ECLI:NL:RBMNE:2025:6714

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11899323 UT VERZ 25-6982 en 11899327 UT VERZ 25-6983 RO
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot opheffing of wijziging van bewind in verband met mogelijke ouderenmisbruik

In deze zaak heeft de kantonrechter op 24 oktober 2025 uitspraak gedaan over een verzoek tot opheffing of wijziging van bewind voor [verzoekster] en [verzoeker], die beiden onder bewind zijn gesteld. Het verzoek is ingediend door hun dochter, die zich zorgen maakt over mogelijke financiële uitbuiting door haar kleinzoon. De kantonrechter heeft vastgesteld dat zowel [verzoekster] als [verzoeker] niet in staat zijn om hun vermogensrechtelijke belangen te behartigen, voornamelijk door de geestelijke toestand van [verzoeker] en de achteruitgang van [verzoekster]. Ondanks medische verklaringen die wilsbekwaamheid suggereren, heeft de kantonrechter geoordeeld dat het bewind noodzakelijk blijft om hun belangen te beschermen. Het verzoek tot opheffing van het bewind en wijziging van de bewindvoerder is afgewezen, waarbij de kantonrechter benadrukt dat de huidige bewindvoerder zijn taak naar behoren uitvoert en er geen gewichtige redenen zijn om deze te wijzigen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer : 11899323 UT VERZ 25-6982 en 11899327 UT VERZ 25-6983 RO
dossiernummer : [BM nummer 1] en [BM nummer 2]
datum : 24 oktober 2025
beschikking op een verzoek tot opheffing of wijziging van bewind naar aanleiding van achteraf horen bij instelling bewind
op verzoek van:
[verzoekster],
geboren te ' [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1939,
wonende te [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats 1] ,
bijgestaan door mr. Hees,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1937,
wonende te [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats 1] ,
bijgestaan door mr. Hees,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
en als belanghebbenden:
[de dochter] ,
geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] 1965,
wonende te Frankrijk,
bijgestaan door mr. Anink,
hierna te noemen: dochter,
[de zoon] ,
geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 4] 1962,
wonende te [adres 2] , [postcode 2] [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: zoon,
[bewindvoerder] B.V.,
postadres te [postadres] , [postcode 3] [plaats] ,
hierna te noemen: [bewindvoerder] .

1.De procedure

1.1.
Op 19 september 2025 heeft de dochter een verzoek tot instelling van bewind voor haar vader ( [verzoeker] ) en haar moeder ( [verzoekster] ) ingediend.
1.2.
De kantonrechter heeft op 29 september 2025 het bewind voor beiden uitgesproken, zonder hen van te voren te horen. Uit de stukken bleek naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat betrokkenen vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand onvoldoende in staat zijn hun vermogensrechtelijke belangen te behartigen en dat het bewind zo spoedig mogelijk diende te worden ingesteld.
1.3.
Bij brief van 30 september 2025 zijn [verzoekster] en [verzoeker] opgeroepen voor de zitting van 13 oktober 2025 om achteraf te worden gehoord over het instellen van het bewind.
1.4.
Voorafgaand aan de zitting heeft de kantonrechter nog de volgende stukken ontvangen:
- aanvullende stukken van mr. Anink, ontvangen op 9 oktober 2025;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek tot (primair) opheffing van het bewind, danwel (subsidiair) wijziging van de bewindvoerder (met bijlagen) van mr. Hees, ontvangen op 10 oktober 2025;
- aanvullende stukken van mr. Anink, ontvangen op 13 oktober 2025;
- aanvullende stukken van mr. Hees, ontvangen op 13 oktober 2025.
1.5.
De zaak is mondeling behandeld op 13 oktober 2025. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
  • [verzoekster] ;
  • Mr. Hees;
  • [de dochter] ;
  • [de zoon] ;
  • Mr. Anink;
  • [bewindvoerder] van [bewindvoerder] B.V.
[verzoeker] is niet verschenen op de zitting, vanwege zijn medische situatie.
1.6.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken op zitting.

