ECLI:NL:RBMNE:2025:6722

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/16/599454 / FT RK 25/897
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens strafrechtelijke veroordeling voor witwassen

In deze zaak heeft verzoekster op 10 september 2025 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit verzoek is behandeld op de zitting van 17 november 2025, waarbij verzoekster en haar schuldhulpverleners aanwezig waren. Verzoekster had van 2009 tot 2022 een schoonmaakbedrijf, maar door de coronacrisis en haar gezondheid daalden de bedrijfsinkomsten. In 2020 raakte zij betrokken bij witwaspraktijken, wat leidde tot een veroordeling in 2022. Ondanks haar veroordeling heeft verzoekster in 2023 cassatie ingesteld, maar de behandeling hiervan is nog niet geweest. Haar totale schuldenlast bedraagt € 187.186,74.

De rechtbank oordeelt dat op basis van artikel 288 Fw het verzoek tot schuldsanering alleen kan worden toegewezen als de schuldenaar te goeder trouw is geweest. Aangezien verzoekster een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling heeft voor een misdrijf, kan haar verzoek niet worden toegewezen. De rechtbank concludeert dat er onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt dan ook afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/599454 / FT RK 25/897
uitspraakdatum: 24 november 2025
Vonnis op grond van artikel 288 Fw (afwijzing toepassing van de schuldsaneringsregeling) van 24 november 2025
In de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 10 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 17 november 2025 in aanwezigheid van verzoekster en mevrouw [A] , en mevrouw [B] , schuldhulpverleners (Gemeente Utrecht).

2.De feiten

2.1.
Uit het verzoek blijkt het volgende. Verzoekster had van 2009 tot 2022 een schoonmaakbedrijf. De bedrijfsinkomsten daalden als gevolg van de coronacrisis en vanwege de gezondheid van verzoekster. Toen het in 2020 slecht ging met de bedrijfsvoering heeft verzoekster zich laten verleiden om mee te werken aan witwaspraktijken, waarvoor zij haar bankrekening beschikbaar stelde. Dit heeft geleid tot een veroordeling wegens witwassen in 2022. Een jaar later is verzoekster in hoger beroep wederom veroordeeld, waarbij haar een taakstraf van 50 uur is opgelegd en de verplichting tot betaling van een schadevergoeding aan de Rabobank van € 8.020,22. Verzoekster heeft in 2023 cassatie ingesteld tegen de beslissing, maar de behandeling hiervan heeft nog niet plaatsgevonden.
De totale schuldenlast van verzoekster bedraagt € 187.186,74.
2.3.
Verzoekster heeft verklaard niet bewust te hebben meegewerkt aan het witwassen en heeft hier ook nooit een vergoeding voor gekregen. Verzoekster ervaart veel stress van de veroordeling en de schulden en wil graag verder met haar leven.

3.De beoordeling

3.1.
Volgens artikel 288 lid 1, aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen toegewezen als, onder meer, voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend. Bij de beoordeling daarvan zijn onder meer van belang de aard en omvang van de schulden, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin aan de schuldenaar van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden een verwijt kan worden gemaakt en de inspanningen van de schuldenaar zijn schulden te voldoen of zijn acties om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
3.2.
Daarnaast wordt een Wsnp-verzoek ook afgewezen als een schuldenaar een schuld heeft (ontstaan in de afgelopen vijf jaar) welke voortvloeit uit een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling voor een misdrijf (art. 288 lid 2 sub c Fw.). Alleen al vanwege de veroordeling voor witwassen kan verzoekster niet worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De veroordeling is (nog) niet onherroepelijk geworden vanwege het cassatieberoep van verzoekster, maar verzoekster is wel door twee instanties veroordeeld wegens witwassen. Hoewel er een kans is dat dit door het cassatieberoep anders kan worden, is deze kans niet dermate groot dat de strafrechtelijke veroordeling van verzoekster bij de beoordeling van het Wsnp-verzoek buiten beschouwing kan worden gelaten. Verzoekster heeft geen beroepschrift of cassatieadvies overgelegd waaruit zou blijken dat haar niets te verwijten valt ten aanzien van het witwassen. Ook ter zitting is hierover niets verklaard.
3.3.
Op grond van het voorgaande dient het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te worden afgewezen.
3.4.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op
24 november 2025. [1]