is ook onvoldoende door [gedaagde e.a.] onderbouwd.
6.De beslissing
a. € 9.121.510,44 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2014 tot de dag van betaling,
b. € € 18.447,18 aan deskundigenkosten,
c. € 4.247,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,