2.Het verloop van de zaak

2.1.
Op 19 september 2025 heeft dochter een spoedverzoek gedaan voor de instelling van bewind voor haar vader en moeder ( [verzoeker] en [verzoekster] ). De kantonrechter heeft naar aanleiding van het ingekomen verzoekschrift met bijlagen geoordeeld dat het bewind zo spoedig mogelijk uitgesproken diende te worden. [verzoekster] en [verzoeker] zijn daarom voorafgaand aan het instellen van het bewind niet gehoord door de kantonrechter. De kantonrechter heeft hen echter opgeroepen voor een zitting op korte termijn, om het instellen van bewind alsnog te bespreken. Mr. Hees heeft er in haar verweerschrift op gewezen dat het bewind ook bij wijze van voorlopige voorziening toegewezen had kunnen worden. Tijdens de zitting is besproken dat de uitkomst hiervan feitelijk niet anders zou zijn geweest dan nu het geval is en dat in beide gevallen ook een verzoek om opheffing van het bewind, danwel wijziging van de bewindvoerder kan worden gedaan, zoals nu ook is gebeurd.
2.2.
Dochter heeft in haar verzoekschrift - samengevat weergegeven - toegelicht dat mogelijk sprake is van financiële uitbuiting, danwel ouderenmisbruik door de kleinzoon van betrokkenen, [kleinzoon] . Volgens dochter heeft hij een grote mate van invloed op [verzoekster] en heeft hij toegang tot de bankrekening(en) van betrokkenen. Daarbij is van belang dat [verzoekster] feitelijk het beheer voert over de financiën van betrokkenen, omdat [verzoeker] hiertoe niet meer in staat is vanwege dementie. Op grond van het levenstestament van [verzoeker] is [verzoekster] ook gevolmachtigd om zijn vermogensrechtelijke en andere belangen te behartigen. Dochter wijst er op dat [kleinzoon] in relatief korte tijd veelvuldig grote bedragen heeft geleend van betrokkenen en opnames heeft gedaan van hun bankrekening(en), al dan niet met de creditcard van betrokkenen. In totaal gaat het om circa € 150.000,-. Dochter stelt dat zij haar moeder hier al verschillende keren op aangesproken heeft, maar zij ziet niet dat er iets is veranderd. De opnames zijn door blijven gaan en [verzoekster] lijkt niet goed te begrijpen wat er speelt. Verder heeft dochter er op gewezen dat [verzoekster] haar levenstestament van 22 september 2022 heeft gewijzigd op 28 november 2024 en nogmaals op 1 augustus 2025. Deze laatste wijziging heeft plaatsgevonden bij een notaris in Enschede, terwijl betrokkenen voor die tijd altijd naar een notaris in de buurt van hun woonplaats ( [woonplaats 1] ) gingen. Naar aanleiding van deze laatste wijziging heeft dochter vernomen dat zij niet langer gevolmachtigd is namens [verzoekster] - zoals op basis van het eerdere levenstestament wel het geval was - om (onder andere) financiële zaken voor haar te regelen en is haar bancaire volmacht eveneens ingetrokken. Dochter heeft sinds 1 augustus 2025 dan ook geen toegang meer tot of inzage in de bankrekeningen van betrokkenen en zij vreest dat [kleinzoon] nu vrij toegang heeft tot het gehele vermogen van betrokkenen. Dochter wil voorkomen dat het geld straks allemaal weg is en dat [verzoeker] mogelijk niet meer in het verzorgingstehuis kan blijven. Volgens dochter heeft [verzoeker] ook zijn zorgen hierover uitgesproken tegen haar.
2.3.
Mr. Hees heeft op 10 oktober 2025 namens [verzoekster] en [verzoeker] een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende een verzoek tot (primair) opheffing van het bewind en (subsidiair) benoeming van een andere bewindvoerder. Uit dit stuk blijkt dat [verzoekster] zich verzet tegen het bewind en stelt dat er geen grondslag voor het bewind bestaat, zodat dit (primair) moet worden opgeheven. [verzoekster] heeft er daarbij op gewezen dat VIA arts [arts] op 7 oktober 2024 een medische verklaring heeft afgelegd waaruit blijkt dat zij wilsbekwaam is en in staat geacht moet worden haar financiële en persoonlijke zaken en belangen naar behoren te behartigen. Deze verklaring is destijds opgesteld op verzoek van de notaris in verband met het levenstestament van 28 november 2024. Dezelfde VIA arts heeft op 9 oktober 2025 - na een verzoek daartoe van mr. Hees - nogmaals geoordeeld dat [verzoekster] wilsbekwaam is en in staat is haar financiële en persoonlijke zaken en belangen naar behoren te behartigen. [verzoekster] bestrijdt verder dat er sprake is van financiële uitbuiting/ouderenmisbruik door haar kleinzoon [kleinzoon] . Hij is als enige van de familie echt betrokken en helpt haar waar nodig. [kleinzoon] heeft weliswaar in de periode van januari 2022 tot juni 2025 circa € 130.000,- geleend van betrokkenen, maar deze lening is notarieel vastgelegd op 8 juli 2025 en [kleinzoon] heeft inmiddels ook circa
€ 55.000,- hiervan terugbetaald. [kleinzoon] is, anders dan dochter denkt, ook niet aangewezen als gevolmachtigde in het levenstestament van 1 augustus 2025. [verzoekster] heeft [notaris] , een professionele derde, namelijk aangewezen als gevolmachtigde voor het geval zij niet meer zelf in staat zal zijn om beslissingen te nemen. In het levenstestament staat ook dat als er desondanks bewind of mentorschap wordt uitgesproken, zij een voorkeur heeft voor benoeming van dit kantoor. In dat verband heeft [verzoekster] subsidiair verzocht om [notaris] te benoemen als bewindvoerder, in plaats van [bewindvoerder] .

