Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, uitspraak gedaan in de zaak UTR 23/4786. Eiser, die in verzet ging tegen een eerdere uitspraak van 20 november 2024, had zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard gekregen omdat hij het griffierecht niet tijdig had betaald. Eiser stelde dat zijn verzoek om vrijstelling van het griffierecht ten onrechte was afgewezen, verwijzend naar een andere zaak waarin zijn verzoek wel was toegewezen. De rechtbank heeft het verzet gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vervallen verklaard.
Eiser had ook beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek aan het arrondissementsparket Midden-Nederland om een sepotbeslissing te verkrijgen. De rechtbank oordeelde dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen over verzoeken die betrekking hebben op de vervolging van strafbare feiten, zoals het verzoek om sepot. Dit is in lijn met artikel 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat er geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld in dergelijke gevallen. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser.
De rechtbank merkte op dat eiser onder bepaalde omstandigheden de strafrechter kan verzoeken om een zaak te beëindigen, maar dat het onduidelijk is of dit in zijn geval mogelijk is. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen de mondelinge uitspraak. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door rechter G. Schnitzler, in aanwezigheid van griffier L.E. Mollerus.