ECLI:NL:RBMNE:2025:6710

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3954
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Legesverordening De Bilt 2022Art. 5, eerste lid Legesverordening De Bilt 2022Art. 12, eerste en tweede lid Legesverordening De Bilt 2022Art. 14a, vierde lid BekendmakingswetArt. 17, eerste lid Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen legesaanslag omgevingsvergunning ondanks inzagegeschil NEN 2699 normblad

Eiseres heeft een legesaanslag ontvangen voor het in behandeling nemen van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van Rijks monumentale appartementen. Zij maakte bezwaar tegen de aanslag omdat het normblad NEN 2699, waarop de aanslag is gebaseerd, niet ter inzage lag bij het gemeentehuis in Bilthoven.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het normblad op juiste wijze bekend is gemaakt door toezending aan de gemachtigde van eiseres en ter inzagelegging bij het kantoor van de BghU in Utrecht. Het ontbreken van inzage bij het gemeentehuis was onvoldoende om de aanslag te vernietigen.

Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht, maar wel een immateriële schadevergoeding van €500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van minder dan zes maanden. De rechtbank baseerde zich hierbij op jurisprudentie van de Hoge Raad en het EVRM.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 21 november 2025 en is openbaar. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de legesaanslag wordt ongegrond verklaard, maar eiseres krijgt een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3954

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: S. Bosma),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht.
(P.E. Boersma)