3.De beoordeling

3.1.
Op basis van de stukken en hetgeen besproken is op zitting is de kantonrechter van oordeel dat het bewind gehandhaafd dient te blijven, zoals dat is uitgesproken op 29 september 2025. Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt daarom afgewezen, net als het verzoek tot wijziging van de bewindvoerder. Hieronder legt de kantonrechter uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Waarom is het bewind wel nodig?
3.2.
Op grond van artikel 1:431 BW kan de kantonrechter bewind instellen indien de rechthebbende tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn/haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn/haar lichamelijke of geestelijke toestand (sub a), danwel verkwisting of het hebben problematische schulden (sub b). Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval sprake van de situatie zoals genoemd in sub a. Ten aanzien van [verzoeker] is niet in geschil dat hij dementerend is en vanwege zijn geestelijke toestand niet meer in staat kan worden geacht om zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Ten aanzien van [verzoekster] is de kantonrechter van oordeel dat eveneens geconcludeerd moet worden dat zij niet meer in staat is om ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Weliswaar zijn er door [verzoekster] twee medische verklaringen ingebracht waarin de VIA arts concludeert dat zij wilsbekwaam moet worden geacht, maar die maken het oordeel van de kantonrechter niet anders.
In de verklaring van 2024 heeft de VIA arts het volgende aangegeven:
“Ik concludeer dat er bij betrokkene sprake is van een adequaat cognitief functioneren. Zij wordt, gelet op haar lichamelijke en geestelijke toestand, thans in staat geacht haar financiële en persoonlijke zaken en belangen naar behoren te behartigen.
Betrokkene is volledig wilsbekwaam.”
Uit de verklaring van 2025 komt het volgende naar voren:
“Uit het contact met de huisarts blijkt dat betrokkene recent is gezien. In overleg met betrokkene zal er nadere diagnostiek gaan plaatsvinden en zal zij naar een geriater verwezen worden. De huisarts deelt mijn mening dat er aanwijzingen zijn voor een milde cognitieve stoornis waarbij een lichte vorm (beginnende) van een psychogeriatrische aandoening eveneens mogelijk is. Gezien het huidig cognitief functioneren wordt betrokkene thans in staat geacht haar financiële en persoonlijke zaken en belangen naar behoren te kunnen behartigen. Betrokkene is thans wilsbekwaam.”
3.3.
Hieruit volgt, zoals tijdens de zitting ook door mr. Hees is erkend, dat de situatie van [verzoekster] achteruit is gegaan. Tijdens de zitting heeft de kantonrechter vastgesteld dat [verzoekster] niet volledig op de hoogte is van haar financiële zaken en dat zij deze niet goed lijkt te overzien. De bewindvoerder gaf op zitting aan dat hij onderzoek heeft gedaan naar de financiën van betrokkenen en dat is gebleken dat op 29 september 2025, dus vlak voordat het bewind in werking trad, nog een opdracht aan de bank is gegeven namens [verzoekster] om nagenoeg de gehele effectenportefeuille van betrokkenen te liquideren. Het gaat daarbij om een bedrag van € 272.000,-, oftewel 90% van de totale waarde van de effectenportefeuille, het maximale bedrag wat geliquideerd mag worden. Verder constateerde de bewindvoerder dat er een betalingsopdracht klaar stond voor 30 september 2025, waarbij dit gehele bedrag zou worden overgemaakt aan een (onbekende) derdenrekening. Dit is echter niet uitgevoerd door de bank, omdat juist op dat moment het bewind in werking trad. Desgevraagd heeft [verzoekster] tijdens de zitting aangegeven dat zij hiervan niet op de hoogte is en dat dit niet is gedaan door haar. Wie het wel geweest is weet zij niet en zij leek niet goed te begrijpen wat er precies werd bedoeld. [verzoekster] bleek evenmin op de hoogte van het feit dat er, zo bleek eveneens uit het onderzoek van de bewindvoerder, recent nog ongeveer € 60.000,- is opgenomen van haar rekening met een creditcard en dat er stelselmatig geld van de rekening van betrokkenen wordt overgemaakt naar een internationaal bedrijf. Uit wat [verzoekster] tijdens