ECLI:NL:RBMNE:2025:6682

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
SBR 24/4920
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep WOZ-waarde

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzoek van een belanghebbende om vergoeding van proceskosten in een zaak over de WOZ-waarde van twee woningen. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarden, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld, dat later werd ingetrokken.

Na intrekking van het beroep verzocht de belanghebbende om vergoeding van proceskosten, waaronder het griffierecht. De rechtbank overweegt dat er geen proceskosten zijn gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden. Wel is het griffierecht terug te vorderen van de heffingsambtenaar, wat rechtstreeks uit de wet volgt.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding daarom af, en adviseert de belanghebbende zich tot de heffingsambtenaar te wenden voor terugbetaling van het griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen; het griffierecht dient door de heffingsambtenaar te worden terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4920

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. K.L. Vos).

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Deze zaak gaat over de beschikking van de heffingsambtenaar waarin de WOZ-waarde van de woningen [adres 1] en [adres 2] in [plaats] voor belastingjaar 2024 zijn vastgesteld op respectievelijk € 749.000,- en € 418.000,- op waardepeildatum 1 januari 2023. Tegen deze beschikking heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van 10 juni 2024 is het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingediend.
3. Met zijn brief van 1 augustus 2025 heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de objectafbakening onjuist is. Op basis van het eigendom, het gebruik en het inmeten van de bouwtekeningen uit het bouwdossier zijn de gebruiksoppervlakten van beide woningen opnieuw vastgesteld. Daaruit volgt een WOZ-waarde van € 591.000,- voor [adres 1] in [plaats] en € 576.000,- voor [adres 2] in [plaats] .
4. Op 6 augustus 2025 heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Omdat verzoeker hierbij het formulier proceskosten heeft ingevuld (waarin alle opties met “nee” zijn beantwoord), heeft de rechtbank de intrekking opgevat als een intrekking met een verzoek om proceskostenvergoeding. In zijn aanvullende bericht van 15 augustus 2025 heeft verzoeker aangegeven het griffierecht terug te willen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Er zijn door verzoeker geen proceskosten gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan verzoeker betalen, dit volgt rechtstreeks uit de wet. [1] Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.