Inleiding

1. Eiseres heeft op 8 maart 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van Rijks monumentale appartementen in ouderenwoningen waarbij zij de bouwkosten heeft geschat op € 955.000,-. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres de aanslag in de leges van 28 augustus 2023 opgelegd (de aanslag), in verband met het in behandeling nemen van deze aanvraag. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
1.1
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres met de uitspraak op bezwaar van 16 mei 2025 (het bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond verklaard en daarbij de aanslag met € 1.736,20 verminderd.
1.2
Eiseres heeft pro forma beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft haar beroepsgronden aangevuld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft gereageerd op het verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag van het besluit
2. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres een legesaanslag opgelegd in verband met de aangevraagde omgevingsvergunning. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning was de ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges 2022’ van de gemeente De Bilt (de legesverordening) van toepassing. In artikel 2 van Pro de legesverordening is het aanvragen van een omgevingsvergunning aangemerkt als een belastbaar feit. De hoogte van de aanslag is onder verwijzing van artikel 5, eerste lid, van de legesverordening, gebaseerd op de Tarieventabel onder verwijzing naar het normblad NEN 2699 (het normblad).
2.1
De legesverordening is op grond van artikel 12, eerste lid, in werking getreden met ingang van de dag na de bekendmaking. Het normblad ligt volgens artikel 12, tweede lid, van de legesverordening ter inzage in het gemeentehuis in Bilthoven alsmede op het kantoor van de BghU in Utrecht. Ondanks dat het normblad niet ter inzage lag bij het gemeentehuis in Bilthoven, is het normblad volgens de heffingsambtenaar op de juiste wijze bekendgemaakt. Het normblad is namelijk op verzoek aan de gemachtigde van eiseres toegezonden, conform artikel 14a, vierde lid van de Bekendmakingswet.
Toetsingskader
3. Volgens vaste jurisprudentie [1] moet uit een belastingverordening voor de belastingplichtige de inhoud van zijn belastingplicht op te maken zijn. Indien de hoogte van de belasting of heffing afhankelijk is van technische voorschriften, moeten deze voorschriften in de verordening zijn opgenomen, of er moet in de verordening volledig en correct naar de officiële publicatie van de voorschriften zijn verwezen, of moeten de technische voorschriften zijn bekendgemaakt op de wijze zoals voor bijlagen bij de verordening is voorgeschreven.
Beoordeling van de beroepsgrond van eiseres
4. Eiseres voert aan dat het normblad op 27 februari 2024 niet ter inzage lag op het gemeentehuis in Bilthoven. Hierdoor is het normblad niet op de juiste wijze bekend gemaakt, zodat de legesverordening onverbindend is en de aanslag moet worden vernietigd.
4.1
De heffingsambtenaar voert aan dat het normblad op 8 november 2024 aan de gemachtigde van eiseres is toegezonden en kenbaar is gemaakt dat het normblad op het kantoor van de BghU in Utrecht ter inzage ligt. Hiermee is voldaan aan artikel 14a, vierde lid, van de Bekendmakingswet. Dat er 8,5 maand tussen het toezenden van het normblad en het verzoek hiertoe van eiseres ligt, maakt niet dat sprake is van een benadeling van eiseres. Het normblad heeft namelijk nooit enige rol van betekenis gespeeld ten aanzien van de materiele juistheid van het geheven bedrag.
4.2
De rechtbank stelt vast dat in de legesverordening staat dat inzage van het normblad bij het gemeentehuis Bilthoven en bij het kantoor van de BghU in Utrecht kan plaatsvinden. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting onbetwist medegedeeld dat het normblad bij de BghU ter inzage ligt. In het midden is gebleven of het normblad ter inzage lag bij het gemeentehuis Bilthoven. De gemachtigde van eiseres is op 27 februari 2024 onaangekondigd en zonder afspraak naar het gemeentehuis gegaan en hij heeft op dat moment het normblad niet ter inzage kunnen krijgen. Daarop heeft hij aangegeven dat hij het normblad alsnog wil ontvangen. Dit is uiteindelijk 8,5 maand later gebeurd. De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft gevraagd naar het normblad op het moment dat de belastingheffing plaatsvond. Dit deed zij pas in de bezwaarfase, met de conclusie dat het normblad op 27 februari 2024 voor haar gemachtigde niet in het gemeentehuis in Bilthoven lag. Als de gemachtigde van eiseres wél van te voren een afspraak had gemaakt en had aangegeven welk document hij had willen inzien, dan was het volgens de heffingsambtenaar gelukt om hem op dat moment kosteloos inzage te geven in het normblad. Nu de gemachtigde van eiseres dat om hem moverende redenen niet heeft gedaan en aan de gemachtigde het normblad is toegezonden, kan niet worden geoordeeld dat niet naar de eis van de wet terinzagelegging van de NEN 2699-norm is verleend. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. [2] Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat in dit geval op geen enkel moment discussie is ontstaan over de inhoud van het normblad. De bouwkosten zijn immers rechtstreeks overgenomen van de aanvraag en zonder inhoudelijk geschil daarover zijn deze bouwkosten door de heffingsambtenaar overgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling van het verzoek om schadevergoeding.
5. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van Pro het EVRM en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
5.1
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van eiseres uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016 [3] . De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Voor de hoogte van de schadevergoeding is het uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond. Deze jurisprudentie is nog steeds van toepassing, omdat het financiële belang bij de procedure meer dan € 1000,- bedraagt. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
5.2
De redelijke termijn ving in deze zaak aan op 6 oktober 2023, toen het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar is ontvangen. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 6 oktober 2025 uitspraak moeten doen. Deze termijn is met minder dan 6 maanden overschreden. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 500,-. De bezwaarfase heeft ruim 19 maanden geduurd, en daarmee ruim 13 maanden te lang. De termijnoverschrijding is door de heffingsambtenaar veroorzaakt, zodat de heffingsambtenaar € 500,- moet betalen.
5.3
Voor gevallen waarin de rechter het beroep ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend, is er geen reden om het griffierecht te vergoeden volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [4] Deze wijziging in de jurisprudentie geldt volgens deze uitspraak echter niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan 31 mei 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn ook vóór die datum is overschreden. Dit laatste is in deze zaak niet het geval. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de heffingsambtenaar aan eiseres terecht de legesaanslag heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en krijgt geen vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Zij krijgt ook geen vergoeding van het griffierecht. Omdat de procedure te lang heeft geduurd, heeft eiseres wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 500,- die de heffingsambtenaar moet betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.