de zitting heeft gezegd volgt dat zij niet goed weet of zij een creditcard heeft en zo ja, waar die dan is. Zij heeft daar zelf in ieder geval geen betalingen mee gedaan. Bovendien bleek [verzoekster] niet meer te weten dat zij in haar levenstestamenten van 2022 en 2024 haar dochter heeft aangewezen als gevolmachtigde en dat zij haar destijds ook een bancaire volmacht heeft gegeven. [verzoekster] heeft enkel herhaald dat [notaris] haar belangen moet behartigen, zoals is vastgelegd in het meest recente levenstestament van 1 augustus 2025 en zij ontkent dat zij eerder ooit haar dochter heeft aangewezen, terwijl dit wel volgt uit de levenstestamenten zelf. Met [notaris] heeft [verzoekster] naar eigen zeggen een prettig gesprek gevoerd en zij heeft vertrouwen in hen. Hoe zij bij [notaris] terecht is gekomen weet [verzoekster] echter niet. En dat geldt ook voor de notaris in Enschede, waar het laatste levenstestament is opgesteld. Zij is daar naartoe gebracht door [kleinzoon] , maar hij is niet mee naar binnen geweest.
3.4.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat [verzoekster] op dit moment niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen én die van [verzoeker] behoorlijk waar te nemen als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand. Het instellen van bewind is derhalve noodzakelijk om de vermogensrechtelijke belangen van zowel [verzoekster] als [verzoeker] te beschermen. Naar het oordeel van de kantonrechter biedt het levenstestament van [verzoekster] van 1 augustus 2025 onvoldoende bescherming in deze situatie, omdat [verzoekster] zelf ontkent dat zij op dit moment niet meer in staat is om haar wil te bepalen en beslissingen te nemen én zij - ook als [notaris] wel gebruik zou mogen maken van de volmacht - daarnaast ook zelf nog bevoegd blijft om financiële handelingen te verrichten. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat in de huidige situatie niet verantwoord. Bovendien is het bewind ingeschreven in het Central curatele- en bewindsregister, waardoor het ook voor derden duidelijk is dat sprake is van bewind. Dit biedt een extra bescherming.
3.5.
De kantonrechter wijst het verzoek tot opheffing van het bewind daarom af.
Door wie moet het bewind uitgevoerd worden?
3.6.
[verzoekster] stelt dat indien het bewind gehandhaafd wordt [notaris] aangewezen dient te worden als bewindvoerder, in plaats van [bewindvoerder] . Daarbij wijst zij er op dat het uitgangspunt is dat er bij de keuze van een bewindvoerder wordt aangesloten bij de wensen van de onder bewind gestelde zelf.
3.7.
De kantonrechter onderschrijft dat bij de keuze voor een te benoemen bewindvoerder in de regel wordt aangesloten bij de voorkeur van de rechthebbende zelf. In dit geval ziet de kantonrechter echter geen reden om [bewindvoerder] te ontslaan en [notaris] te benoemen. Er is geen sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 1:448 lid 2 BW, die maken dat [bewindvoerder] ontslagen moet worden. Tijdens de zitting is gebleken dat [bewindvoerder] inmiddels kennis heeft gemaakt met [verzoeker] en dat hij is begonnen met zijn onderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten dat hij zijn taak niet naar behoren zou verrichten. Verder is voldoende aannemelijk dat [bewindvoerder] enkel handelt in het belang van [verzoekster] en [verzoeker] . Dat [bewindvoerder] is voorgedragen door dochter in haar inleidende verzoekschrift, is onvoldoende om aan zijn objectiviteit te twijfelen. Het gaat om een professionele, onafhankelijke bewindvoerder die geen banden heeft met iemand van de familie. [verzoekster] heeft verder geen zwaarwegende argumenten genoemd die tot het ontslag van [bewindvoerder] zouden moeten leiden.
3.8.
De kantonrechter wijst het verzoek tot wijziging van de bewindvoerder daarom eveneens af.

4.De beslissing

De kantonrechter:
- Wijst het verzoek tot opheffing van het bewind en wijziging van de bewindvoerder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Verra, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van R.A. Oelen, de griffier, op 24 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.